| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh spreekt tot Mozes, zeggend:
2 "Zend stervelingen voor je uit en zij zullen het land van Kanaän onderzoeken dat Ik geef aan de zonen van Israel. Één man, elk voor de stam van zijn vaders zal jij zenden, elk een prins onder hen." [Deut. 1:22,23]
3 En Mozes zendt ze uit de wildernis van Paran op bevel van Jahweh. Allen waren stervelingen, hoofden van de zonen van Israel.
4 En deze waren hun namen. Voor de stam van Ruben; Shammua, zoon van Zaccur;
5 voor de stam van Simeon: Shafat, zoon van Hori;
6 voor de stam van Juda: Kaleb, zoon van Jefunneh;
7 voor de stam van Issachar: Igal, zoon van Jozef;
8 voor de stam van Efraïm: Hosea, zoon van Nun;
9 voor de stam van Benjamin: Palti, zoon van Rafu;
10 voor de stam van Zebulon: Gaddiël, zoon van Sodi;
11 voor de stam van Jozef, voor de stam van Manasse: Gaddi, zoon van Suzi;
12 voor de stam van Dan: Ammiël, zoon van Gemali;
13 voor de stam van Asher: Sethur, zoon van Michaël;
14 voor de stam van Naftali: Nahbi, zoon van Vofsi;
15 voor de stam van Gad: Geüel, zoon van Machi.
16 Deze waren de namen van de stervelingen die Mozes zond om het land te onderzoeken. En Mozes noemt Hosea, de zoon van Nun, Jozua.
17 En Mozes zendt ze om het land van Kanaän te onderzoeken en hij zegt tot hen: "Trekt zo op in de Negev en beklimt het gebergte,
18 en ziet het land, wat het is, en het volk dat er in woont. Is het moedig of zwak, zijn er veel of weinig?
19 En wat is het land waarin zij wonen? Is het goed of slecht? En hoe zijn de steden waarin zij wonen? Zijn het kampen of zijn het forten?
20 En hoe is het land? Is het vruchtbaar of mager? Is er een boom of niet? En bemoedigt jezelf en neemt van de vrucht van het land (in die dagen waren het de dagen van de eerstelingen van de druiven)."
21 En zij trekken op en zij onderzoeken het land, van de wildernis van Zin tot zover als Rehob, komend van Hamath.
22 En zij trekken op in de Negev en men komt bij Hebron. En daar waren Ahiman, Sheshai en Talmai, die geboren waren uit de Anak*1). En Hebron was zeven jaren voor Zoar van Egypte gebouwd.
23 En zij komen bij de waterloop van Eshkol en zij snijden daar een gesnoeide tak met één tros druiven en zij dragen hem met z'n tweeën op een juk; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
24 Deze plaats werd de waterloop van Eshkol genoemd vanwege de tros die de zonen van Israel daar afsneden.
25 En aan het eind van veertig dagen keren zij terug van het onderzoeken van het land.
26 En zij gaan en zij komen bij Mozes en bij Aäron en bij heel de vergadering van de zonen van Israel in de wildernis van Paran, in de buurt van Kadesh. En zij brengen hen hun bericht en aan heel de vergadering, en zij laten hen de vrucht van het land zien.
27 En zij vertellen hem en zeggen: "Wij kwamen bij het land waarheen u ons zond en inderdaad, het vloeit van melk en honing en dit is haar vrucht.
28 Alleen is het volk dat in het land woont sterk en de steden zijn versterkt en buitengewoon groot. En ook zagen wij daar die geboren zijn uit de Anak.
29 Amalek verblijft in het land van de Negev, en de Hittiet en de Jebusiet en de Amoriet wonen in het gebergte, en de Kanaäniet verblijft bij de zee en aan de oever van de Jordaan."
30 En Kaleb stilde het volk tegen Mozes en hij zegt: "Wij zullen optrekken en het in bezit nemen, want we zullen er zeker toe in staat zijn."
31 En de stervelingen die met hem optrokken zeiden: "Wij zullen niet in staat zijn op te trekken tegen het volk, want het is moediger dan wij."
32 En zij brachten gemopper voort onder de zonen van Israel over het land dat zij onderzochten, zeggend: "Het land waar we doorheen trokken om het te onderzoeken, is een land dat die er in verblijven verslindt, en al het volk dat wij er in zagen waren stervelingen van lengte.
33 En daar zagen wij de nefilim (de zonen van Anak zijn van de nefilim). En wij waren in onze ogen als de sprinkhanen, zo waren wij in hun ogen." [Gen. 6:4]
*1). De Anak. Waarschijnlijk een volk of stam van reuzen.
Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 14
|
|