| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jefta, de Gileadiet, was een machtig man, dapper, en hij is zoon van een vrouw, een prostituee. En Gilead brengt Jefta voort. [Hebr. 11:32]
2 En de vrouw van Gilead baart voor hem zonen, en de zonen van de vrouw groeien op en zij verdrijven Jefta en zij zeggen tot hem: "Jij zal niet delen in het huis van onze vader, want jij bent de zoon van een andere vrouw."
3 En Jefta rent weg van voor het aangezicht van zijn broers en hij verblijft in het land van Tob. En men brengt stervelingen, stommelingen, bijeen bij Jefta en zij trekken met hem op.
4 En het gebeurt na dagen, dat de zonen van Ammon vechten met Israel.
5 En het gebeurt als de zonen van Israel met Ammon vochten, dat de ouden van Gilead gaan om Jefta uit het land van Tob te halen.
6 En zij zeggen tot Jefta: "Kom en wordt voor ons tot kapitein en wij zullen vechten tegen de zonen van Ammon."
7 En Jefta zegt tot de ouden van Gilead: "Hebben jullie mij niet gehaat? En verdreven jullie mij niet uit het huis van mijn vader? En wat is de reden dat jullie nu tot mij komen? Omdat jullie in benauwdheid zijn?"
8 En de ouden van Gilead zeggen tot Jefta: "Daarom nu keerden wij terug tot u. Ga met ons en vecht tegen de zonen van Ammon, en u wordt voor ons het hoofd voor allen die in Gilead verblijven."
9 En Jefta zegt tot de ouden van Gilead: "Indien jullie mij terugbrengen om te vechten tegen de zonen van Ammon en Jahweh geeft hen voor mijn aangezicht, zal ik dan voor jullie tot hoofd worden?"
10 En de ouden van Gilead zeggen tot Jefta: "Jahweh, Hij zal de toehoorder zijn tussen ons, indien wij niet zo naar uw woord doen."
11 En Jefta gaat met de ouden van Gilead mee en het volk plaatst hem over hen als hoofd en als kapitein, en Jefta spreekt al zijn woorden voor het aangezicht van Jahweh, in Mizpah.
12 En Jefta zendt boodschappers naar de koning van de zonen van Ammon, zeggend: "Wat is er met mij en met u, dat u tot mij kwam om te vechten in mijn land?"
13 En de koning van de zonen van Ammon zegt tot de boodschappers van Jefta: "Omdat Israel mijn land nam bij zijn opkomen vanuit Egypte, vanaf Arnon tot aan de Jabbok en zo ver als de Jordaan. En nu, geef het in vrede terug."
14 En Jefta gaat verder en hij stuurt boodschappers naar de koning van de zonen van Ammon,
15 en men zegt tot hem: "Zo zegt Jefta: Israel nam niet het land van Moab en het land van de zonen van Ammon,
16 want bij het opkomen uit Egypte gaat Israel in de wildernis, tot aan de Zee van het zeegras, en men komt in de richting van Kadesh.
17 En Israel zendt boodschappers naar de koning van Edom, zeggend: Laat mij alstublieft doorgaan door uw land. En de koning van Edom luisterde niet. En bovendien naar de koning van Moab en hij was niet gewillig. En Israel zit in Kadesh. [Num. 20:14-21]
18 En men gaat de wildernis in en men trekt om het land van Edom en het land van Moab, en men komt van het opgaan van de zon bij het land van Moab. En zij slaan het kamp op tegenover Arnon; en zij gingen het grensgebied van Moab niet binnen, want Arnon is het grensgebied van Moab. [Num. 21:4]
19 En Israel zendt boodschappers naar Sihon, koning van de Amorieten, en Israel zegt tot hem: Laat ons alstublieft door uw land gaan, tot aan mijn plaats. [Num. 21:21-24]
20 En Sihon stelde geen vertrouwen in Israel om door zijn grensgebied te gaan. En Sihon verzamelt al zijn volk en zij slaan het kamp op in Jahaz en hij vecht met Israel.
