| |
( Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Omdat dan °Jezus wist* dat de Farizeeën horen* dat Jezus meer discipelen maakt en doopt dan Johannes,
[Joh. 3:22-26]
2 (hoewel Jezus zeker zelf niet doopt, maar Zijn °discipelen)
3 verlaat* Hij °Judea en vertrekt* weer naar °Galilea.
4 Hij nu moest door °Samaria gaan.
[Matt. 10:5]
5 Hij komt dan in een stad van Samaria, genaamd Sychar, dichtbij het vrije eigendom dat Jacob geeft* aan Jozef, zijn °zoon.
[Gen. 33:19]
6 Daar nu was de bron van Jacob. °Jezus dan, vermoeid zijnde door de reis, was zo gezeten aan de bron. Het was rond het zesde uur.
7 Een vrouw uit Samaria komt om water te scheppen*. °Jezus zegt tot haar: "Geef* Mij te drinken*,"
8 want Zijn °discipelen waren weggegaan in de stad, opdat zij voedsel zouden kopen*.
9 De samaritaanse °vrouw dan zegt tot Hem: "Hoe vraagt u, Jood zijnde, van mij u te drinken* te geven, een samaritaanse vrouw zijnde?" (want Joden kijken Samaritanen niet aan).
[Luc. 9:52,53]
10 Jezus antwoordde* en zei* tot haar: "Indien jij de gift van °God had waargenomen, en Wie het is Die tot jou zegt: 'Geef* Mij te drinken*,' zou jij Hem vragen* en Hij geeft* jou levend water!"
[Openb. 21:6]
11 De vrouw zegt tot Hem: "Heer, u heeft zelfs geen emmer en de put is diep. Waar dan heeft u het levende °water?
12 U bent niet groter dan onze °vader Jacob, die ons de put geeft*. En hij dronk* er van en zijn °zonen en al wat door hem gevoed werd."
[Joh. 8:53]
13 Jezus antwoordt* en zei* tot haar: "Iedereen die drinkt van dit water, zal opnieuw dorst krijgen,
14 doch wie ook zal drinken* van het water dat Ik hem zal geven, zal zeker geen dorst krijgen in de aion. Maar het water dat Ik aan hem zal geven, zal in hem een bron van water worden, opwellend tot aionisch leven."
[Joh. 6:35]
15 De vrouw zegt tot Hem: "Heer, geef* mij dit °water, opdat ik niet dorst zal hebben, noch naar deze plaats komen om te scheppen."
16 Hij zegt tot haar: "Ga heen, roep* jouw man en kom* naar deze plaats."
17 De vrouw antwoordde* en zei* tot Hem: "Ik heb geen man." °Jezus zegt tot haar: "Jij zei* correct; 'Ik heb geen man.'
18 Want jij hebt vijf mannen gehad* en die je nu hebt, is jouw man niet. Dit heb jij naar waarheid verklaard."
19 De vrouw zegt tot Hem: "Heer, ik zie dat u een profeet bent!
[Matt. 21:46]
20 Onze °vaders aanbidden* op deze °berg en jullie zeggen dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden."
[Deut. 11:29] -
[Psalm 122:1-5]
21 °Jezus zegt tot haar: "Geloof Mij, vrouw, dat het uur komt wanneer noch op deze °berg, noch in Jeruzalem, jullie de Vader zullen aanbidden.
22 Jullie aanbidden wat jullie niet waargenomen hebben. Wij aanbidden wat wij waargenomen hebben, dat de redding uit de Joden is.
[Rom. 1:3]
23 Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want ook de Vader zoekt die Hem zo aanbidden.
24 °God is geest en die Hem aanbidden moeten aanbidden in geest en waarheid."
[2Kor. 3:17] -
[Filip. 3:3]
25 De vrouw zegt tot Hem: "Ik heb waargenomen dat de Messias komt, Die Christus genoemd wordt. Wanneer Die zal komen* zal Hij ons over alles informeren."
[Joh. 1:42] -
[Joh, 14:26]
26 °Jezus zegt tot haar: "Ik ben het, Die tot jou spreekt."
[Marc. 14:61,62]
27 En op dit moment komen* Zijn °discipelen en zij verwonderden zich dat Hij met de vrouw sprak. Niettemin zei* niemand: "Wat zoekt U?" of "Waarom spreekt U met haar?"
