| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Bileam zag dat het goed was in de ogen van Jahweh om Israel te zegenen en dat hij niet keer op keer voorspellers ontmoette, maar zijn aangezicht richt naar de wildernis.
2 En Bileam heft zijn ogen op en hij ziet Israel, tabernakelend naar zijn stammen, en geest van Elohim komt op hem.
3 En hij neemt zijn spreekwoord op en hij zegt: "De bevestiging van Bileam, zoon van Beor, en de bevestiging van de meester van wie het oog geblokkeerd is,
4 de bevestiging van iemand die de woorden van EL hoort, die een visioen waarneemt van Hem Die volstaat, valt en zijn ogen worden onthuld.
5 Hoe goed zijn jouw tenten, Jacob, en jouw tabernakels, Israel!
6 Als waterlopen zijn zij uitgestrekt, als tuinen aan een stroom, als aloë's plantte Jahweh, als ceders aan wateren.
7 Water vloeit uit zijn emmers en zijn zaad is in overvloedig water. En zijn koning zal hoog zijn boven Agag en zijn koninkrijk zal zichzelf verheffen.
8 EL, Die hem uitbracht uit Egypte, is voor hem als een krachtige wilde os. Hij zal natiën verslinden, zijn tegenstanders, en hij zal hun beenderen schoon pikken en met zijn pijlen zal hij doorboren.
9 Hij buigt, hij ligt neer als een leeuw en als een ouderleeuw. Wie zal hem doen opstaan? Zij die jou zegenen worden gezegend en zij die jou vervloeken worden vervloekt." [Gen. 49:9] - [Gen. 12:3]
10 En Balak's boosheid tegen Bileam wordt heet en hij slaat zijn handpalmen tegen elkaar. En Balak zegt tegen Bileam: "Ik riep jou om die mijn vijanden zijn te smaden, en zie!, jij zegende! Ja, jij zegende deze drie maal!
11 En nu, ren weg, naar het uwe, naar uw plaats! Ik zei: ik zal u zeker verheerlijken. Maar zie!, Jahweh weerhield u van heerlijkheid."
12 En Bileam zegt tot Balak: "Sprak ik ook niet tot uw boodschappers die u tot mij zond, zeggend:
13 Zelfs indien Balak aan mij de volheid van zijn huis geeft, in zilver en in goud, ben ik niet in staat over het bevel van Jahweh heen te stappen om te doen wat goed of kwaad is uit mijn hart. Dat wat Jahweh tot hem zal spreken, dat zal ik spreken.
14 En nu, zie mij gaan naar mijn volk! Ga! En ik zal u raad geven wat dit volk zal doen met uw volk in de laatste dagen."
15 En hij neemt zijn spreekwoord op en hij zegt: "Bevestiging van Bileam, zoon van Beor, en bevestiging van de meester van wie het oog geblokkeerd is,
16 bevestiging van die de woorden van EL hoort en die de kennis van de Allerhoogste kent. Hij neemt een visioen waar van Hem Die volstaat, vallend, en zijn ogen worden onthuld.
17 Ik zie hem en niet nu. Ik bekijk hem en niet van nabij. Uit Jacob treedt een ster naar voren en een scepter rijst op uit Israel en hij doorboort beide zijden van Moab en hij schept alle zonen van Seth op.
18 En Edom wordt tot bezit en Seïr wordt een bezit voor die zijn vijanden zijn, en Israel doet dapper.
19 En iemand uit Jacob zal heersen en hij vernietigt de overlevende van de stad."
20 En hij ziet Amalek en hij neemt zijn spreekwoord op en hij zegt: "Eerste van de natiën is Amalek, maar zijn vervolg zal leiden tot verloren gaan."
21 En hij ziet de Keniet en hij neemt zijn spreekwoord op en hij zegt: "Het hele jaar duurt jouw verblijf en jouw nest wordt geplaatst in de rots.
22 Maar toch zal Kaïn uitgeroeid worden. Tot wanneer zal Assur jou gevangen houden?"
23 En hij neemt zijn spreekwoord op en hij zegt: "Wee! Wie zal leven wanneer EL hem vertreedt?
24 En boten komen van de hand van Kittim en zij vernederen Assyrië. Maar ook hij zal komen tot een verloren gaan."
25 En Bileam staat op en hij gaat. En hij keert terug naar zijn plaats. En ook Balak ging zijns weegs.
Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 25
|
|