| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt als klaar is met het bouwen van het huis van Jahweh en het huis van de koning en al het genoegen van dat hij verlangde om te maken,
2 dat Jahweh een tweede maal verschijnt aan , zoals Hij aan hem verscheen in . [1Kon. 3:5]
3 En Jahweh zegt tot hem: "Ik hoorde jouw gebed en jouw smeking die jij smeekte voor Mijn aangezicht. Ik heiligde dit huis dat jij bouwde om Mijn heilige Naam daar te plaatsen tot de aion. En Mijn ogen en Mijn hart komen daar alle dagen.
4 En jij, indien jij gaat voor Mijn aangezicht, zoals , jouw vader, ging, in oprechtheid van hart en in rechtschapenheid doende al wat Ik jou opdroeg, hou dan Mijn inzettingen en Mijn oordelen.
5 Dan bevestig Ik de troon van jouw koninkrijk over voor de aion, zoals Ik sprak tot , jouw vader, zeggend: Er zal van jou geen man afgesneden worden van de troon van . [1Kon. 2:4]
6 Indien jullie zeker afkeren, jullie en jullie zonen, van achter Mij, en jullie niet Mijn opdrachten en Mijn inzettingen houden, die Ik gaf voor jullie aangezicht, en jullie gaan en jullie dienen andere elohims en jullie buigen voor hen,
7 dan snij Ik af van het oppervlak van de grond die Ik aan hen gaf, en het huis dat Ik heiligde voor Mijn Naam zal Ik laten gaan van voor Mijn aangezicht; dan wordt tot een spreekwoord en een spotwoord onder alle volkeren.
8 En dit huis (het zal allerhoogst worden), een ieder die er aan voorbij gaat zal verbaasd staan en fluiten. En zij zeggen: Waarom deed Jahweh zoals dit met dit land en met dit huis? [2Kon. 25:9]
9 En zij zeggen: Omdat zij Jahweh, hun Elohim, verlieten, Die hun vaders uit het land van bracht. Want zij houden vast aan andere elohims en zij bidden tot hen en zij dienen hen. Daarom bracht Jahweh al dit kwaad over hen."
10 En het gebeurt aan het eind van twintig jaren, dat de twee huizen bouwde, het huis van Jahweh en het huis van de koning.
11 , koning van , assisteerde met het hout van de ceders en met het dennenhout en met het goud, naar al zijn verlangen. Dan geeft aan twintig steden in het land van Galilea.
12 En trekt uit van om de steden te zien die aan hem gaf, maar zij waren niet rechtschapen in zijn ogen.
13 En hij zegt: "Wat zijn deze steden die jij aan mij gaf, mijn broeder?" En men noemt ze land van tot aan deze dag.
14 En zendt tot de koning honderd en twintig goud.
15 En dit is de telling van de dienstplicht die koning instelde om het huis van Jahweh en zijn huis te bouwen, en en de muur van en en en .
16 (Farao, koning van , ging op en hij neemt in en hij verbrandt het met vuur. En de Kanaäniet die verblijft in de stad doodde hij. En hij geeft het als afscheidsgeschenk aan zijn dochter, vrouw van ). [1Kon. 3:1]
17 En bouwt en , het lage,
18 en en in de wildernis, in het land,
19 en alle steden van de voorraden die van werden, en de steden van de strijdwagens en de steden van de ruiters, en het verlangen van dat hij verlangde om in te bouwen en in en in heel land van zijn heerschappij.
20 Al het volk dat over bleef van de Amoriet, de Hittiet, de Perizziet, de Hiviet en de Jebusiet, die niet van de zonen van waren,
21 hun zonen die over bleven na hen in het land, die de zonen van niet in staat waren om te verdoemen, en brengt hen op om bij te dragen aan het dienaar zijn, tot op deze dag.
22 En uit de zonen van gaf geen dienaar, want zij zijn stervelingen van de oorlog, en zijn dienaren, en zijn leiders, en zijn adjudanten, en zijn leiders van zijn strijdwagens en zijn ruiters.
23 Dezen zijn de leiders over de aangestelden die over het werk van zijn: vijf en vijftig honderd, die heersen over het volk dat het werk doet.
24 Alleen, de dochter van Farao ging op van de stad van , naar haar huis dat hij voor haar bouwde. Dan bouwt hij .
25 En offerde drie maal per jaar opstijgoffers en vrede-aanbiedingen op het altaar dat hij bouwt voor Jahweh. En hij doet er wierook bij roken, dat is voor het aangezicht van Jahweh. En hij voltooide het huis. [Exo. 23:14-17]
26 En koning maakte een schip in , aan de kust van de Zee van het zeegras, in het land van .
27 En zendt zijn dienaren in een schip, stervelingen van schepen, die de zee kennen, met dienaren van .
28 En zij komen in de buurt van en zij nemen van daar goud, vier honderd en twintig , en zij komen bij koning .
Terug naar de indexpagina
Naar 1 Koningen 10
|
|