| |
1 En Jahweh zegt tot Mozes: "Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: 'Voor een ziel zal niemand zichzelf onder zijn volk verontreinigen,
2 behalve voor zijn verwante, zijn nabije, voor zijn vader en voor zijn moeder en voor zijn zoon en voor zijn dochter en voor zijn broer,
3 en voor zijn zus, de maagd, die hem nabij is, want zij werd niet van een man. Voor haar zal hij zichzelf verontreinigen.
4 Hij zal zichzelf niet verontreinigen voor een bezitter onder zijn volken, om zichzelf te verontreinigen.
5 En zij zullen de kaalheid op hun hoofd niet kaal maken en de rand van hun baard zullen zij niet afscheren en in hun vlees zullen ze geen insnijding snijden.
6 Zij zullen heiligen worden voor hun Elohim en zij zullen de naam van hun Elohim niet ontheiligen. Daarom brengen zij de vuuroffers van Jahweh, het brood van hun Elohim, naderbij, en worden zij heilig.
7 En een vrouw die prostitueert en een verkrachte zullen zij niet nemen, en een vrouw die van haar man verdreven is zullen zij niet nemen, want hij is heilig voor zijn Elohim.
8 En jij zal het als heilig beschouwen, want hij brengt het brood van jouw Elohim naderbij. Hij zal voor jou heilig worden, want Ik ben heilig, Jahweh, Die jullie heiligt.
9 En wanneer een dochter van een priesterlijke man zichzelf ontheiligt door prostitutie te bedrijven, ontheiligt zij haar vader. In het vuur zal zij verbrand worden.
10 En de priester, de grootste van zijn broers, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten en die zijn hand inwijdde om zijn kleding aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten en zijn kledingstukken zal hij niet scheuren.
11 En tot geen enkele van de dode zielen zal hij komen; zelfs voor zijn vader en voor zijn moeder zal hij zichzelf niet ontheiligen.
12 En van het heiligdom zal hij niet uitgaan en hij zal het heiligdom van zijn Elohim niet ontheiligen, want de afzondering door de zalfolie van zijn Elohim is op hem. Ik ben Jahweh.
13 En hij zal een vrouw in haar maagdelijkheid nemen.
14 Een weduwe en een verdrevene en verkrachte of prostituerende zal hij niet nemen, maar veeleer zal hij een maagd uit zijn volken tot vrouw nemen.
15 En hij zal zijn zaad niet ontheiligen onder zijn volken, want Ik, Jahweh, ben het Die hem heilig maakt.'"
16 En Jahweh spreekt tot Mozes, zeggend:
17 "Spreek tot Aäron, zeggend: 'Een man van jouw zaad, doorheen hun generaties, in wie er een gebrek is, zal niet naderen om het brood van zijn Elohim te brengen.
18 Want geen enkele man die in zich een gebrek heeft, zal naderen: een man die blind is of een lamme of een mismaakte of een misvormde,
19 of een man die in zich een gebroken voet of een gebroken hand heeft,
20 of met een bochel of een dwerg of een zweer in zijn oog heeft of scheurbuik of een huidziekte of een gekneusde zaadbal.
21 Iedere man van het zaad van Aäron, de priester, die in zich een gebrek heeft, zal niet dichtbij komen om de vuuroffers van Jahweh naderbij te brengen. Door het gebrek in hem zal hij niet dichtbij komen om het brood van zijn Elohim naderbij te brengen.
22 Hij zal het brood van zijn Elohim eten, van het heilige van de heiligheden en van de heiligheden.
23 Ja, tot het gordijn zal hij niet komen en hij zal niet dichtbij het altaar komen, want er is een gebrek in hem. En hij zal Mijn heiligdommen niet ontheiligen, want Ik ben Jahweh, Die hen heiligt.'"
24 En Mozes spreekt tot Aäron en tot zijn zonen en tot alle zonen van Israel.
Terug naar de indexpagina
Naar Leviticus 22
|
|