De structuur van EfeziŽrs
Hoofdstuk 1
Inleiding


door J. Philip Scranton



   

Het doel van deze studie is de literaire structuur van EfeziŽrs te laten zien en het doel achter deze structuur. EfeziŽrs heeft een zeer krachtige en besliste vorm, en het zien van de structuur er van is behulpzaam bij het verstaan van boek als geheel. We zullen ons alleen bezighouden met de tekst, niet met de aanvullende academische zaken die de meeste commentaren vullen. Er wordt vaak verondersteld, misschien correct, dat EfeziŽrs een rondzendbrief was. Een brief zijnde die ontworpen was om de meest algemene en belangrijke vragen in het vroege Christendom te beantwoorden, zou men een rechtstreekse en onmiskenbaar heldere uiteenzetting verwachten.

Maar wat we in plaats daarvan hebben is een ingenieuze presentatie die de kritieke vragen beantwoordt, niet alleen met uitspraken, maar ook met illustraties die ingesloten zijn in de literaire vorm van de brief. De moderne Engelse lezer is er niet aan gewend voor zulke ingewikkeldheden onder de oppervlakte te kijken, maar wanneer ze gezien worden doen zij de indruk van de boodschap van de brief toenemen.

De vroege Christenen hadden veel vragen - vragen zoals: Wat is er aan de hand met de uitverkoren natie die haar Messias verwierp? Hebben we het O.T. verkeerd begrepen? Hoe kan Pinksteren de vervulling van de O.T. profetieŽn zijn wanneer zoveel van de gaven zijn opgehouden en veel profetieŽn nog onvervuld blijven? Zouden we alles in de Hebreeuwse Schrift moeten interpreteren als een soort van geestelijke vervulling hebbend? Zouden de heidenen besneden moeten worden? Zouden zij de wet moeten houden? Zouden zij een deel van de wet moeten houden? Zijn gelovigen van alle natiŽn gelijk? Het was verplicht dat vragen als deze beantwoord zouden worden.

Het tweede hoofdstuk roept ook een paar unieke vragen op die alleen beantwoord kunnen worden door het voornaamwoord probleem te begrijpen. Paulus' boodschap van genade wordt over het algemeen verstaan als een afscheiding vanaf het historisch JudaÔsme en veel Joden volgden het, het oude achterlatend. Maar in hoofdstuk twee, in plaats van te zeggen dat gelovigen uit de Joden bijgevoegd worden aan de gelovigen uit de heidenen, zegt Paulus dat gelovige heidenen niet langer "gasten en bijwoners" zijn, maar dat zij "mede-burgers" van de gelovige Joden waren geworden. Dus hoe kunnen ze mede-burgers zijn zonder zelfs maar in hetzelfde land te wonen? En hoe kan Paulus zoveel over de Geest van God zijnde in gelovigen spreken, wanneer de profetieŽn van het uitgieten van de Geest in het O.T. nog niet vervuld zijn? Wij kloppen hier op de deur van wat Paulus het geheim of geheimenis noemt.

Een derde probleem met de brief is dat hoofdstuk- en versverdelingen en Engelse paragraaf-verdelingen de ware contextuele verdelingen van de brief verbergen. Iedereen weet dat de eerste drie hoofdstukken van EfeziŽrs bij leer behoren en de laatste hoofdstukken bij gedrag. Maar dat is alleen ťťn kenmerk van de structuur van het boek. Van het primaire belang is het feit dat heel het boek EfeziŽrs voortvloeide uit Paulus'gebed voor gelovigen in hoofdstuk 1. Paulus bad dat God hen een geest van wijsheid en openbaring zou schenken en in de bewustwording van God als hun heerlijke Vader. Toen deed hij drie verzoeken. Het begrijpen van deze drie verzoeken en de bewustwording van God als onze vader van heerlijkheid zijn onmisbaar. De verzoeken zijn:

1. Wat is de verwachting van de roeping van de heerlijke Vader?
2. Wat zijn de heerlijke rijkdommen die genoten worden door hen die deel worden van het lotdeel van de heerlijke Vader?
3. Wat is de allesoverstijgende grootheid van de kracht van de heerlijke Vader voor gelovigen?

