| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Bezalel en Aholiab en iedere man die wijs van hart was, aan wie Jahweh wijsheid en begrip in hen gaf om te weten hoe zij al het werk van de dienst van het heiligdom moeten doen, deden al wat Jahweh opdroeg. [Exo. 31:1-5]
2 En Mozes roept tot Bezalel en tot Aholiab en tot iedere man die wijs van hart was, aan wie Jahweh wijsheid in zijn hart gaf, van wie zijn hart hem aanzette om dichtbij te komen om het werk te doen.
3 En zij nemen van voor het aangezicht van Mozes het gehele hefoffer dat de zonen van Israel brachten voor het werk van de dienst van het heiligdom, om het te doen. En zij brachten naar hem nog een vrijwillig offer, morgen na morgen.
4 En alle wijze mannen die het werk van het heiligdom doen, komen, man na man, van hun werk dat zij doen,
5 en zij spreken tot Mozes, zeggend: "Het volk brengt veel meer dan voldoende is voor de dienst, voor het werk dat Jahweh het opdroeg te doen."
6 En Mozes geeft een opdracht en zij doen een stem door het kamp gaan, zeggend: "Man en vrouw moeten geen verder werk doen voor het hefoffer van het heiligdom." En het volk wordt verboden nog meer te brengen,
7 aangezien het werkmateriaal voor hen voldoende was om al het werk te doen en reserve te hebben.
8 En alle wijzen van hart die het werk doen, maken de tabernakel met de tien lappen van aaneen geregen batist en blauw en purper en dubbelgedoopt karmozijn, met cherubim, het handwerk van een ontwerper maakte hij hen.
9 De lengte van de ene lap was achtentwintig ellen en de breedte was vier ellen per lap. Er was één maat voor alle lappen.
10 En hij verbindt vijf van de lappen, de een aan de ander, en vijf lappen verbond hij, de een aan de ander.
11 En hij maakt lussen van blauw aan de ene zoom van de lap aan het eind van de verbinding en zo ook maakte hij die in de zoom van de uiterste lap bij de tweede verbinding.
12 Vijftig lussen maakte hij in de ene lap en vijftig lussen maakte hij in het eind van de lap bij de tweede verbinding, er voor zorgend dat de ene lus de andere ontvangt.
13 En hij maakt vijftig haken van goud en hij verbindt de lappen, de en met de ander, door de haken, en de tabernakel werd één geheel.
14 En hij maakt lappen van geitenhaar voor de tent over de tabernakel. Elf lappen maakte hij ze.
15 De lengte van een lap was dertig ellen, en de breedte van een lap was vier ellen, één maat voor de elf lappen.
16 En hij verbindt vijf van de lappen tot één, en zes van de lappen tot één.
17 En hij maakt vijftig lussen aan de zoom van de uiterste lap in de verbinding, en hij maakte vijftig lussen aan de zoom van de lap in de tweede verbinding.
18 En hij maakt vijftig haken van koper om de tent te verbinden, om één te worden.
19 En hij maakt een bedekking voor de tent van roodgeverfde ramsvellen en daarboven een bedekking van dassenvellen.
20 En hij maakt de holle steunen voor de tabernakel van staand acaciahout.
21 De lengte van de holle steun was tien ellen en de breedte van een holle steun was een halve el.
22 Een holle steun had twee zijden, de een gesteld tegenover de ander. Zo deed hij voor alle holle steunen van de tabernakel.
23 En hij maakt de holle steunen voor de tabernakel. Twintig holle steunen voor de zijde van de Negev, naar het zuiden.
24 En veertig voetstukken van zilver maakte hij onder de twintig holle steunen, twee voetsteunen onder de ene holle steun, voor twee van zijn zijden, en twee voetsteunen voor de andere holle steun, voor twee van zijn zijden.
25 En voor de tweede hoekmuur van de tabernakel, voor de noordzijde, maakte hij twintig holle steunen,
26 en veertig voetstukken van zilver, twee voetsteunen onder de ene holle steun en twee voetsteunen onder de andere holle steun.
27 En voor de zijden van de tabernakel naar de zee maakte hij zes holle steunen.
28 En twee holle steunen maakte hij voor de uitgesneden hoeken van de tabernakel, aan zijn zijden.
29 En de koppelingen kwam aan de onderkant, en zij worden samen gekoppeld aan hun top door de eerste ring. Zo deed hij voor die twee, voor de twee uitgesneden hoeken.
30 En er waren acht holle steunen en hun zilveren voetsteunen, zestien voetsteunen, twee voetsteunen per steun, twee voetsteunen onder één holle steun.
31 En hij maakt stokken van acaciahout, vijf voor de holle steunen voor de ene hoekmuur van de tabernakel,
32 en vijf stokken voor de holle steunen van de tweede hoek muur van de tabernakel en vijf stokken voor de holle steunen van de tabernakel, voor de zijden die naar de zee gericht zijn.
33 En hij maakt de middelste stok in het midden van de holle steunen om te reiken van het ene eind tot het andere.
34 En de holle steunen overtrok hij met goud en de ringen er van maakte hij van goud, als huisvestingen voor de stokken, en hij overtrekt de stokken met goud.
35 En hij maakt het gordijn van blauw en purper en dubbelgedoopt karmozijn en aaneen geregen batist; het handwerk van een ontwerper maakte hij haar cherubim.
36 En hij maakt er voor vier kolommen van acacias en hij overtrekt ze met goud, de haken zijn van goud, en hij giet voor hen vier voetsteunen van zilver.
37 En hij maakt een toegang voor de ingang van de tent van blauw, purper en van dubbelgedoopt karmozijn en aaneen geregen batist, het handwerk van een borduurder,
38 en zijn vijf kolommen en zijn haken. En hij overtrok hun koppen en hun verbindingen met goud, en hun vijf voetsteunen waren van koper.
Terug naar de indexpagina
Naar Exodus 37
|
|