| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Trouw is het woord: Indien iemand zin heeft in het opzienersambt, dan verlangt hij naar een goed werk.
[Tit. 1:6-9]
2 Een opziener dan moet onbesproken zijn, de man van één vrouw, nuchter, verstandig, fatsoenlijk, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen,
3 geen zuiplap, geen ruziezoeker, maar mild, vredelievend, niet zot op geld,
4 het eigen huis goed besturend, zijn kinderen in onderschikking hebbend, met alle ernst.
5 Maar indien iemand niet weet hoe hij zijn eigen huis moet besturen, hoe zal hij zorgdragen voor de ecclesia van God?
6 Geen nieuweling, opdat niet, verwaand* zijnde, hij in het oordeel zal vallen* van de Lasteraar.
7 Het is nodig ook een goed getuigenis te hebben van de buitenstaanders, opdat hij niet in opspraak zou komen* en in de valstrik van de Lasteraar.
[2Kor. 8:21]
8 Dienaren moeten net zo ernstig zijn, niet met twee tongen sprekend, niet verslaafd zijn aan veel wijn, niet hebzuchtig,
9 het geheim van het geloof hebben in een zuiver geweten.
10 Maar laat ook dezen eerst getest worden; laat hen daarna, onberispelijk zijnd, dienst doen.
11 Hun vrouwen moeten op gelijke wijze ernstig zijn, geen lasteraars, nuchter, trouw in alles.
[Tit. 2:3]
12 Dienaren, laten zij mannen zijn van één vrouw, hun kinderen goed besturend en het eigen huis,
13 want degenen die goed dienen*, bezorgen zichzelf een goede rang en veel vrijmoedigheid in het geloof dat is in Christus Jezus.
14 Dit schrijf ik jou, verwachtend snel naar jou te komen*,
15 maar indien ik traag mocht zijn, dat jij moge waarnemen hoe het hoort zich in het huis van God te gedragen, dat is de ecclesia van de levende God, de pijler en het fundament van de waarheid.
[Efe. 2:19-22]
16 En uitgesproken groot is het geheim van de godsvrucht, die werd geopenbaard* in vlees, werd gerechtvaardigd* in geest, werd gezien* door boodschappers1), werd verkondigd* onder de natiën, werd geloofd* in de wereld, werd opgenomen* in heerlijkheid.
[Joh. 1:14] -
[Mar. 16:19]
1) Boodschappers: Grieks: aggelos - engelen
Terug naar de index.
Naar 1 Timotheüs 4
|
|