Wanneer we komen te weten (1) wie we zijn, (2) waarheen we gaan, (3) en hoe we zouden leven, dan zullen we God bewust worden als de Vader van heerlijkheid. Deze drie verzoeken vatten heel het boek samen. Volgend is een schets van de thematische structuur. Details die het de structuur identificeren zullen behandeld worden in de schets van elk deel.

1.       Introductie: 1:1-2.
2.       Presentatie van de Vader van de nieuw onthulde roeping
          van de heerlijkheid: 1:3-6.
3. Presentatie van het nieuw onthulde lotdeel van de Vader van
          heerlijkheid onder de heiligen: 1:7-12.
4. Het brengen van heidense gelovigen in deze nieuw beschreven
          voorrechten: 1:13-14.
5.      Paulus' gebed voor alle gelovigen: 1:15-19.
6.      Presentatie van de kracht van de Vader van heerlijkheid voor
          gelovigen zoals geÔllustreerd in Christus; 1:20-23.
7. Presentatie van de kracht van de Vader heerlijkheid voor gelovigen:
          2:1-10.
8. Onderwijs over de roeping van de Vader van heerlijkheid: 2:11-22.
9. Onderwijs over het lotdeel van het lotdeel van de Vader van
          heerlijkheid onder de heiligen: 3:1-13.
10. onderwijs over kracht van de Vader van heerlijkheid voor
          gelovigen: 3:14-21.
11. Gedrag van gelovigen in de roeping van de Vader van heerlijkheid:
          4:1-29.
12. Gedrag van gelovigen in het lotdeel van de Vader van heerlijheid:
          4:30-5:17.
13.       Gedrag van gelovigen in de kracht van de Vader van
           heerlijkheid: 5:18-6:17.
14.       Afsluiting: 6:18-24.

De introductie en de afsluiting zijn zeer kort, dus voor het doel van het zien van de algemene structuur zouden we ze kunnen laten vallen. Dat laat ons 12 stukken over en deze zijn gemakkelijk te verdelen in vier groepen van drie. Stuk 4, 5 en 6 zijn verschoven om te laten zien dat zij het brandpunt-gebied bevatten waar heel de brief uit voortkomt. Dus als we Paulus' drie verzoeken leren, gebaseerd op bewustwording van God als onze heerlijke Vader, dan is de schets bijna voorhanden. Deze drie verzoeken worden voorgesteld (2,3,7), uitgelegd (8,9,10) en toegepast (11,12,13) op ons gedrag. De andere groep van drie punten (4,5,6) voegt de gelovige heidenen toe aan de Joodse gelovigen, stelt Paulus' gebed, en illustreert God's kracht in Christus - dit derde onderwerp een uitvloeisel zijnde van het evangelie - iets dat zeer belangrijk is, maar iets waarmee we al behoorlijk bekend zouden moeten zijn.

Dat is de basisstructuur van het boek. Het is niet de structuur zelf die zo slim bedacht is, maar veeleer de toegevoegde subtiliteiten die Paulus gebruikt. Een van Paulus' nadrukken of thema's is dat gelovige Israelieten en heidenen nu in ťťn lichaam samengevoegd zijn door de boodschap van zijn evangelie van genade. Paulus voegt zich bij hen, niet alleen door directe uitspraken, maar hij voegt zich herhaaldelijk bij hen door het eenvoudige gebruik van voornaamwoorden, als hij voortgaat doorheen de brief. Hij voegt herhaaldelijk "wij gelovige Joden' en "jullie gelovige heidenen" samen in een "wij samen" of een "beiden" of een algemeen "wij" of "iedereen," of zelfs "voltooid ... heel het complement van God." We zullen zien dat de contexten van definiŽren en verklaren van de waarheid van Paulus' drie verzoeken het doek leveren voor het illustreren van deze eenheid, steeds weer.

Een ander ongewoon kenmerk is dat Paulus twee van de verzoeken van de gebeden definieert voordat het gebed uitgesproken wordt. Ook dit is een deel van zijn methodologie van scheiden en bijeenbrengen van de twee groepen van gelovigen in ťťn lichaam.

