| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het vele vee van de zonen van Ruben en van de zonen van Gad was zeer aanzienlijk geworden. En zij zien het land van Jazer en het land van Gilead, en zie!, de plaats was een plaats voor vee. [Deut. 3:12,13]
2 En de zonen van Gad en de zonen van Ruben komen en zij spreken tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de prinsen van de vergadering, zeggend:
3 "Ataroth, en Dibon, en Jazer, en Nimrah, en Heshbon, en Elealeh, en Shebam, en Nebo, en Beon,
4 het land dat Jahweh sloeg voor het aangezicht van de vergadering van Israel, het is land van vee en uw dienaren hebben vee."
5 En zij zeggen: "Indien wij gunst vonden in uw ogen, laat dit land aan uw dienaren tot bezit gegeven worden. Het moet niet zo zijn dat u ons de Jordaan doet oversteken."
6 En Mozes zegt tot de zonen van Gad en tot de zonen van Israel: "Zullen jullie broeders oorlog voeren, terwijl jullie hier verblijven?
7 Waarom ontmoedigen jullie het hart van de zonen van Israel tegen het oversteken naar het land dat Jahweh aan hen gaf?
8 Zo deden jullie vaders toen ik hen van Kadesh-Barnea zond om het land te zien.
9 En zij trokken op tot aan de waterloop van Eshkol en zij zien het land. En zij ontmoedigen het hart van de zonen van Israel om het land niet binnen te gaan dat Jahweh aan hen gaf. [Num. 13:17-21]
10 En de boosheid van Jahweh in die dag was heet, en Hij zwoer, zeggend:
11 De stervelingen die opkomen uit Egypte, van een zoon van twintig jaren en daarboven, zullen niet de grond zien die Ik zwoer aan Abraham, aan Isaäk en aan Jakob, want zij volgden niet volledig achter Mij,
12 behalve Kaleb, zoon van Jefunneh, en Jozua, zoon van Nun. Want zij volgden volledig achter Jahweh.
13 En de boosheid van Jahweh is heet tegen Israel en Hij doet ze veertig jaren zwerven in de wildernis, tot er een eind komt aan heel de generatie die het kwade deed in de ogen van Jahweh. [Hebr. 3:16-19]
14 En zie!, jullie staan op in plaats van jullie vaders, een toename van zondige stervelingen, om nogmaals opgeveegd te worden door de hitte van de boosheid van Jahweh tegen Israel?
15 Wanneer jullie terugkeren van achter Hem, dan zal Hij verder toevoegen aan het hen achterlaten in de wildernis en brengen jullie vernieling toe aan heel dit volk."
16 En zij komen dicht bij hem en zij zeggen: "Stenen wallen voor de schaapskudde zullen wij hier bouwen, voor ons grootvee, en steden voor onze peuters.
17 En wij zullen toegerust worden, wij die ons haasten voor het aangezicht van de zonen van Israel, tot wanneer we hen naar hun plaatsen gebracht hebben en onze peuter verblijft in de steden van het fort, weg van het aangezicht van hen die in het land verblijven.
18 Wij zullen niet naar onze huizen terugkeren totdat elke man van de zonen van Israel zijn lotdeel toebedeeld is.
19 Want wij zullen met hen niet lotdelen van over de Jordaan en verderop. Want ons lotdeel kwam tot ons van over de Jordaan in de richting van de zonsopgang."
20 En Mozes zegt tot hen: "Indien jullie dit ding doen, indien jullie toegerust worden voor het aangezicht van Jahweh, voor de oorlog,
21 en een ieder van jullie die is toegerust steekt de Jordaan over voor het aangezicht van Jahweh, totdat Hij Zijn vijanden van voor Zijn aangezicht heeft uitgedreven
22 en het land is onderschikt voor het aangezicht van Jahweh en jullie daarna zullen terugkeren, dan zijn jullie niet schuldig tegenover Jahweh en tegenover Israel. Dan wordt dit land voor jullie tot bezit voor het aangezicht van Jahweh.
23 En indien jullie niet zo doen, zie!, dan zondigen jullie tegen Jahweh, en kennen jullie je zonde die jullie zal vinden.
24 Bouwt voor jullie steden voor jullie peuters en stenen wallen voor jullie schaapskudde, en wat uit jullie mond voortkomt zullen jullie doen."
25 En de zonen van Gad en de zonen van Ruben spreken met Mozes, zeggend: "Uw dienaren zullen doen zoals mijn heer ons opdraagt.
26 Onze peuters, onze vrouwen, ons grootvee en al onze beesten zullen daar komen, in de steden van Gilead.
27 En uw dienaren, allen die toegerust zijn voor de menigte, zullen oversteken voor het aangezicht van Jahweh, voor de oorlog, zoals mijn heer spreekt."
28 En Mozes geeft Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden van de vaders van de stammen van de zonen van Israel instructies voor hen.
29 En Mozes zegt tot hen: "Indien de zonen van Gad en de zonen van Ruben met jullie de Jordaan oversteken, een ieder die toegerust is voor de oorlog voor het aangezicht van Jahweh, en het land is onderschikt voor jullie aangezicht, dan geven jullie aan hen het land van Gilead tot bezit.
30 En indien die toegerust zijn niet met jullie oversteken, dan zal aan hen een bezit worden gegeven in jullie midden, in het land van Kanaän."
31 En de zonen van Gad en de zonen van Ruben antwoorden, zeggend: "Zoals Jahweh sprak tot uw dienaren, zo zullen wij doen.
32 Wij die toegerust zijn, wij zullen oversteken voor het aangezicht van Jahweh naar het land van Kanaän, en met ons is het bezit van ons lotdeel aan de overzijde van de Jordaan." [Joz. 1:12-15]
33 En Mozes geeft aan hen, de zonen van Gad en de zonen van Ruben en aan de helft van de stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van de Bashan, het land naar haar steden, binnen de grenzen van de steden van het land, rondom.
34 En de zonen van Gad bouwen Dibon en Ataroth en Aroër,
35 Ataroth-shofan, Jazer, Jogbehah,
36 Beth-Nimran en Beth-Haran, steden van het fort, en stenen wallen voor de schaapskudde.
37 En de zonen van Ruben bouwen Heshbon en Elealeh en Kiriathaïm,
38 en Nebo en Baäl-Meon (veranderd van naam) en Sibmah. En zij geven deze namen als namen van de steden die zij bouwden.
39 En de zonen van Machir, zoon van Manasse, gaan in de richting van Gilead en zij nemen het in beslag en zij verdrijven de Amorieten die er in zijn.
40 En Mozes geeft Gilead aan Machir, zoon van Manasse, en hij verblijft er.
41 En Jaïr, zoon van Manasse, ging en hij neemt hun nederzettingen in beslag en hij noemt ze: de woonplaatsen van Jaïr.
42 En Nobah, hij ging en hij neemt Kenath en haar buitenwijken in beslag en hij noemt haar Nobah, naar zijn naam.
Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 33
|
|