| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Nu, wat betreft de geestelijke dingen, broeders, ik wil niet dat jullie onwetend zijn.
[Hebr. 12:5,6]
2 Jullie hebben waargenomen, dat toen jullie nog de natiën waren, jullie naar de stomme °afgoden werden geleid, als altijd blinden.
[1Kor. 14:1]
3 Daarom maak ik jullie bekend dat niemand in geest van God sprekende zegt: vervloekt is Jezus, en niemand in staat is te zeggen: Heer is Jezus, niet dan in heilige geest.
[Marc. 9:39]
4 Er zijn verscheidenheden in genadegaven, maar het is dezelfde geest,
[Rom. 12:6] -
[Efe. 4:4]
5 en er zijn verscheidenheden van bedieningen, maar het is dezelfde Heer,
[Efe. 4:11]
6 en er zijn verscheidenheden van werkingen, maar het is dezelfde God Die werkt.
7 Maar aan een ieder wordt de manifestatie van de geest gegeven, tot het gepaste.
[Efe. 4:12]
8 Want de een wordt inderdaad een woord van wijsheid gegeven, en aan de ander een woord van kennis, naar de zelfde geest,
9 aan een ander geloof, door dezelfde geest, en aan een ander genadegaven van genezing door de ene geest.
10 En aan de een werkingen van krachten en aan de ander profetie, en aan de een het onderscheiden van geesten. Aan de een soorten talen en aan de ander de vertaling van talen.
[Hand. 2:4]
11 Maar dit alles bewerkt de ene en dezelfde geest, die een ieder het eigene toedeelt naar Zijn wil.
[Rom. 12:3]
12 Want zoals het lichaam één is en vele leden heeft, maar al de leden van het lichaam, velen zijnde, zijn één lichaam, zo ook de Christus.
[Rom. 12:4,5]
13 Want ook in één geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt*, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn begoten* met één geest.
[Gal. 3:28]
14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele.
15 Indien de voet zou zeggen*: omdat ik niet de hand ben, ben ik niet uit het lichaam, is deze dan niet uit het lichaam?
16 En indien het oor zou zeggen*: omdat ik niet het oog ben, ben ik niet uit het lichaam; is deze dan niet uit het lichaam?
17 Indien het hele lichaam oog zou zijn, waar het gehoor? Indien het geheel gehoor zou zijn, waar de reuk?
18 Maar nu plaatste* °God de leden, een ieder van hen in het lichaam, zoals Hij wil*.
19 Maar indien allen één lid waren, waar bleef het lichaam?
20 Maar nu zijn er inderdaad vele leden, doch één lichaam.
21 En het oog is niet in staat te zeggen tegen de hand: ik heb jou niet nodig, of ook het hoofd tegen de voeten: ik heb jullie niet nodig.
22 Maar veeleer de zwakker schijnende leden van het lichaam zijn noodzakelijk,
23 en die welke wij voor meer oneerbaar deel van het lichaam houden, deze bekleden wij met overvloedige eer en onze °onfatsoenlijke delen hebben grotere achting.
24 Maar onze °respectabele leden hebben dat niet nodig, maar °God stelt* het lichaam zo samen: aan het misdeelde meer eer gevende*,
25 opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar dat de leden op gelijke wijze voor elkaar zouden zorgen.
26 En als één lid lijdt, lijden alle °leden mee. Als één lid verheerlijkt wordt, dan verheugen alle °leden mee.
27 Jullie nu zijn het lichaam van Christus, en de leden zijn daarvan deel.
[Efe. 5:30]
28 En wie °God inderdaad plaatste* in de ecclesia: eerst apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraren, daarna krachten, daarna genadegaven van genezing, helpers, bestuurders, soorten talen.
[Efe. 4:11,12]
29 Niet allen zijn apostelen, niet allen zijn profeten, niet allen zijn leraren, niet allen hebben krachten,
30 niet allen hebben gaven van genezing, niet allen spreken in tongen, niet allen vertalen.
[1Kor. 14:5]
31 Weest dan vurig naar de genadegaven, de hoogste. En ik toon jullie nog een weg, passend bij overstijging.
[1Kor. 14:1]
Terug naar de index.
Naar 1 Korinthe 13
|
|