| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En ging een beetje van de top af en zie!, , een jongeman van , om hem te ontmoeten, en een koppel gezadelde ezels en op hen tweehonderd broden en honderd brokken rozijnen en honderd zomervruchten en een zak wijn. [2Sam. 9:9,10]
2 En de koning zegt tot : "Wat moet jij met deze?" En zegt: "De ezels zijn voor de huishouding van de koning, om op te rijden, en het brood en de zomervrucht zijn voor de jongemannen, om te eten, en de wijn is voor de zwakken, om te drinken in de wildernis."
3 En de koning zegt: "En waar is de zoon van jouw heer?" En zegt tot de koning: "Zie!, hij zit in , want hij zegt: Vandaag zal het huis van Israel aan mij het koninkrijk van mijn vader terug geven." [2Sam. 19:24]
4 En de koning zegt tot : "Zie!, jullie zijn alles wat heeft." En zegt: "Ik buig mezelf neer, ik vind gunst in uw ogen, mijn heer, de koning."
5 En koning kwam bij , en zie!, van daar kwam een man uit van de familie van het huis van , en zijn naam is , zoon van , uit gaande en vloekend terwijl hij ging.
6 En hij bekogelt met stenen, en alle dienaren van koning en al het volk en alle dapperen aan zijn rechterzijde en aan zijn linkerzijde.
7 En zo zei tijdens zijn vloeken: "Ga weg, ga weg, man van het bloed en man van de waardeloosheid!
8 Jahweh heeft tegen jou al het bloed van het huis van gekeerd, over wie jij heerste in zijn plaats. En Jahweh geeft het koninkrijk in de hand van Absalom, jouw zoon. En zie!, jij bent in jouw kwaad, want jij bent een man van bloed."
9 En , zoon van , zegt tot de koning: "Waarom zal deze stervende hond mijn heer, de koning, vloeken? Alstublieft, ik zal voortgaan en ik zal zijn hoofd van hem wegnemen."
10 En de koning zegt: "Wat is er tussen mij en jullie, zonen van ? Want zo vloekt hij, want Jahweh zei tot hem: Vervloek . En wie zal zeggen: Waarom doet U zo?"
11 En zegt tot en tot al zijn dienaren: "Zie!, mijn zoon, die voortkwam uit mijn lendenen zoekt mijn ziel en zeker nu de zoon van de . Laat hem! En hij zal vloeken, want Jahweh zei het tot hem.
12 Misschien zal Jahweh zien naar mijn verdorvenheid en herstelt Jahweh voor mij goedheid, in plaats van zijn vloeken, vandaag."
13 En gaat met zijn stervelingen op de weg en gaat naar de hoekige zijde van de berg tegenover hem. En voortgaande vloekt hij en hij kogelt met stenen die tegenover hem zijn en hij werpt grond naar de grond. [1Kon. 2:8,9]
14 En de koning komt, en al het volk dat bij hem is zijn zwakken. En zij worden daar verfrist.
15 En en al het volk, mannen van Israel, gingen binnen. En is bij hem.
16 En het gebeurt als , de Archiet, naaste van , bij kwam, dat tot zegt: "De koning zal leven! De koning zal leven!"
17 En zegt tot : "Is dit de vriendelijkheid van jou met jouw naaste? Waarom ging jij niet met jouw naaste?"
18 En zegt tot : "Nee, want wie Jahweh koos en dit volk en alle mannen van , bij hem zal ik zijn en met hem zal ik zitten.
19 En ten tweede: voor wie zal ik dienen? Is het niet voor het aangezicht van zijn zoon? Zoals ik diende voor het aangezicht van uw vader, zo zal ik voor uw aangezicht zijn."
20 En zegt tot : "Geeft onder jullie raad. Wat zullen wij doen?"
21 En zegt tot : "Kom tot de concubines van uw vader, die hij achterliet om het huis te bewaren. En heel hoorde dat u een slechte geur heeft bij uw vader, en alle handen die bij u zijn worden standvastig gemaakt."
22 En zij zetten voor de tent op op het dak van het huis en komt voor de ogen van heel tot de concubines van zijn vader. [2Sam. 12:11,12]
23 En de raad van die hij gaf in deze dagen was als een man die naar een woord van de Elohim vraagt. Zo is alle raad van zowel voor als voor .
Terug naar de indexpagina
Naar 2Samuël 17
|
|