| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En alle stammen van komen bij , in . En zij spreken, zeggend: "Zie!, wij zijn uw bot en uw vlees.
2 Ook gisteren en drie dagen*1), toen koning over ons was, was u degene die in bracht en uit bracht. En Jahweh zegt tot u: Jij zal Mijn volk hoeden en jij zal regeerder over worden."
3 En al de ouden van komen bij de koning, in , en de koning, , snijdt met hen een verbond, in , voor het aangezicht van Jahweh. En zij zalven tot koning over Israel.
4 is een zoon van dertig jaren als hij koning wordt. Hij regeerde veertig jaren.
5 In regeerde hij over zeven jaren en zes maanden, en in regeerde hij drieëndertig jaren over heel en . [1Kon. 2:11]
6 En de koning, met zijn stervelingen, gaat naar , naar de Jebusieten die verblijven in het land. En zij spreken tot , zeggend: "U zult niet hier, maar daar binnen gaan; de blinden en de lammen doen u weg gaan, zeggend: zal hier niet binnen komen." [Joz. 15:63]
7 En neemt het fort Zion in, dat is de stad van .
8 En zegt in die dag: "Een ieder die de Jebusiet slaat, hij zal de waterloop bereiken. Maar de lammen en de blinden - die worden door de ziel van gehaat. Daarom zegt men: de lamme en de blinde zal niet binnen gaan in het huis."
9 En verblijft in het fort en hij noemt het: stad van . En bouwt rondom, van en naar binnen.
10 En gaat, gaande en groot wordend, En Jahweh, Elohim van menigten, is met hem.
11 En , koning van , zendt boodschappers naar en cederhout en houtbewerkers en steenbewerkers voor zijmuren, en zij bouwen een huis voor .
12 En weet dat Jahweh hem aangesteld had als koning over en dat Hij zijn koninkrijk verheven had omwille van Zijn volk .
13 En neemt meer concubines en vrouwen uit , na zijn komst uit , en er worden aan meer zonen en dochters geboren.
14 En deze zijn de namen van die aan hem in werden geboren: en en en ,
15 en en en en ,
16 en en en .
17 En de Filistijnen horen dat zij tot koning over zalfden. En alle Filistijnen gaan op om te zoeken. En hoort het en hij gaat af naar het fort.
18 En de Filistijnen kwamen en zij ontplooien zich in de vallei van .
19 En vraag aan Jahweh, zeggend: "Zal ik opgaan naar de Filistijnen? Zal U hen in mijn hand geven?" En Jahweh zegt tot : "Ga op, want Ik zal zeker de Filistijnen in jouw hand geven."
20 En gaat binnen en slaat hen daar, en hij zegt: "Jahweh verbrak mijn vijanden voor mijn aangezicht, als een waterbreuk." Daarom noemde hij de naam van die plaats . [Jes. 28:21]
21 En zij verlaten daar hun afgoden. En en zijn stervelingen dragen ze weg.
22 En de Filistijnen gaan verder door met opkomen en zij ontplooien zich in de vallei van .
23 En vraagt aan Jahweh, en Hij zegt: "Jij zal niet opgaan; ga rond hen, naar hun achterzijde en kom tegen hen van voor de espebomen.
24 En het gebeurt als jij het geluid van marcheren hoort in de toppen van de espebomen, dan zal jij beslissend zijn, want dan gaat Jahweh voort voor jouw aangezicht, om te slaan in het kamp van de Filistijnen."
25 En doet zoals Jahweh hem opdroeg. En hij slaat de Filistijnen van tot zo ver als je komt bij .
*1) - "ook gisteren en drie dagen" = een uitdrukking voor "al lang geleden" of "al heel lang".
Terug naar de indexpagina
Naar 2Samuël 6
|
|