Dit structureel scheiden en bijeenvoegen van Joodse en heidense gelovigen is zeer overheersend in de eerste twee hoofdstukken van het boek. Het kan gemakkelijk geÔdentificeerd worden door het gebruik van eerste en tweede persoon meervoudige voornaamwoorden. Het gebruik van deze voornaamwoorden is zo opvallend, dat men zou kunnen zeggen dat ze een andere verdeling van het boek vormen. Als we de eerste drie hoofdstukken beschouwen als leerstellige instructie, dan kunnen we ook deze hoofdstukken opdelen in twee secties: (1) 1:3-2:22 gebruikt, behalve voor ťťn variatie, alleen meervoudige eerste en tweede persoon voornaamwoorden; (2) in 3:1-e.v, beginnend in hoofdstuk 3, begint Paulus het regelmatige gebruik van eerste persoon enkelvoudige voornaamwoorden - de apostel begint zijn directe instructie. De enige keer dat eerste persoon enkelvoudige voornaamwoorden in de eerste sectie (in ťťn vers) voorkomt komt in wat we spoedig met Paulus' "Ik-jij" zullen labelen.

Aan wie werd EfeziŽrs geschreven? Of, wie ben jij en wij?

Opdat er geen misverstand over terminologie is doelen we, wanneer we spreken van heidenen, gewoon op niet-Joodse mensen - mensen die niet met God verbonden zijn door het SinaÔ verbond. De context van de brief is zo onmiskenbaar helder dat Paulus "jullie" gebruikt om naar gelovige heidenen te verwijzen.

"Herinnert jullie daarom dat eens jullie, de natiŽn in het vlees, die Voorhuid genoemd worden door die Besnijdenis genoemd worden, in vlees, met handen gemaakt" (Efe. 2:11)

En in 3:1 zegt hij:

"Ter wille van dit ben ik, Paulus, de gevangene van įChristus Jezus ten behoeve van jullie, de natiŽn" (Efe. 3:1)

Voorbeelden zijn er vele, maar deze zijn helder en zouden moeten volstaan.

Verwijzen we nu alleen naar Paulus en zijn medewerkers die dit evangelie van genade brengen, of verwijzen we naar een grotere groep? Het verwijst naar een grotere groep gelovigen van de Joodse natie, inclusief Paulus. In de introductie lezen we in Paulus' aanhef:

"... aan al de heiligen die ook gelovigen zijn in Christus Jezus." (Efe. 1:1)

En in 3:8,9 zegt hij:

"Aan mij, de allergeringste van alle heiligen, werd de genade gegeven deze aan de natiŽn te evangeliseren: de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus, en alles te belichten wat het beheer van het geheim inhoudt, dat verhuld was vanaf de aionen in God, Die alle dingen schept"

Wanneer Paulus zegt dat het hem werd gegeven "alles te belichten," rijkt hij duidelijk uit voorbij het gebied van gelovige heidenen naar alle gelovigen in Christus. Dus is het publiek aan wie hij schrijft alle gelovigen, zowel Joods als heidens. De verwarring sluipt binnen als we er niet in slagen te zien dat hij wisselt, soms Joodse gelovigen aansprekend en soms heidense gelovigen. Of we nu de term Jood of Israeliet gebruiken, wij verwijzen naar de afstammelingen van de 12 stammen van Jakob, en niet naar een specifieke groep binnen die natie, anders dan het onderscheid dat we over het algemeen spreken van gelovigen - zij met geloof in Christus.

Paulus werd later in de N.T. bediening tot zijn ambt van apostelschap geroepen. De apostels van Christus waren al aan het bedienen en leidden een ekklesia waarin Joden overheersend waren. Dit is belangrijk, want zijn boodschap houdt verband met een latere tijd in de Pinkster-bediening en met omstandigheden die aan het veranderen waren.

We concluderen dat de wij's en de ons' en van ons' voornamelijk verwijzen naar gelovige Joden, en de jullie's en van jullie's verwijzen naar gelovige heidenen. Verwarring kan nog steeds ontstaan als we er niet in slagen ons bewust te worden dat de structuur van de brief de twee groepen in eenheid brengt. Wanneer het punt van eenheid is bereikt gebruikt Paulus vrijelijk het eerste persoon voornaamwoord als een universeel wij en ons. Dan, na het bereiken van de eenheid, verdeelt hij hen weer zodat de wij's Joods zijn tegengesteld aan de heidense jullie's. Paulus doet dit zodat hij kan beginnen vanuit een verschillend perspectief en ze dan weer kan bijeenvoegen. Dit is waar de schets van de tekst aan de orde komt. We zullen dit bijeenvoegen definiŽren zodat het gemakkelijk onderscheiden kan worden wanneer persoonlijke voornaamwoorden beperkt zijn en wanneer zij universeel zijn.

