| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh spreekt tot Mozes, zeggend:
2 "Spreek tot de zonen van Israel en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw een schitterende belofte doet, de belofte van de Nazireër, om zich voor Jahweh af te zonderen,
3 zal hij zich onthouden van wijn en van bedwelmende drank. Azijnwijn en azijn van bedwelmende drank zal hij niet drinken en van enige vloeistof van druiven zal hij niet drinken en sappige en droge druiven zal hij niet eten. [Luc. 1:15]
4 Al dagen van zijn afzondering zal hij niet eten van al wat van de wijnrank van de wijn is gemaakt, van de pitten tot en met de schil.
5 Alle dagen van zijn belofte van afzondering zal er geen scheermes over zijn hoofd gaan, totdat de dagen vervuld zijn waarin hij zich afzondert voor Jahweh; hij zal heilig worden, de lok van zijn haar op zijn hoofd groot laten groeien. [Richt. 13:3-5]
6 Alle dagen van zijn afzondering voor Jahweh zal hij niet bij een ziel komen die dood is.
7 Voor zijn vader en voor zijn moeder, voor zijn broer en voor zijn zus, hij zal zich voor hen niet verontreinigen bij hun dood, want de afzondering voor zijn Elohim is op zijn hoofd.
8 Alle dagen van zijn afzondering is hij heilig voor Jahweh.
9 En wanneer iemand naast hem in een oogwenk sterft, plotseling, en hij zijn hoofd van afzondering verontreinigt, dan scheert hij zijn hoofd in de dag van zijn reiniging. In de zevende dag zal hij het scheren.
10 In de achtste dag zal hij twee tortelduiven of twee zonen van duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de tent van de afspraak.
11 En de priester zal de ene maken tot een zondeoffer en andere tot opstijgoffer. En hij maakt een verzoenende bedekking over hem vanwege dat wat hij zondigde in verband met de ziel. En hij heiligt zijn hoofd in die dag.
12 En hij zondert zich af voor Jahweh in de dagen van zijn afzondering, en hij brengt een mannelijk lam, een zoon van zijn jaar, als schuldoffer. En de eerdere dagen zullen vervallen, want zijn afzondering was onrein.
13 En dit is de wet van de Nazireër. In de dag van de vervulling van zijn afzondering zal men hem brengen naar de ingang van de tent van de afspraak.
14 En hij brengt zijn naderingsgeschenk aan Jahweh naderbij: een mannelijk lam, een zoon van zijn jaar, een smetteloos dier, voor het opstijgoffer; en een ooilam, een dochter van haar jaar, een smetteloos dier, voor een zondeoffer; en een ram, een smetteloze, als vredeoffers;
15 en een blad met ongezuurde broden, doorboorde koeken van meel dat vermengd is met olie, en wafels van ongezuurd brood die gezalfd zijn met olie; en hun geschenkaanbieding en hun drankoffers.
16 En de priester brengt het naderbij voor het aangezicht van Jahweh en hij brengt zijn zondeoffer en zijn opstijgoffer.
17 En hij zal de ram bereiden tot een offer van een vredeoffer aan Jahweh, op het blad van de ongezuurde broden. En de priester brengt zijn geschenkaanbieding en zijn drankoffer.
18 En de Nazireër scheert bij de ingang van de tent van de afspraak zijn hoofd van zijn afzondering en hij neemt het haar van het hoofd van zijn afzondering en hij doet het op het vuur dat onder het offer van het vredeoffer is.
19 En de priester neemt het gekookte been van de ram en een doorboorde koek van ongezuurd brood van het blad en een wafel van ongezuurd brood en hij doet het op de handpalmen van de Nazireër nadat deze zich zijn afzondering heeft afgeschoren. [Hand. 18:18]
20 En de priester beweegt ze als een beweegoffer voor het aangezicht van Jahweh. Het is heiligheid voor de priester, naast de borst van het beweegoffer en naast het been van het hefoffer. En daarna zal de Nazireër wijn drinken.
21 Dit is de wet van de Nazireër die zijn naderingsgeschenk aan Jahweh belooft bij zijn afzondering, naast wat zijn hand hem veroorlooft. Naar het bevel van zijn belofte die hij belooft zal hij doen, naar de wet van zijn afzondering."
22 En Jahweh spreekt to Mozes, zeggend:
23 "Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggend: Zo zullen jullie de zonen van Israel zegenen, tot hen zeggend:
24 Jahweh zal jullie zegenen en Hij zal jullie bewaren.
25 Jahweh zal Zijn aangezicht naar jullie doen oplichten en Hij zal jullie genadig zijn.
26 Jahweh zal Zijn aangezicht naar jullie optillen en Hij zal aan jullie vrede geven.
27 En zij plaatsen Mijn Naam op de zonen van Israel en Ik, Ik zal hen zegenen."
Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 7
|
|