28 De vrouw dan verlaat* haar °waterpot en vertrok* naar de stad en zegt tot de mensen:
29 "Komt hier! Ziet* een Man Die mij alles vertelde* wat ik allemaal doe*. Is deze niet de Christus?"
[Matt. 12:23]
30 Zij gingen* de stad uit en zij kwamen tot Hem.
31 In de tussentijd vroegen de discipelen Hem, zeggend: "Rabbi, eet*!"
32 Doch Hij zei* tot hen: "Ik heb voedsel te eten* dat jullie niet waargenomen hebben."
33 De discipelen dan zeiden tot elkaar: "Niemand brengt* Hem iets te eten*!"
34 °Jezus zegt tot hen: "Mijn voedsel is dat Ik de wil zou doen* van Die Mij zendt* en Ik Zijn °werk zou perfectioneren*.
[Psalm 40:8] -
[Joh. 5:36]
35 Zeggen jullie niet: 'Het is nog vier maanden en dan komt de oogst?' Zie*, Ik zeg tot jullie, slaat* jullie ogen op en staart* naar de velden, want zij zijn al wit voor de oogst.
[Matt. 9:37]
36 Wie oogst krijgt loon en brengt vrucht bijeen voor aionisch leven, want de zaaier zal zich op gelijke wijze verheugen als de oogstende.
37 Want hierin is het woord waar: 'Een is de zaaier, de ander de oogstende.'
[Micha 6:15]
38 Ik zend* jullie om te oogsten waarvoor jullie niet hard gewerkt hebben. Anderen hebben hard gewerkt en jullie zijn binnen gegaan in hun arbeid."
39 En uit die stad van de Samaritanen geloven* velen in Hem, vanwege het woord van de vrouw, getuigend: "Hij vertelde* mij alles wat ik doe*."
40 Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen*, vroegen zij Hem bij hen te blijven*. En Hij verbleef* daar twee dagen.
41 En veel meer geloven* vanwege Zijn °woord.
42 En tot de vrouw zeiden zij: "Wij geloven niet langer vanwege jouw spreken, want wij hebben zelf gehoord en wij hebben waargenomen dat deze echt de Redder van de wereld is."
[1Joh. 4:14]
43 En na de twee dagen vertrok* Hij van daar naar °Galilea,
44 want Jezus Zelf getuigt* dat een profeet in de eigen vaderstad geen eer heeft.
[Matt. 13:57]
45 Toen Hij dan in °Galilea kwam*, ontvangen* de Galileeërs Hem, alles gezien hebbend wat Hij in Jeruzalem doet* tijdens het feest, want ook zij kwamen* naar het feest.
[Joh. 2:23]
46 Hij kwam* dan opnieuw in °Kana, in °Galilea, waar Hij van het water wijn maakte*. En daar was een zekere hofdienaar, van wie de zoon ziek was, in Kapernaüm.
[Matt. 8:5]
47 Deze, horend* dat Jezus aankwam, uit °Judea, in Galilea, vertrok* naar Hem en vroeg dat Hij af zou dalen* en zijn °zoon zou genezen*, want hij stond op het punt te sterven.
48 °Jezus dan zei* tot hem: "Indien jullie geen tekenen en wonderen zouden waarnemen*, zouden jullie in geen geval geloven*."
[Dan. 4:2]
49 De hofdienaar zegt tot Hem: "Heer! Daal* af voordat mijn kleine °jongen zal sterven*!"
50 °Jezus zegt tot hem: "Ga, jouw °zoon leeft." De man gelooft* het woord dat °Jezus tot hem sprak*, en hij ging.
51 En reeds bij zijn afdalen ontmoeten* zijn °slaven hem, zeggend dat zijn °jongen leeft.
[Matt. 8:13]
52 Hij dan stelde* bij hen het uur vast waarin hij beterschap had gekregen*. Zij dan zeggen* tot hem: "Gisteren, rond het zevende uur, verliet* de koorts hem."
53 Toen wist* de vader dat het in dat uur was, waarin °Jezus tot hem zei*: "Jouw °zoon leeft." En hij gelooft*, hij en heel zijn °huis.
[Hand. 11:14]
54 Dit nu, nogmaals, is het tweede teken dat °Jezus doet*, komend* uit °Judea in °Galilea.
[Joh. 2:11]
Terug naar de index.
Naar Johannes 5
|
|