Als we de tijd nemen het eerste vers van EfeziŽrs in een aantal verschillende vertalingen te lezen, zullen we mogelijk meer variatie vinden in weergaven en terminologie dan in enig ander eerste vers van Paulus' brieven. Ik spreek hier niet van de variatie die te maken heeft met de aanwezigheid of afwezigheid van het woord Efeze, maar van de variatie in de weergave van de woorden heiligen, gelovigen en het woord 'en' dat er tussen komt. Voor de moderne lezer zijn de eerste twee van deze woorden overbodig. Voor ons is een gelovige iemand die een heilige is. Dit is de overheersende huidige gedachte geworden. Maar Paulus' gebruik van het woord hier is duidelijk anders dan het hedendaags gebruik.

In de eerste eeuw, en daarvoor, was de IsraŽlische natie de heiligen - de heiligen die apart gezet waren voor God's dienstbetoon (Deut. 7:6; 33:3; Psa. 31:23; 37:28; 50:5). Hun verbond met God plaatste hen in die positie en het gebruik van het Psalter in aanbidding maakte de term een algemene aanduiding. Dit is de historische achtergrond-betekenis achter Paulus' gebruik van de term. Maar hoe gebruikt Paulus de term? Ten eerste is Paulus' gedachte aan de term heiligen in volle overeenstemming met de gedachte aan hen die naar God afgescheiden zijn voor goddelijke dienstbetoon. Ten tweede, aangezien hij schrijft aan gelovigen en zich niet tot ongelovige Joden richt, schijnt het dat hij deze term niet zonder onderscheid op alle IsraŽlieten toepast. In sommige passages kan dit punt bediscussieerd worden, maar over het algemeen schijnt het dat hij het gebruik er van reserveert voor IsraŽlieten die in Jezus Christus geloven. Besnijdenis schijnt zijn term voor Joden te zijn, zonder betrekking tot geloof in Christus (we zijn ons er van bewust dat in sommige contexten deze uitspraak ook bediscussieerd kan worden).

In 2:19 zei hij:

"Dus dan zijn jullie [gelovige heidenen] niet meer gasten en bijwoners, maar zijn jullie mede-burgers van de heiligen en huisgenoten van God"

Opdat de gelovige heidenen mede-burgers van de heiligen kunnen worden, moeten de heiligen een groep zijn waartoe de heidenen niet eerder behoorden. Dit bevestigt tot dusverre ons begrip van de term. Maar een andere vraag blijft staan: Maakt een mede-burger van de heiligen worden iemand een heilige? In de zin van afgescheiden zijn voor God voor dienstbetoon, zijn de heidense gelovigen heiligen. Maar we moeten zorgvuldig zijn om deze hedendaagse definitie op Paulus' eerste eeuws gebruik van het woord te leggen. In Paulus' dagen was 'heiligen' een term voor de IsraŽlieten.

Er zijn een paar contexten waar Paulus schijnt te spreken van zowel gelovige Joden en heidenen als heiligen. En er zijn ook contexten waar zijn noemen van heiligen duidelijk verwijst naar Joodse mensen. Dit weerspiegelt mogelijk het feit dat de meeste vroege gelovigen Joods waren. Het zal voldoende zijn te weten dat beide groepen, gelovige Joden en gelovige heidenen, door dit document van de Schrift dat wij EfeziŽrs noemen, een nieuwe mensheid worden, zonder raciale onderscheiden. We zouden mogelijk meer in lijn zijn met Paulus' denken als gelovigen vandaag de nieuwe mensheid zouden worden genoemd. Toch kunnen we niet voorbij gaan aan het historische proces van het komen tot die toestand. Hoewel gelovige heidenen de Geest van God ontvingen en net zo volledig geheiligd werd als gelovige Joden (1 Kor. 1:30), in de meeste gevallen zal de N.T. term 'heiligen' (hoi hagioi) gevonden worden toegepast te worden op Joodse gelovigen.

