| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt dat het volk klaagt. Het is kwaad in de oren van Jahweh. En Jahweh hoort het en Zijn boosheid wordt heet en het vuur van Jahweh verteert enkelen onder hen en het verslindt het buitenste van het kamp.
2 En het volk schreeuwt tot Mozes en Mozes bidt tot Jahweh en het vuur wordt gedoofd.
3 En hij noemt de naam van deze plaats Taberah, want het vuur van Jahweh verteerde onder hen.
4 En de verzamelde verzameling die onder hen was, verlangde met een verlangen en zij keren terug. En opnieuw klagen de zonen van Israel, en zij zeggen: "Wie zal ons vlees te eten geven? [1Kor. 10:6]
5 Wij herinneren ons de vis die wij gratis in Egypte aten, de komkommers en de meloenen, de prei en de uien en de knoflook.
6 En nu is onze ziel droog. Er is niets anders dan het manna voor onze ogen."
7 En het manna is als het zaad van koriander, en de glans is als de glans van een parel. [Exo. 16:31]
8 Het volk ging heen en weer en zij raapten het op. En zij maalden het tussen de maalstenen of zij pletten het in de vijzel. En zij kookten het in de ketel en zij maakten er sintelkoeken van. En de smaak er van was als de smaak van verse olie.
9 En bij het neerdalen van de nachtmist over het kamp, daalde de manna er op neer. [Exo. 16:13-15]
10 En Mozes hoort het volk klagen, familie na familie, bij de opening van hun tent. En Jahweh wordt buitengewoon heet van boosheid en in de ogen van Mozes was het kwaad.
11 En Mozes zegt tot Jahweh: "Waarom deed U kwaad aan Uw dienaar en waarom vond ik geen genade in Uw ogen, de last van heel het volk op mij plaatsend?
12 Was ik zelf zwanger van heel dit volk of bracht ik hen voort, dat U tot mij zegt: Draag het in jouw boezem, zoals de opvoeder degene draagt die zogend is, op de grond die U zweerde aan zijn vaders?
13 Van waar haal ik vlees om aan heel dit volk te geven? Want zij klagen tegen mij, zeggend: Geef ons vlees, dan zullen wij eten.
14 Ik ben niet in staat, ik ben alleen, om heel dit volk te dragen, want het is te zwaar voor mij. [Deut. 1:9]
15 En indien U zo met mij doet, doodt mij alstublieft, doodt mij. Indien ik genade vond in Uw ogen, laat mij dan niet mijn kwaad zien."
16 En Jahweh zegt tot Mozes: "Verzamel voor Mij zeventig mannen uit de ouden van Israel, die jij kent als ouden van het volk, en hun toezichthouders, en neem hen mee naar de tent van de afspraak, dan plaatsen zij zich daar met jou.
17 Dan daal Ik af en Ik spreek daar met jou en Ik onttrek van de geest die op jou is en Ik plaats die op hen. En zij dragen met jou de last van het volk, zodat jij niet alleen zal dragen.
18 En tot het volk zal jij zeggen: Heilig jezelf voor morgen! Dan zullen jullie vlees eten. Want jullie klaagden in de oren van Jahweh, zeggend: Wie zal ons vlees te eten geven dat goed voor ons was in Egypte? En Jahweh geeft jullie vlees en jullie eten.
19 Niet één dag zullen jullie eten en niet twee dagen en niet vijf dagen en niet tien dagen en niet twintig dagen,
20 maar tot een maand van dagen, tot het uit jullie neusgaten komt en het voor jullie een afgrijzen wordt, omdat jullie Jahweh afwezen, die in jullie midden is. En jullie klagen voor Zijn aangezicht, zeggend: Waarom dit? Wij kwamen uit Egypte!"
21 En Mozes zegt: "Zeshonderdduizend mannen te voet is het volk in wiens midden ik ben. En U, U zegt: Vlees zal Ik aan hen geven en zij eten het een maand van dagen.
22 Zal de schaapskudde en het grootvee voor hen gedood worden om voor hen te voorzien, of zullen alle vissen van de zee voor hen verzameld worden om voor hen te voorzien?"
23 En Jahweh zegt tot Mozes: "Schiet de hand van Jahweh tekort? Nu zal jij zien of Mijn woord voor jou zal gebeuren of niet."
24 Mozes ging weg en hij spreekt de woorden van Jahweh tot het volk. En hij verzamelt zeventig mannen van de ouden van het volk en hij plaatst hen rondom de tent.
25 En Jahweh daalt neer in de wolk en Hij spreekt tot hem. En Hij onttrekt van de geest die op hem is en Hij geeft die aan de zeventig mannen, de ouden. En het gebeurt als de geest op hen rust, dat zij profeteren. En zij voegden niets toe.
26 En twee van de stervelingen bleven in het kamp. De naam van de ene was Eldad en de naam van de tweede was Medad. En de geest rust op hen. En zij horen bij degenen die opgeschreven waren en zij gingen niet naar de tent. En zij profeteren in het kamp.
27 En de jongen rent en hij vertelt het aan Mozes, en hij zegt: "Eldad en Medad profeteren in het kamp."
28 En Jozua, zoon van Nun, dienaar van Mozes uit de keuze van zijn jonge mannen, antwoordt en zegt: "Mijn heer Mozes, verbiedt het hen!"
29 En Mozes zegt tot hem: "Ben jij vurig voor mij? O, dat allen van het volk van Jahweh profeten zouden zijn, dat Jahweh Zijn geest op hen zou geven!"
30 En Mozes wordt bij het kamp gebracht, hij en de ouden van Israel.
31 En een wind reisde van bij Jahweh en hij scheert kwakkels van de zee en hij liet ze los boven het kamp, een weg van een dag zus en een weg van een dag zo, rondom het kamp en twee ellen boven het oppervlak van het land.
32 En het volk staat op, heel die dag en heel de nacht en heel de morgen, en zij verzamelen de kwakkels. Die het minste verzamelde had tien homers. En zij spreiden ze voor zich uit als een uitspreiding rondom het kamp.
33 Het vlees er van was nog tussen hun tanden voordat het afgesneden was. En de boosheid van Jahweh was heet tegen het volk. En Jahweh slaat het volk met een zeer grote slag.
34 En men noemt de naam van deze plaats Kibroth-Hattaavah, want daar begroef het volk hen die gulzig waren.
35 Van Kibroth-Hattaavah reisde het volk naar Hazeroth. En toen zij in Hazeroth kwamen...
Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 12
|
|