| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt na deze dingen, dat gezegd wordt: "Zie! Uw vader is ziek." En hij neemt twee van zijn zonen met zich mee, en .
2 En men spreekt tot Jakob, en men zegt: "Zie! Uw zoon komt tot u." En bemoedigt zichzelf en hij zit op de sofa.
3 En zegt tot : "El, Die Afdoende is, verscheen aan mij in , in het land van en Hij zegent mij.
4 En Hij zegt tot mij: 'Ik maak jou vruchtbaar en Ik doe jou toenemen en Ik stel jou tot een verzameling van volken. En Ik geef dit land aan jouw zaad na jou tot een aionisch bezit.' [Gen. 28:13,14]
5 En nu, jouw twee zonen die aan jou geboren werden in het land van , voordat ik naar jou toe kwam, naar , en , zijn voor mij. Zoals en zullen zij voor mij worden.
6 En hun verwanten die jij na hen verwekt, zijn voor jou. Het zal gebeuren dat zij genoemd zullen worden naar de naam van hun broers, naar hun lotdeel.
7 En toen ik van kwam, stierf bij mij in het land van , aan de weg, op enige afstand van . En ik begroef haar aan de weg van , dat is ." [Gen. 35:16-20]
8 En ziet de zonen van , en hij zegt: "Wie zijn deze?"
9 En zegt tot zijn vader: "Zij zijn mijn zonen die Elohim hier aan mij gaf." En hij zegt: "Breng ze alstublieft bij mij, dan zal ik ze zegenen."
10 En de ogen van waren zwaar van ouderdom en hij is niet in staat om te zien. En men brengt ze dicht bij hem en hij kust ze en hij omarmt ze.
11 En zegt tot : "Ik bad niet om jouw gezicht te zien, en zie!, Elohim laat mij ook jouw zaad zien!"
12 En laat ze gaan van zijn knieën en hij buigt zich neer, met de neusgaten naar het land.
13 En neemt de twee, aan zijn rechterzijde, links van , en aan zijn linkerzijde, rechts van . En hij brengt ze dicht bij hem.
14 En strekt zijn rechterhand uit en hij legt die op het hoofd van , de jongere, en zijn linkerhand op het hoofd van . Hij gebruikte zijn handen verstandelijk, want was de eerstgeborene.
15 En hij zegent en hij zegt: "De Elohim voor Wiens aangezicht mijn vaderen wandelden, en , de Elohim Die mij steeds behoedt tot op deze dag,
16 de Boodschapper Die mij verlost van alle kwaad, Hij zal de jongens zegenen en mijn naam zal in hen genoemd worden en de naam van mijn vaderen en , en zij zullen vruchtbaar zijn in de menigte in het land."
17 En ziet dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van legt en het is kwaad in zijn ogen. En hij ondersteunt de hand van zijn vader om hem weg te nemen van het hoofd van naar het hoofd van .
18 En zegt tot zijn vader: "Zo niet, mijn vader, want deze is de eerstgeborene. Plaats uw rechterhand op zijn hoofd."
19 En zijn vader weigert het. En hij zegt: "Ik weet het, mijn zoon, ik weet het! Hij, ook hij zal tot een volk worden en ook hij, hij zal groot zijn, maar toch zal zijn broer, de kleine, groter zijn dan hij en zijn zaad zal een volheid van de natiën worden."
20 En hij zegent hen op die dag, zeggend: "In jullie zal Israel zegenen, zeggend: 'Elohim zal jullie plaatsen als en als .'" En hij plaatst vóór het aangezicht van . [Hebr. 11:21]
21 En zegt tot : "Zie! Ik sterf. En Elohim zal met jullie zijn en Hij brengt jullie terug naar het land van jullie vaderen.
22 En zie! Ik geef jou een berghelling boven jouw broers, die ik nam uit de hand van de Amoriet, met mijn zwaard en met mijn boog."
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 49
|
|