| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Mozes sprak tot de hoofden van de stammen van de zonen van Israel, zeggend: "Dit is de zaak die Jahweh opdroeg:
2 Wanneer een man een belofte belooft aan Jahweh of een eed zweert om een verbintenis te binden op zijn ziel, dan zal hij zijn woord niet schenden. Naar alle dingen die uit zijn mond voortkomen zal hij doen. [Matt. 5:33]
3 Wanneer een vrouw een belofte belooft aan Jahweh en zij bindt een verbintenis in het huis van haar vader van haar jeugd,
4 en haar vader hoort van haar belofte en van haar verbintenis die zij op haar ziel bond en haar vader is stil tegen haar, dan worden al haar beloften bevestigd, en iedere verbintenis die zij op haar ziel bond zal bevestigd worden.
5 En indien haar vader haar afwijst in de dag dat hij er van hoort, dan zullen al haar beloften en al haar verbintenissen, die zij op haar ziel bond, niet bevestigd worden en zal Jahweh haar vergeven, omdat haar vader haar afwees.
6 En indien zij van een man wordt en haar beloften zijn op haar of de spraak van haar lippen die zij op haar ziel bond,
7 en haar man hoort het, maar in de dag dat hij het hoort is hij stil tegen haar, dan worden al haar beloften bevestigd en haar verbintenissen, die zij op haar ziel bond, zullen bevestigd worden.
8 Maar indien haar man, in de dag dat hij het hoort, haar afwijst, en hij haar belofte, die op haar is, en de spraak van haar lippen die zij op haar ziel bond, teniet doet, dan zal Jahweh haar vergeven.
9 En de belofte van een weduwe en die van een verdrevene, alles wat zij op haar ziel bindt zal door haar bevestigd worden.
10 En indien zij in het huis van haar man belooft of zij bindt een verbintenis op haar ziel door een eed,
11 en haar man hoort en hij is stil naar haar toe, en hij wijst haar niet af, dan worden al haar beloften bevestigd en elke verbintenis die zij op haar ziel verbond zal bevestigd worden.
12 En indien haar man ze teniet doet, teniet doet in de dag dat hij er van hoort, dan zal ieder ding dat over haar lippen kwam over haar beloften en over de verbintenis van haar ziel niet bevestigd worden. Haar man deed ze teniet. En Jahweh zal haar vergeven.
13 Iedere belofte en iedere eed van verbintenis die een ziel nederig maakt, zal haar man bevestigen of haar man zal die teniet doen.
14 En indien haar man stil is, ja stil is tot haar van dag tot dag, dan bevestigt hij al haar beloften of al haar verbintenissen die op haar zijn. Hij bevestigt ze, omdat hij stil was in de dag dat hij er van hoorde.
15 En indien hij ze teniet doet, ja teniet doet, nadat hij er van hoorde, dan draagt hij haar verdorvenheid."
16 Deze zijn de verordeningen die Jahweh opdroeg aan Mozes, tussen een man en zijn vrouw, tussen een vader en zijn dochter in haar jeugd in het huis van haar vader.
Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 31
|
|