21 En Jahweh, Elohim van Israel, geeft Sihon en al zijn volk in de hand van Israel en zij verslaan hen. En Israel bezit al het land van de Amorieten, die in dat land verblijven.
22 En zij nemen al het grensgebied van de Amorieten over, van Arnon tot de Jabbok en van de wildernis tot aan de Jordaan.
23 En nu, Jahweh, Elohim van Israel, verdreef de Amorieten van voor het aangezicht van Zijn volk Israel, en u wil het bezitten?
24 Is wat Chemosh, uw elohim, u doet bezitten, niet wat u zal bezitten? En al waarvan Jahweh, onze Elohim, verdreef van voor ons aangezicht, dat zullen wij bezitten.
25 En nu, bent u veel beter dan Balak, zoon van Zippor, koning van Moab? Twistte hij ooit met Israel of vocht hij ooit met hen? [Num. 22:2-6]
26 Tijdens het verblijf van Israel in Heshbon en in haar buitenwijken, en in Aroër en in haar buitenwijken, en in alle steden die aan de kant van Arnon zijn, driehonderd jaren, wat was de reden dat u niet redde in die tijd?
27 En ik, ik zondigde niet tegen u en u doet het kwade tegen mij, om tegen mij te vechten. Jahweh, de Rechter, Hij zal vandaag oordelen tussen de zonen van Israel en tussen de zonen van Ammon."
28 En de koning van de zonen van Ammon luisterde niet naar de woorden van Jefta, die hij aan hem zond.
29 En geest van Jahweh komt over Jefta en hij steekt Gilead en Manasse over en hij gaat langs Mizpah van Gilead. En van Mizpah van Gilead ging hij langs de zonen van Ammon.
30 En Jefta belooft een belofte aan Jahweh en hij zegt: "Indien u zeker de zonen van Ammon in mijn hand geeft,
31 dan gebeurt het dat hetgene dat uitgaat uit de deur van mijn huis om mij te ontmoeten, als ik in vrede terug kom van de zonen van Ammon, voor Jahweh zal zijn; en ik zal het offeren als een opstijgoffer."
32 En Jefta gaat langs de zonen van Ammon om tegen hen te vechten, en Jahweh geeft hen in zijn hand.
33 En hij slaat ze vanaf Aroër en tot men komt in Minnith, twintig steden, en tot zo ver als Abel-Keramim; een zeer grote slachting. En de zonen van Ammon onderschikken zich voor het aangezicht van de zonen van Israel.
34 En Jefta komt in Mizpah, naar zijn huis, en zie!, zijn dochter komt naar buiten om hem te ontmoeten met tamboerijnen en met fluiten, en buiten haar heeft hij geen zoon of dochter.
35 En het gebeurt wanneer hij haar ziet, dat hij zijn kleding verscheurt en hij zegt: "Ach, mijn dochter, jij doet mij zeker neerbuigen en jij kwam onder hen die mij leed doen. En ik opende mijn mond wijd voor Jahweh en ik ben niet in staat het terug te draaien."
36 En zij zegt tot hem: "Mijn vader, u opende uw mond voor Jahweh. Doe met mij zoals het uit uw mond kwam, nadat Jahweh voor u wraak bracht op uw vijanden, op de zonen van Ammon."
37 En zij zegt tot haar vader: "Met mij zal dit ding gedaan worden. Onthoud u twee maanden van mij, en ik zal gaan en ik daal af van de bergen en ik zal huilen over mijn maagdelijkheden, ik en mijn geliefden."
38 En hij zegt: "Ga!" En hij stuurt haar weg, twee maanden. En zij gaat, zij en haar vriendinnen, en zij huilt op de bergen over haar maagdelijkheden.
39 En het gebeurt aan het einde van de twee maanden, dat zij terugkeert naar haar vader en hij aan haar zijn belofte doet die hij beloofde. En zij kende geen man. En het werd een gewoonte in Israel,
40 dat van tijd tot tijd de dochters van Israel gaan om te spreken met de dochter van Jefta, de Gileadiet, vier dagen in het jaar.
Terug naar de indexpagina
Naar Richteren 12
|
|