| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh zendt naar . En hij komt bij hem en hij zegt tot hem: "Twee stervelingen waren in een stad. De een was rijk, de andere behoeftig. [Psalm 51:1,2]
2 De rijke had een schaapskudde en grootvee, zeer veel.
3 En de behoeftige heeft niets, behalve een klein ooilam, dat hij kocht. En hij houdt het in leven en groeit bij hem op en bij zijn zonen. Het eet samen van zijn brok brood en het drinkt uit zijn beker en het ligt neer in zijn schoot en het was voor hem als een dochter.
4 En er komt een reiziger bij de rijke man. En hij ziet er van af om van zijn schaapskudden en van zijn grootvee te nemen om iets klaar te maken voor de handelsman die bij hem kwam. En hij neemt het ooilam van de behoeftige man en hij bereidt het voor de man die bij hem kwam."
5 En de boosheid van tegen de man wordt zeer heet en hij zegt tot : "Bij het leven van Jahweh! Die man die dit doet is een zoon van de dood!
6 En het ooilam zal hij viervoudig terugbetalen, aangezien hij dit ding heeft gedaan en omdat hij het niet spaarde."
7 En zegt tot : "U bent die man! Zo zegt Jahweh, Elohim van , Ik, Ik zalfde jou tot koning over en Ik, Ik redde jou uit de hand van .
8 En Ik geef aan jou het huis van jouw heer en de vrouwen van jouw heer, in jouw schoot. En Ik geef aan jou het huis van en van Juda. En indien dat te weinig is, voeg Ik voor jou dit en dat toe.
9 Wat is de reden dat jij het woord van Jahweh minachtte, het kwade doende in Mijn ogen? Jij sloeg , de Hittiet, met het zwaard en jij nam zijn vrouw voor jou tot vrouw en jij doodde hem door het zwaard van de zonen van .
10 En nu, het zwaard zal van jouw huis niet wegtrekken, tot de aion, aangezien jij mij minachtte. En jij neemt de vrouw van , de Hittiet, om voor jou tot vrouw te worden.
11 Zo zegt Jahweh! Zie!, Ik doe over jouw huis kwaad komen, uit jouw huis, en Ik neem jouw vrouwen van voor jouw ogen en Ik geef aan jouw naaste en hij ligt neer met jouw vrouwen, voor de ogen van deze zon.
12 Want jij deed het in het geheim en Ik zal dit ding voor heel doen en voor de zon." [2Sam. 16:22]
13 En zegt tot : "Ik zondigde tegen Jahweh." En zegt tot : "Ook deed Jahweh jouw zonde voorbij gaan. Jij zal niet sterven. [Psalm 32:5]
14 Alleen, omdat jij de vijanden van Jahweh zeker deed smaden door dit ding, zal ook de zoon die jouw geboren is zeker sterven."
15 En gaat naar zijn huis en Jahweh slaat de jongen die de vrouw van voor baarde, en hij wordt ongeneeslijk ziek.
16 En zoekt de Elohim over de jongen. En vast een vasten. En hij kwam en hij overnachtte en hij lag neer op het land.
17 En de ouden van zijn huishouding staan op tegen hem, om hem te doen opstaan van het land, maar hij wilde niet en hij had geen broodmaaltijd met hen.
18 En het gebeurt in de zevende dag dat de jongen sterft. En de dienaren van zijn bang om hem te vertellen dat de jongen dood was, want zij zeiden: "Zie!, toen de jongen nog leefde spraken wij met hem en hij luisterde niet naar onze stem. En hoe zullen wij tot hem zeggen: De jongen is dood! Dan doet hij kwaad!"
19 En ziet dat zijn dienaren aan het fluisteren zijn en begrijpt dat de jongen dood is. En zegt tot zijn dienaren: "Is de jongen dood?" En zij zeggen: "Hij is dood."
20 En staat op van het land en hij wast zich en hij wrijft zich in met olie en hij verandert zijn kleding. En hij gaat het huis van Jahweh binnen en hij werpt zich op de grond. En hij komt in zijn huis en hij vraagt en zij plaatsen brood voor hem, en hij eet.
21 En zijn dienaren zeggen tot hem: "Wat is dit ding dat u deed? Toen de jongen leefde vastte u en weeklaagde u, en nu de jongen dood is staat u op en eet u brood."
22 En hij zegt: "Toen de jongen in leven was vastte ik en weeklaagde ik, want ik zei: Wie weet zal Jahweh medelijden met mij hebben en zal de jongen leven.
23 Maar nu hij dood is, waarom zal ik vasten? Ben ik in staat hem weer terug te brengen? Ik ga naar hem toe, maar hij zal niet tot mij terugkeren."
24 En troost , zijn vrouw. En hij komt tot haar en hij ligt met haar neer. En zij baart hem een zoon en zij noemt zijn naam . En Jahweh had hem lief. [Matt. 1:6] [Neh. 13:26]
25 En Hij zendt door de hand van , de profeet, en hij noemt zijn naam , omwille van Jahweh.
26 En vecht tegen , de zonen van , en hij neemt de koninklijke stad in bezit. [2Sam. 11:1]
27 En zendt boodschappers naar en hij zegt: "Ik vocht tegen . Ook nam ik de stad van het water in bezit.
28 En nu, breng de rest van het volk bijeen en sla het kamp op tegen de stad en neem haar in bezit, anders zal ik de stad in bezit nemen en wordt mijn naam over haar genoemd."
29 En brengt heel het volk bijeen en hij gaat naar . En hij vecht tegen haar en hij neemt haar in bezit.
30 En hij neemt de kroon van hun koning van zijn hoofd en het gewicht er van is een goud en kostbare stenen, en hij was op het hoofd van . En de buit die hij uit de stad bracht was zeer groot.
31 En het volk dat in haar was bracht hij naar buiten. En hij zet ze aan de zaag en aan de ijzeren dorsslee en aan de ijzerknipper, en hij doet ze in het stenen huis gaan. En zo doet hij met alle steden van . En , en heel het volk, keert terug naar .
Terug naar de indexpagina
Naar 2Samuël 13
|
|