Op een dag in het eerste jaar van hun redelijk gelukkige leven samen, kuierden Mack en Julia door een park naar een ander deel van hun buurt. Dit was in Mei. Daar waren ze dan, lekker kuierend, toen ze met hun ronddwalende ogen een huis zagen, bijna afgebouwd, maar nog niet bewoond. De deuren waren open en Julia zei: "We gaan naar binnen!"
Tegen de tijd dat Julia weer uit het nieuwe huis naar buiten kwam, was ze vol van stralende bijvoeglijke naamwoorden: "mooi," "schitterend," "prachtig," "ruim," "nieuw!" Geen van deze bijvoeglijke naamwoorden zou ooit op haar huis toegepast kunnen worden. Nee, haar huis zou alleen beschreven kunnen worden met het meest verachtelijke bijvoeglijk naamwoord dat aan door de mens gemaakte woningen gegeven kan worden: een boerderijtje met één woonlaag.
Mack en Julia woonden in een buurt met schitterende mensen, die alles voor hen wilden doen, en dat was wederzijds. Betere buren waren er niet te vinden. Het slechte nieuws was dat alle huizen in hun buurt boerderij-achtige bouwsels waren met één woonlaag. Jozef en Maria kregen een boerderijtje met één woonlaag aangeboden in Bethlehem, maar Maria zei: "Je neemt me zeker in de maling?" Jozef trok zijn schouders op en volgde zijn zwangere vrouw naar de stal. Wat kon hij anders doen? Zijn vrouw was zo veel geestelijker dan hij.
Al was het niet klaar, Julia vond het nieuwe huis spannend. Maar Mack was niet voorbereid op de straling die het gezicht van zijn vrouw verlichtte toen het koppel weer terug was op straat.
Mack had nooit de straling van een profetes gezien, maar dit moest het wel zijn. Hij had heel wat Bijbelse verslagen over heilige zieners gelezen, en zijn vrouw - op dit meest heilige moment - paste precies bij alle beschrijvingen en tekeningen. Deze grote mannen en vrouwen van God profeteerden over koningen en koninkrijken, en straalden dan met een goddelijk licht. De straling zou de wangen van een ieder die God's perfecte wil uitspreekt rood doen kleuren.
De ondergaande zon deed Julia geestelijke energie uitstralen. Ze keek opzij naar Mack en sprak naar de ondergaande zon. Ze zei: "Mack, op een dag gaan jij en ik in een schitterend huis wonen, net als dit!"
Mack probeerde de stemmen van engelen te horen, maar al wat hij hoorde was het blaffen van een hond.
"Hoe weet jij dat?" vroeg hij.
Julia bleef kijken naar de ondergaande zon. "Dat weet ik gewoon," zei ze. "Ons huis is erg oud."
"Nee, schat," zei Mack, "de Inca huizen in Peru zijn erg oud."
"Geen enkele deur sluit goed," zei Julia.
"Dat is waar," zei Mack, "maar uiteindelijk sluiten ze wel!"
"Hou op, Mack!" snauwde zijn vrouw. "Jij hebt geen geloof!"
Mack schikte zich pijnlijk in zijn gevallen natuur. "Wat ben jij aan het lezen geweest, Julia? Huizen als dit vallen ver buiten ons budget. Ik zie niet in hoe we ons dit ooit kunnen veroorloven."
"Geef me maar dertig minuten," zei Julia. Ze keerde weg van de zonsondergang en keek naar het huis. "Al wat ik nodig heb is dertig minuten."
"Ga jij in dertig minuten geld bij elkaar halen voor een nieuw huis?" vroeg Mack.
"Nee, Pontius Pilatus! Ik ga dertig minuten naar dit huis staren en brand het zo op mijn netvlies. Jij kan naar huis gaan als je wil. Ik moet naar het huis staren, zodat ik het me kan inbeelden, zodat ik kan spreken, zodat ik met blijdschap vervuld kan worden, zodat ik de overwinning kan opeisen. Maak zelf maar wat te eten klaar; er is nog wat ham over in de koelkast."
Terwijl de vrouw van Mack haar geestelijke experimenten uitvoerde, keerde Mack terug naar huis en zocht in de Bijbel naar informatie over profeten en profetessen.
In de daarop volgende weken liep Mack's lieve kleine profetes rond in hun huis met één woonlaag, een maand lang "geloofswoorden" sprekend over een nieuw huis. Zelfs na al zijn studies wist Mack nog niet wat "geloofswoorden" waren. Julia probeerde hem uit te leggen dat "geloofswoorden" uitspraken waren die hoe dan ook gingen gebeuren. "Al wat nodig is, is geloof," zei Julia. "Maar hoe zit het dan met de feiten?" vroeg haar echtgenoot. Julia zei dat ze geen feiten nodig had. Alles wat iemand nodig heeft is geloof, en uiteraard woorden, hardop uitgesproken. Feiten waren alleen maar een hindernis voor geloof, zei Julia. Feitelijk sloegen feiten het geloof in het gezicht, en andersom.
U, lezer, zal misschien zeggen: "Ik wil een nieuw huis." Pringggggg!!!
Dat is helemaal verkeerd, en u heeft zeker geen geloofswoord gesproken. Een geloofswoord is precies zoals Julia het voor Mack omschreef: "Ik ga een nieuw huis hebben."