Dit brengt ons tot een belangrijk punt: Efeziťrs 1;1 wordt gericht aan twee groepen van gelovigen. Als het op deze wijze verstaan wordt, dan vindt het solide overeenstemming met de rest van de brief. Als het op deze wijze verstaan wordt, moeten we ons afvragen waarom Paulus schrijft aan twee groepen van gelovigen, maar slechts ťťn van hen aanspreekt in zijn begroeting. Er is niets geforceerd in de King James vertaling en het leest:

"Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God,
aan al de heiligen die in Efeze zijn,
en aan de getrouwen in Christus Jezus." (Efe. 1:1;AV)

Onze bedoeling is dat dit vers als volgt verstaan wordt: "Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God, aan de heiligen [gelovige Joden] die in Efeze zijn, en aan de getrouwen [andere gelovigen - heidenen] in Christus Jezus." Als we het eerste vers op deze wijze verstaan, zal het ons helpen ons voor te bereiden op het aan elkaar tegenstellen van twee groepen dat onmiddellijk in de brief aan de orde komt. Het helpt ons dat vers drie alleen gericht is op slechts een deel van de ontvangers. De Concordant Version is anders en leest:

"Paulus, afgevaardigde van Christus Jezus door de wil van God,
aan al de heiligen
die ook gelovigen zijn in Christus Jezus." (Efe, 1:1;SW)

Het lidwoord 'de' wordt met 'die' weergegeven (zoals de tekstuele markering in de vertaling aanduidt) en het voegwoord 'en' is veranderd naar 'ook' - een algemene variant voor 'en'. Het schijnt dat de CV verstaat dat het woord heiligen verwijst naar het Joodse volk, anders zou het niet nodig zijn te zeggen dat deze heiligen ook gelovigen waren. Het probleem met deze interpretatie is dat Paulus' introductie dan alleen gelovige Joden aanspreekt. Als hij alleen Joodse gelovigen aanspreekt, dan zou hij falen de groep aan te spreken van wie hij stelt de apostel te zijn. Als de CV verstaat dat heiligen alle gelovigen betekent, dan is de laatste zinsnede van het vers gewoon overbodig: "al de heiligen die ook gelovigen zijn in Christus Jezus."

De Concordante Vertaling laat in 1 Korinthe in de aanhef een ongecompliceerde presentatie zien van twee groepen:

"... aan de ekklesia van God die in Korinte is, aan die geheiligd zijn in Christus Jezus, aan geroepen heiligen, samen met allen die de naam aanroepen van onze Heer, Jezus Christus, in elke plaats van hen en bovendien van ons." (1Kor. 1:2;SW)

Hier zijn de twee groepen: (1) geroepen heiligen, en (2) allen die de naam van onze Heer aanroepen. De vraag die hier gesteld kan worden is "worden sommige heiligen niet genoemd?" Maar als het woord heiligen verwijst naar Joodse mensen, dan is alles helder. De geroepen heiligen zouden Joodse mensen zijn die geroepen worden - zij waren gelovigen. Let op Paulus' aanvullende uitspraak om duidelijk te maken dat Jezus Christus de Heer van beide groepen is die hij aansprak: "in elke plaats en bovendien van ons." Paulus' term heiligen betekent gelovige Joden. (Zie ook Romeinen 1:7).

De A.V. geeft geen hint over ze het begrijpt dat de heiligen zijn hier in Efeze 1:1, en dat moet verkregen worden uit de context van de brief. Kennelijk werd het in de eerste eeuw zo goed verstaan dat er geen uitleg nodig was. Ik verwerp de weergave van de CV over dit eerste vers van de brief vanwege de redenen die gegeven werden. Maar ik geef de voorkeur van de CV over de woordenschat en zal die gebruiken voor de schets van het boek.

Het woord getrouwen identificeert een groep anders dan heiligen in vers 1. In vers 13 hebben jullie (heidenen) die getrouw zijn (geloven) het goddelijk toegewezen bewijs van het bezitten van ons (de heiligen) lotdeel. En in vers 15 bidt Paulus voor hen met dit geloof, en ook voor de heiligen. Paulus had vast aan zijn onderscheid.

We hebben vastgesteld dat we in vers 1 twee groepen aangesproken zien worden; de jullie groep is de heidenen en we wij groep is de Joden, of IsraŽlieten. Onmiddellijk zal iemand dan vragen of het jullie in vers 2 alleen slaat op Paulus'afsmeking van genade voor de heidenen. Kennelijk niet. Paulus noemde beide groepen alleen in vers 1 en vraagt hij genade voor hen allen. Het 'jullie' van vers 2 is universeel en maakt deel uit van ťťn groep tegelijk.

