Dit is een eigen Het Beste Nieuws vertaling van
Leviticus
Hoofdstuk 16

   
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)

1 En Jahweh spreekt tot Mozes na de dood van de twee zonen van Aäron toen zij dichtbij het aangezicht van Jahweh kwamen en stierven.
2 En Jahweh zegt tot Mozes: "Spreek tot Aäron, jouw broer, dat hij niet altijd moet komen in heiligdom, binnen het gordijn voor het verzoendeksel dat op de kist is en hij niet zal sterven wanneer Ik in de wolk zal verschijnen boven het verzoendeksel. [Hebr. 6:19,20]
3 Zo zal Aäron in het heiligdom komen: met een jonge stier, een zoon van de kudde, als zondeoffer en een ram als opstijgoffer. [Hebr. 9:7]
4 Hij zal de linnen tuniek van heiligheid aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen sjerp zal hij zich omgorden en met een linnen tulband zal hij omwikkeld zijn; het zijn kledingstukken van heiligheid. En hij wast zijn vlees in water en trekt ze aan. [Eze. 44:17,18]
5 En van de vergadering van de zonen van Israel zal hij twee harige geiten nemen als zondeoffer en een ram als opstijgoffer.
6 En Aäron brengt de jonge stier van het zondeoffer naderbij, die voor hemzelf is, en hij maakt een verzoenende bedekking over zichzelf en over zijn huis.
7 En hij neemt de twee harige geiten en hij doet ze staan voor het aangezicht van Jahweh bij de ingang van de tent van de afspraak.
8 En Aäron werpt loten over de twee harige geiten, een lot voor Jahweh en een lot voor de vertrekkende geit.
9 En Aäron brengt de harige geit op wie het lot voor Jahweh viel naderbij en hij maakt hem tot zondeoffer.
10 En de harige geit op wie het lot van de vertrekkende geit viel zal in leven blijven voor het aangezicht van Jahweh om over hem een verzoenende bedekking te maken, de vertrekkende geit wegzendend naar de wildernis.
11 En Aäron brengt de jonge stier van het zondeoffer naderbij, dat voor hem is, en hij maakt een verzoenende bedekking over zichzelf en over zijn huis, en hij doodt de jonge stier van het zondeoffer dat voor hemzelf is.
12 En hij neemt de volle vuurpan, met sintels van vuur van het altaar van voor het aangezicht van Jahweh, en zijn beide handen vol van dunne wierook van specerijen, en hij brengt ze aan de binnenzijde van het gordijn.
13 En hij doet de wierook op het vuur voor het aangezicht van Jahweh en de wolk van de wierook bedekt het verzoendeksel dat op het getuigenis is, en hij zal niet sterven.
14 En hij neemt van het bloed van de jonge stier en hij spettert het met zijn vinger voor het verzoendeksel, naar het oosten. En voor het verzoendeksel zal hij zeven maal spetteren van het bloed aan zijn vinger.
15 En hij doodt de harige geit van het zondeoffer dat voor het volk is en hij brengt zijn bloed naar de binnenzijde van het gordijn en hij doet met zijn bloed zoals hij deed met het bloed van de jonge stier, en hij spettert het op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel. [Hebr. 9:12]
16 En hij maakt een verzoenende bedekking over het heiligdom vanwege de onreinheid van de zonen van Israel en vanwege hun overtredingen, voor al hun zonden. En zo zal hij doen voor de tent van de afspraak, die met hen tabernakelt te midden van hun onreinheden.
17 En geen mens zal in de tent van de afspraak komen wanneer hij binnen gaat om een verzoenende bedekking te maken in het heiligdom, tot hij naar buiten komt. En hij maakt een verzoenende bedekking over zichzelf en over zijn huishouding en over heel de vergadering van Israel.
18 En hij komt naar het altaar dat voor het aangezicht van Jahweh is en hij maakt een verzoenende bedekking voor zichzelf, en hij neemt van het bloed van de jonge stier en van het bloed van de harige geit en hij doet het op de horens van het altaar, rondom.
19 En hij spettert er van het bloed aan zijn vinger op, zeven maal. En hij reinigt zichzelf en hij heiligt zichzelf van de onreinheden van de zonen van Israel.
20 En wanneer hij klaar is met het maken van de verzoenende bedekking voor het heiligdom en de tent van de afspraak en het altaar, brengt hij de levende harige geit naderbij.
21 En Aäron steunt zijn twee handen op het hoofd van de levende harige geit en hij belijdt over hem alle verdorvenheden van de zonen van Israel en al hun overtredingen in al hun zonden, en hij doet ze op het hoofd van de harige geit. En hij zendt hem weg door de hand van een gereed staande man, de wildernis in.
22 En de harige geit draagt al hun verdorvenheden op zich naar een land van verbreking. En hij laat de harige geit vrij in de wildernis.
23 En Aäron gaat de tent van de afspraak binnen en hij doet de linnen kledingstukken uit die hij aantrok toen hij het heiligdom binnen kwam. En hij laat ze daar. [Eze. 44:19]
24 En hij wast zijn vlees in water in de heilige plaats en hij doet zijn kleding aan en hij gaat naar buiten en hij brengt zijn opstijgoffer en het opstijgoffer van het volk en hij maakt een verzoenende bedekking voor zichzelf en voor het volk.
25 En het vet van het zondeoffer zal hij doen roken op het altaar.
26 En die de harige geit vrij laat, de vertrekkende geit, zal zijn kledingstukken spoelen en hij wast zijn vlees in water en daarna zal hij naar het kamp komen.
27 En de jonge stier van het zondeoffer en de harige geit van het zondeoffer, waarvan het bloed was gebracht om een verzoenende bedekking te maken in het heiligdom, zullen naar de buitenzijde van het kamp gebracht worden en zij verbranden hun huiden en hun vlees en hun mest in het vuur. [Hebr. 13:11]
28 En die ze verbrandt zal zijn kledingstukken spoelen en hij wast zijn vlees in water en daarna zal hij naar het kamp komen.
29 En het wordt voor jullie een aionische verordening. In de zevende maand, in de tiende van de maand, zullen jullie je zielen nederig maken en jullie zullen geen enkel werk doen, de ingeborene en de bijwoner die in jullie midden bijwoont.
30 Want in deze dag zal hij over jullie een verzoenende bedekking maken, om jullie te reinigen van al jullie zonden. Voor het aangezicht van Jahweh zullen jullie rein zijn. [Lev. 23:26-29]
31 Het is een sabbat van ofouden. En jullie maken je zielen nederig. Het is een aionische verordening.
32 En de priester die men zalft en die men zijn hand vult om priester te zijn in plaats van zijn vader, maakt een verzoenende bedekking. En hij doet de linnen kledingstukken aan, de kledingstukken van heiligheid.
33 En hij maakt een verzoenende bedekking over het heiligdom van heiligheid. En over de tent van de afspraak en over het altaar zal hij een verzoenende bedekking maken, en over heel het volk van de vergadering zal hij een verzoenende bedekking maken.
34 En dit wordt voor jullie een aionische verordening, om een verzoenende bedekking te maken over de zonen van Israel van al hun zonden, één maal per jaar." En hij doet zoals Jahweh aan Mozes opdroeg.

Terug naar de indexpagina
Naar Leviticus 17
   


© www.hetbestenieuws.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.