Laten we zeggen dat een man zijn televisie aan zet en ziet dat zijn favoriete footballteam tweeënvijftig punten achter staat tegen een ander team, in het laatste kwart van de wedstrijd. Wenst de man dan dat zijn team gaat winnen? Dan heeft hij geen geloof! Hij moet hardop zeggen: "Mijn team zal winnen!" Voor God is tweeënvijftig punten niets! Kan Hij die Saturnus van ringen voorzag en Jupiter vlekken gaf, niet een paar simpele vrije schoppen geven? Zeven vrije schoppen? In minder dan zestig seconden?
Laten we zeggen dat de man in ons voorbeeld de geloofswoorden spreekt en zijn team verliest toch. Moet God Zich dan schamen? Nee! Dat is godslastering. De waarheid is dat de man zich moet schamen. God is perfect, maar het geloof van de man lekt kennelijk net zo als het dak van de boerderij met één woonlaag van Mack.
Wat kan zo'n geloofslek veroorzaken? Er zijn een aantal zaken: de verkeerde vetten, slechte slaapgewoonten, een hoge dosis stroop, duistere seksuele fantasieën, om er maar vier te noemen. Maar het is nooit te laat om te veranderen. Daarom moet de man, als hij perfect geloof zou willen uitoefenen, vlaszaad beginnen te kauwen, vroeger naar bed gaan, suiker afzweren, en alleen pure gedachten denken, als hij echt een kans wil maken. Of... misschien moet hij de geloofswoorden eerder in de wedstrijd spreken.
"Geloof jij nou echt dat wij een nieuw huis gaan kopen?" vroeg Mack Julia later die dag in de keuken.
"Niet alleen dat," zei Julia, "maar het gaat een groot huis worden, met twee verdiepingen, met hoge plafonds en overmaatse vensters die een schitterend uitzicht bieden op de achtertuin, die, zo zie ik nu, gevuld is met bloeiende appelbomen."
Mack probeerde te kijken naar waar zijn vrouw stond te staren, om te zien hoe prachtig de appelbomen waren. Maar al wat hij zag was een rij keukenhulpjes in afnemende grootte.
"Ik voel het diep van binnen," zei Julie.
"Binnen de lepels?" vroeg Mack.
"Nee, Judas Iscariot! Ik heb het over het huis! Ik heb het over de tuin en de appelbloesems. Alles ziet er elegant uit, zie je dat dan niet? Dit is een ander geloofswoord dat ik de laatste tijd van God hoor: 'Elegant'"
"Ik weet het," zei Mack. "Ik kan zien dat jij met elegant geloof bent gevuld. Maar - als ik zo vrij mag zijn - ben je er zeker van dat het de stem van God is die je hoort? Denk je niet dat het mogelijk is dat je met jouw gevoelens verwaaide FM signalen oppikt?"
"Ga achter mij, Satan!" zei een terecht verontwaardigde Julia.
"Dat zal ik zeker doen," zei Mack, die maar wat blij was om te gehoorzamen (Mack's vrouw had een mooi kontje, weet u, en ze droeg altijd een strakke spijkerbroek).
Mack, die verzekeringsagent was, verkocht dat jaar vele polissen, maar dat was hij toch al van plan. De zaken liepen goed en hij en Julia kochten het nieuwe huis. Het was niet het huis dat ze op die vreselijke dag in Mei zagen, maar zelfs een groter huis, in een andere buurt, zeven straten van waar hun geestelijke babytijd was geweest.
Maar helaas: de ellende volgde. Alle buren van Mack en Julia waren gemeen en gedachtenloos. Hoe anders dan de oude club van aardige mensen! Mack probeerde of Julia een geloofswoord tegen Mevrouw Goldstein wilde spreken. "Mevrouw Goldstein's hond zal stoppen met iedere middag in onze voortuin te poepen," zei Julia, keer op keer. Julia geloofde het, zag het, en sprak het. Zelfs Mack begon het te geloven, te zien en te spreken. Hij werd net zo vol van elegante vreugde als zijn vrouw en al snel claimden ze allebei de voortdurende overwinning over de vele walmende hoopjes hondenpoep. En wat gebeurde? Nog meer hondenpoep! De geloofswoorden faalden op spectaculaire wijze. Mack keek naar de poephoopjes en dan naar zijn prachtig geschapen vrouw. Maar helaas: de straling van de profetes was van Julia's gezicht verdwenen. Zijn vrouw was dan nog wel mooi, maar geen profetes meer.
Julia kroop terug in haar favoriete nieuwe meubelstuk en staarde door haar afgeschuinde plaatjesraam naar hun appelboomgaard. Mack probeerde haar te troosten. "Is er de een of andere duistere seksuele fantasie die je moet belijden?" vroeg hij.
Mack, die had geprobeerd zichzelf om te vormen door vlaszaad te kauwen, vroeger naar bed te gaan, suiker af te zweren en alleen zuivere gedachten te denken, begon opnieuw corn flakes te eten, laat op te blijven, stroop te drinken en te kijken naar advertenties voor damesondergoed. Het leven was weer goed.
Mack en Julia keerden terug naar hun oude buurt en kochten op den duur een ander boerderijtje met één woonlaag, niet ver van hun oude huis.
De moraal van dit verhaal?
Mack en Julia zijn weer gelukkig. Het huis heeft een probleem met de fundering, en de deuren sluiten trouwens ook niet goed. Maar ze sluiten uiteindelijk wel, en dat is eigenlijk alles waar je tijdens een aion als deze op mag hopen.
Overgenomen uit "The Clanging Gong News" - Vol. 2 - Issue 2.
ALL things © copyright by Martin Zender. All rights reserved.
U kunt meer Martin Zender vinden op zijn website:
Martin Zender
the world's most unorthodox Bible Scholar