| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 "En dit is de wet van het schuldoffer. Het is heiligheid van heiligheden.
2 In de plaats waar zij het opstijgoffer doden, zullen zij het schuldoffer doden. En het bloed er van zal men sprenkelen op het altaar, rondom.
3 En al het vet er van zal hij naderbij brengen: de vette staart en het vet dat de binnenzijde bedekt,
4 en de twee nieren en het vet dat op hen is, dat op de heupen is en de lob van de lever; op de nieren zal hij het wegnemen.
5 En de priester doet het roken op het altaar, een vuuroffer voor Yahweh. Het is een schuldoffer.
6 Ieder van de mannelijken*1) onder de priesters zal het eten, in een heilige plaats zal het gegeten worden. Het is heiligheid van heiligheden. [1Kor. 10:18]
7 Zoals het zondeoffer is, zo is ook het schuldoffer. Er is voor hen één wet. De priester die er een verzoenende bedekking mee maakt, het zal voor hem zijn. [2Kon. 12:16]
8 En de priester die het opstijgoffer van een man naderbij brengt, voor hem zal de huid zijn van het opstijgoffer dat de priester voor hem naderbij brengt.
9 En elk geschenkaanbieding dat gebakken wordt in de oven en al wat gemaakt wordt in de ketel en in de pan, is voor de priester die het naderbij brengt; voor hem zal het zijn.
10 En elk geschenkaanbieding dat vermengd is met olie en is uitgelekt, is voor alle zonen van Aäron, het zal zowel voor de ene man als zijn broeder zijn.
11 En dit is de wet van het offeren van de vredeoffers, die hij naderbij zal brengen aan Yahweh.
12 Indien hij het naderbij brengt als een lofuiting, dan brengt hij het naderbij met het offer van de lofuiting: doorboorde koeken van ongezuurd brood, die vermengd zijn met olie, en ongezuurde wafels die gezalfd zijn met olie, en doorboorde koeken van geroosterd meel, vermengd met olie.
13 Op doorboorde koeken van zuurdesembrood zal hij zijn naderingsgeschenk naderbij brengen, met het offer van lofuiting van zijn vredeoffers.
14 En daarvan brengt hij iets van elk naderingsgeschenk als een hefoffer aan Yahweh. Het is voor de priester die het bloed van de vredeoffers sprenkelt; het zal voor hem zijn.
15 En het vlees van het offer van lofuiting van zijn vredeoffers zal in de dag van zijn naderingsgeschenk gegeten worden. Niets er van zal overblijven tot de morgen.
16 En indien het offeren van zijn naderingsgeschenk een belofte of vrijwillig is, zal het gegeten worden in de dag dat hij het naderbij brengt als zijn offer, en wat er van over blijft zal vanaf de morgen gegeten worden.
17 En wat over blijft van het vlees van het offer, zal in de derde dag in het vuur verbrand worden.
18 En indien in de derde dag van het vlees van het offer van zijn vredeoffers gegeten zal worden, zal degene die het naderbij brengt niet aanvaard worden; het zal hem niet toegerekend worden. Het zal verachtelijk worden en de ziel van hem die er van eet, zal de gevolgen er van dragen.
19 En het vlees dat iets aanraakt dat onrein is zal niet gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden. En het andere vlees, iedere reine zal van het vlees eten.
20 En de ziel die vlees eet van het offeren van de vredeoffers die aan Yahweh zijn, en zijn onreinheid is op hem, die ziel zal uit zijn volken afgesneden worden.
21 En de ziel die iets onreins aanraakt, de onreinheid van een onrein mens of beest of iets verfoeilijks dat onrein is, en hij eet van het vlees van het offeren van de vredeoffers die aan Yahweh zijn, zijn ziel zal van zijn volkeren afgesneden worden."
22 En Yahweh spreekt tot Mozes, zeggend:
23 "Spreek tot de zonen van Israel, zeggend: 'Jullie zullen niets van het vet van de stier en het schaap en de geit eten.
24 En het vet van het karkas en het vet van het in stukken gescheurde zal voor elk werk gebruikt worden, maar jullie zullen het zeker niet eten.
25 Want een ieder die vet eet van het beest dat hij naderbij brengt bij een vuuroffer aan Yahweh, de ziel die eet zal van zijn volkeren afgesneden worden.
26 En jullie zullen geen bloed eten in geen enkele van jullie verblijfplaatsen, niet van de vogel en niet van het beest.
27 Iedere ziel die iets van bloed eet, deze ziel zal afgesneden worden van zijn volkeren.'" [Gen. 9:4]
28 En Yahweh spreekt tot Mozes, zeggend:
29 "Spreek tot de zonen van Israel, zeggend: 'Die het offer van zijn vredeoffers naderbij brengt aan Yahweh, zal zijn naderingsgeschenk brengen aan Yahweh van het offer van zijn vredeoffers.
30 Zijn handen zullen vuuroffers van Yahweh brengen. Het vet op de borst, hij zal het brengen, in de borst, om het te bewegen als een beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh.
31 En de priester doet het vet roken op het altaar, en de borst is voor Aäron en voor zijn zonen.
32 En de rechterachterpoot zullen jullie geven als een hefoffer aan de priester van de offers van jullie vredeoffers.
33 Wie van de zonen van Aäron het bloed van de vredeoffers naderbij brengt en het vet, voor hem zal de rechterachterpoot zijn als een toegewezen deel,
34 want de borst van het beweegoffer en de poot van het hefoffer neem Ik van de zonen van Israel, van hun offers van de vredeoffers, en Ik zal die aan Aäron, de priester, geven en aan zijn zonen, als een aionische verordening voor de zonen van Israel.
35 Dit is het gezalfde deel van Aäron en het gezalfde deel van zijn zonen van de vuuroffers van Yahweh, in de dag dat hij hen naderbij brengt om priester te zijn voor Yahweh,
36 wat Yahweh opdroeg aan hen te geven in de dag dat Hij hen zalfde uit de zonen van Israel. Het is een aionische verordening voor hun generaties.'"
37 Dit is de wet voor het opstijgoffer, voor de geschenkaanbieding, en voor het zondeoffer, en voor het schuldoffer, en voor de inwijdingen en voor het offeren van de vredeoffers,
38 zoals Yahweh Mozes opdroeg op de berg Sinaï, in de dag dat Hij de zonen van Israel opdroeg hun naderingsgeschenken naderbij te brengen aan Yahweh, in de wildernis van de Sinaï.
*1) "Mannelijken". We moeten hier niet denken dat er, omdat er over "mannelijken onder de priesters" wordt gesproken, dus ook vrouwelijke priesters waren. Het gaat hier om het zondeoffer. In Numeri 8:11 wordt gesproken over beweegoffers. Daarvan mocht heel het gezin van de priester eten, mannen, vrouwen, zonen en dochters (mits men rein was). Hier in Leviticus 6:25-30 gaat het over het zondeoffer. Daarvan mochten alleen de mannelijken (en dan mogelijk alleen de priesters zelf) eten. De vrouwen en dochters mochten niet van het zondeoffer eten.
Terug naar de indexpagina
Naar Leviticus 8
|
|