| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En ik nam* waar toen het Lammetje een van de zeven zegels opende*, en ik hoor* een van de vier levende wezens zeggen als met een stem van de donder: "Kom!"
2 En ik nam* waar en zie, een wit paard en die op het paard zit heeft een boog en aan hem werd een krans gegeven* en hij ging uit, overwinnend en opdat hij zou overwinnen*.
[Zach. 1:8]
3 En toen het het tweede °zegel opende*, hoorde* ik het tweede dier, zeggend: "Kom!"
4 En een ander paard kwam* naar voren, vurig rood, en die op het paard zit, aan hem werd gegeven* de vrede van de Aarde te nemen en dat zij elkaar zullen doden, en aan hem werd een groot zwaard gegeven*.
[Zach. 6:2,6]
5 En toen het het derde zegel opende*, hoorde ik het derde dier zeggen: "Kom!" en ik nam* waar en zie*, een zwart paard en die op het paard zit had een weegschaal in zijn °hand.
6 En ik hoor* iets als een stem in het midden van de vier levende wezens, zeggend: "Een maat graan voor een denarius en drie maten gerst voor een denarius en de olijfolie en de wijn zul jij niet beschadigen*".
7 En toen het het vierde zegel opende*, hoorde* ik de stem van het vierde dier, zeggend: "Kom!"
8 En ik nam* waar en zie*, een groen paard en die op het paard zit, zijn °naam is de dood en het Dodenrijk volgende hem, en aan hem werd het gezag gegeven* over het vierde van de Aarde om te doden* met het zwaard en met hongersnood en met de dood en door de wilde beesten van de Aarde.
[Jer. 14:12]
9 En toen het het vijfde zegel opende*, nam* ik onder het altaar de zielen waar de gedoden vanwege het woord van °God en vanwege het getuigenis dat zij hadden.
[Openb. 20:4]
10 En zij schreeuwen* met luide stem, zeggend: "Tot wanneer, de heilige en ware Eigenaar, oordeelt U niet en wreekt U ons bloed niet op hen die wonen op de Aarde?"
[Deut. 32:43]
11 En ieder van hen werd een wit kleed gegeven* en het werd aan hen medegedeeld* dat zij nog een kleine tijd zouden rusten, totdat ook hun medeslaven en hun broeders, die op het punt staan net als zij gedood te worden, gecompleteerd* zouden worden.
[Openb. 3:5]
12 En ik nam* waar toen het het zesde zegel opende* en er gebeurde* een grote aardbeving en de zon werd* zwart als een harige zak en de hele maan werd* als bloed,
[Joel 2:31]
13 en de sterren vallen* van de hemel op de Aarde, zoals de vijgenboom haar °verschrompelde vijgen afwerpt als zij door een sterke wind wordt geschud.
[Eze. 32:7,8]
14 En de hemel deinst* terug als een rol die wordt opgerold en iedere berg en eiland werd van hun plaats bewogen*.
[Jes. 34:4]
15 En de koningen van de Aarde en de magnaten en de oversten en de rijken en de sterken en iedere slaaf en vrije verbergen* zich in de grotten en in de rotsen van de bergen.
16 En zij zeggen tegen de bergen en tegen de rotsen: "Valt* op ons en verberg ons voor het aangezicht van Die zit op de troon en voor de verontwaardiging van het Lammetje,
[Hos. 10:8] -
[Openb. 4:2]
17 want de grote °dag van Zijn verontwaardiging kwam* en wie is in staat te staan*?"
[Nahum 4:6]
Terug naar de index.
Naar Openbaring 7
|
|