| |
1 En daarna gingen en naar binnen en zij zeggen tot : "Zo zegt Jahweh, Elohim van : zendt Mijn volk weg en zij zullen Mij loven in de wildernis."
2 En zegt: "Wie is Jahweh? Waarom zal ik luisteren naar zijn stem om weg te zenden? Ik ken Jahweh niet en bovendien: ik zal niet wegzenden."
3 En zij zeggen: "Elohim van de Hebreeërs, Hij is met ons. Alstublieft! Wij zullen een weg van drie dagen gaan in de wildernis en wij zullen offeren aan Jahweh, onze Elohim. Anders komt Hij over ons met de plaag en met het zwaard."
4 En de koning van zegt tot hen: " en , waarom zorgen jullie er voor dat het volk afziet van haar taken? Gaat naar jullie lasten!"
5 En zegt: "Zie! Het land heeft nu veel volk en jullie zijn er de oorzaak van dat ze ofouden met hun lasten!"
6 En draagt in die dag de afpersers van het volk en hun opzichters op, zeggend:
7 "Jullie niet toevoegen aan het geven van gebroken stro om de stenen te vormen, zoals drie dagen voor gisteren. Zij zullen gaan en zij zullen voor zichzelf gebroken stro bijeen harken.
8 En het gebruikelijke aantal van de stenen die zij maken, drie dagen voor gisteren, zullen jullie op hen plaatsen. Jullie zullen dat niet verminderen, want zij zijn traag. Daarom schreeuwen zij, zeggend: 'Wij zullen gaan! Wij zullen offeren aan onze Elohim.'
9 En de dienst zal zwaar zijn op de stervelingen en zij hebben het maar te doen. En zij moeten niet gehoor geven aan valse woorden."
10 En de afpersers van het volk en hun opzichters vertrekken en zij spreken tot het volk, zeggend: "Zo zegt : Ik geef jullie geen gebroken stro!
11 Jullie? Gaat! Neemt voor jullie gebroken stro van waar jullie het vinden, want er is geen vermindering van jullie dienstbetoon."
12 En het volk verspreidt zich over heel het land van om stro bijeen te harken voor het gebroken stro.
13 En de afpersers haasten hen, zeggend: "Voltooit jullie taken, een dagtaak in een dag, zoals toen het gebroken stro er was!"
14 En de zonen van worden geslagen door de opzichters die de afpersers van over hen plaatsten, zeggend: "Waarom hebben jullie niet jullie verplichte aantal te maken stenen voltooid, zoals drie dagen voor gisteren, en ook gisteren en vandaag?"
15 En de opzichters van de zonen van gingen naar binnen en zij roepen tot , zeggend: "Waarom doet u dit uw dienaren aan?
16 Uw dienaren wordt geen gebroken stro gegeven. En over de stenen zegt men tot ons: 'Maakt ze!' En zie!, uw dienaren worden geslagen en uw volk zondigt!"
17 En hij zegt: "Jullie zijn traag! Traag zijn jullie! Daarom zeggen jullie: 'Wij zullen gaan, wij zullen aan Jahweh offeren!'
18 En nu, gaat! Dient! Aan jullie zal geen gebroken stro gegeven worden en jullie zullen het gebruikelijke aantal stenen maken."
19 En de opzichters van de zonen van zagen zichzelf in een kwade positie, zeggend: "Jullie zullen jullie stenen niet verminderen, een dagtaak in een dag."
20 En zij komen bij en , die geplaatst zijn om hen te ontmoeten bij hun terugkomst van .
21 En zij zeggen tot hen: "Jahweh zal naar jullie omzien en Hij zal oordelen wat veroorzaakte dat jullie onze geur doet stinken in de ogen van en in de ogen van zijn dienaren, een zwaard gevend in hun handen om ons te doden."
22 En keert terug tot Jahweh en hij zegt: "Mijn Heer, waarom deed u kwaad aan dit volk en waarom zendt U mij?
23 Want sinds ik binnen ging bij om te spreken in Uw Naam, deed hij kwaad aan dit volk en U heeft Uw volk in het geheel niet gered."
Terug naar de indexpagina
Naar Exodus 6
|
|