| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh zegt tot Mozes: "Ga binnen bij Farao en spreek zo tot hem: 'Jahweh, Elohim van de Hebreeërs, zegt: 'Zend Mijn volk weg en zij zullen Mij dienen.'
2 Want indien jij weigert hen weg te zenden en jij hen nog steeds vasthoudt,
3 zie!, de hand van Jahweh komt over het vee dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kamelen over het grootvee en over de schaapskudde, een plaag, buitengewoon zwaar.
4 En Jahweh maakt onderscheid tussen het vee van Israel en het vee van Egypte. Niets dat van de zonen van Israel is zal sterven."
5 En Jahweh maakt een afspraak, zeggend: "Morgen zal Jahweh dit ding doen in het land."
6 En Jahweh doet dit ding in de ochtend en al het vee van de Egyptenaren sterft. En van het vee van de zonen van Israel stierf er niet één.
7 En Farao zond, en zie!, van het vee van Israel stierf er niet één. En het hart van Farao is zwaar en hij zond het volk niet weg.
8 En Jahweh zegt tot Mozes en Aäron: "Neemt jullie beide handen vol met ongebluste kalk uit de kalkoven, en Mozes, strooi het voor de ogen van Farao naar de hemelen,
9 en het wordt tot poeder over heel het land van Egypte. En het wordt op de mens en op het beest als tot zweren uitgroeiende puisten in heel het land van Egypte."
10 En zij nemen ongebluste kalk uit de kalkoven en zij staan voor het aangezicht van Farao. En Mozes sprenkelt het naar de hemelen en het wordt als tot zweren uitgroeiende puisten in de mens en in het beest. [Openb. 16:2]
11 En de heilige schriftgeleerden waren niet in staat voor het aangezicht van Mozes te staan, met het oog op de zweren, want de zweer kwam over de heilige schriftgeleerden en over heel Egypte.
12 En Jahweh maakt het hart van Farao standvastig en hij luisterde niet naar hen, zoals Jahweh tot Mozes sprak.
13 En Jahweh zegt tot Mozes: "Sta vroeg in de morgen op en plaats jezelf voor het aangezicht van Farao en zeg tot hem: 'Zo zegt Jahweh, Elohim van de Hebreeërs, zendt Mijn volk weg en zij zullen Mij dienen!
14 Want in deze tijd zal Ik al mijn slagen op jouw hart zenden en op jouw dienaren en op jouw volk, opdat jullie weten dat er in heel het land niemand is zoals Ik.
15 Want nu strek Ik Mijn hand uit en sla Ik jou en jouw volk met de plaag, en jij wordt weggedrukt uit het land.
16 Niettemin, voor dit doel doe Ik jou staan, om jou Mijn kracht te laten zien en opdat Mijn Naam in heel het land verteld wordt. [Rom. 9:17]
17 Nog verhoog jij je tegen Mijn volk door hen niet weg te zenden.
18 Zie! Ik zal morgen, om deze tijd, regen veroorzaken, hagel, buitengewoon zwaar, zoals die niet in Egypte voorkwam sinds de dag dat ze gegrondvest werd tot heden.
19 En nu, breng jouw vee onder een sterk afdak en al wat van jou is in het veld, elke mens en ieder beest dat in het veld gevonden wordt. Als ze niet verzameld worden bij het huis en de hagel daalt op hen neer, dan sterven ze.'"
20 Wie van de dienaren van Farao het woord van Jahweh vreesde, deed zijn dienaren en zijn vee vluchten naar de huizen.
21 En wie zijn hart niet plaatste op het woord van Jahweh, liet zijn dienaren en zijn vee in het veld.
22 En Jahweh zegt tot Mozes: "Strek jouw hand uit naar de hemelen en er zal hagel komen in heel het land van Egypte, over de mens en over het beest en over al het groenvoer in het veld van het land van Egypte."
23 En Mozes strekt zijn staf uit naar de hemelen en Jahweh gaf geluiden en hagel, en er gaat vuur naar het land en Jahweh doet hagel regenen op het land van Egypte.
24 En er komt hagel, en vuur neemt haar baan te midden van de hagel, buitengewoon zwaar, zoals het niet was in heel het land van Egypte sinds het tot een natie werd. [Openb. 8:7] [Openb. 16:21]
25 En de hagel sloeg, in heel het land van Egypte, allen die in het veld waren, van mens tot beest. En al het groenvoer van het veld sloeg de hagel, en iedere boom van het veld brak hij.
26 Maar in het land van Goshen, daar waar de zonen van Israel zijn, was de hagel niet.
27 En Farao zendt en hij roept om Mozes en om Aäron, en hij zegt tot hen: "Ik zondigde deze keer tegen Jahweh, de Rechtvaardige, en ik en mijn volk zijn de bozen.
28 Smeekt tot Jahweh, want de geluiden van Jahweh en de hagel worden teveel. En ik zal jullie wegzenden en jullie zullen niet toevoegen aan jullie verblijf."
29 En Mozes zegt tot hem: "Als ik vertrek uit de stad zal ik mijn handpalmen uitspreiden naar Jahweh. De geluiden zullen ofouden en de hagel zal er niet meer zijn, opdat jullie weten dat het land van Jahweh is.
30 En u en uw dienaren, ik weet dat jullie nog niet vrezen voor het aangezicht van Jahweh Elohim."
31 En het vlas en de gerst werd geslagen, want de gerst was bevrucht en de vlas was in de peul.
32 En de tarwe en de spelt werden niet geslagen, want zij waren in blad *1).
33 En Mozes vertrok van bij Farao, uit de stad, en hij spreidt zijn handpalmen naar Jahweh en de geluiden houden op en de hagel en de regen werden niet meer uitgegoten naar het land.
34 En Farao ziet dat de regen en de hagel en de geluiden opgehouden zijn en hij voegt toe aan zijn zonde. En hij maakt zijn hart en dat van zijn dienaren zwaar.
35 En het hart van Farao is standvastig en hij zond de zonen van Israel niet weg, zoals Jahweh sprak door middel van Mozes.
1) In blad - nog niet rijp.
Terug naar de indexpagina
Naar Exodus 10
|
|