EfeziŽrs 1:1-2 met 6:23-24.

A1 - 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God, aan de heiligen die in Efeze zijn, en aan de gelovigen in Christus Jezus. [A.V.]
B1 - 2. Genade aan jullie en vrede van God, onze vader, en de Heer Jezus Christus. [C.V.]
A2 - 6:23. Vrede zij met de broeders, en liefde met geloof, van God, de vader, en de Heer Jezus Christus.
B2 - 24 Genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus liefhebben in onvergankelijkheid! Amen!

We plaatsen de opening en afsluiting van de brief samen om te illustreren wat in de brief zal plaatsvinden. De twee groepen in A1 worden de broeders van A2, en de B'en herhalen de uitnodiging van genade op hen allen.

De openingsstructuur van Paulus' brieven

Op dit punt zou ik een brede blik willen werpen op de openingen van Paulus' brieven. Als het op het schrijven van brieven aankwam was Paulus een gewoontedier. Dat is goed nieuws voor ons, omdat zijn gewoonten ons zullen helpen te zien dat iets speciaal is en anders in de manier waarop hij de brief aan de EfeziŽrs schreef.

Alle N.T. boeken die door Paulus werden geschreven waren brieven die hij naar verschillende kerken of individuen zond. Al deze brieven beginnen met een besliste vorm. Slechts in een paar gevallen is er enige variatie in vorm. Ondanks een kleine hoeveelheid variatie bevatten ze allemaal drie basis-elementen die altijd in dezelfde volgorde voorkomen.

(1) Eerst is er Paulus' begroeting waarin hij zichzelf voorstelt en soms een medewerker zoals TimotheŁs. Hij vermeldt zijn relatie van dienstbetoon met Christus en dat hij in deze positie kwam door God's wil of bedoeling. Tenslotte noemt Paulus de ontvangers van de brief. Daarop volgen de verzen in elke brief die zich bezig houden met het eerste element van Paulus' begroeting:

Rom. 1:1-7a1 Cor. 1:1-22 Cor. 1:1Gal. 1:1-2
Eph. 1:1Filip. 1:1Col. 1:1-2a 1 Thess. 1:1a
2 Thess. 1:1 1 Tim. 1:1-2 2 Tim. 1:1-2a Tit. 1:1-4
File. 1:1-2

Wij vragen kort uw aandacht voor twee verwijzingen: Romeinen 1:1-7a en Titus 1:1-4. Deze passages zijn merkbaar langer dan Paulus' norm. De introductie in Romeinen bevat het evangelie in een notendop. Wanneer Paulus spreekt van zijn relatie met Christus voegt hij een paar zinsneden toe die Christus' werk beschrijven. Door dit te doen geeft hij een mini-introductie in het evangelie, wat het basis-thema van de hele brief is. Titus is soortgelijk. Daar voegt Paulus een paar woorden toe over toewijding en onze verwachting - gedachten die relevant zijn voor de boodschap van die brief.

(2) Het tweede element van Paulus' begroeting is een uitspraak die vrijwel letterlijk in al zijn brieven wordt herhaald:  "Genade en vrede van God onze vader en de Heer, Jezus Christus." Als literaire structuur neemt deze oproep van God's zegeningen over de lezers bijna de aard van een lijn aan die getrokken wordt tussen de introductie en het derde element. De verwijzingen voor het tweede element zijn:

Rom. 1:7b 1 Cor. 1:3 2 Cor. 1:2 Gal. 1:3-5
Efe. 1:2 Filip. 1:2 Col. 1:2b 1 Thess. 1:1b
2 Thess. 1:2 1 Tim. 1:2b 2 Tim. 1:2b Tit. 1:4b
File. 1:3

De enige variatie van enig belang is dat Paulus in Galaten een uitspraak toevoegt over het doel en de volheid van verlossing die in Christus' offer tot ons komt. Dit houdt duidelijk verband met de problemen die de Galaten ondervonden met Joden die wilden dat de Galatische gelovigen besneden zouden worden. Het is een korte voorloper op een groot thema van de brief; genade. Als Paulus het evangelie dat hij hen bracht niet kon verdedigen, zou zijn vermogen om God's genade over hen uit te roepen twijfelachtig zijn, dus combineert hij een korte verklaring met de oproep.

(3) We gaan het derde element van Paulus' begroetingen een Ik-Jullie" uitspraak noemen. In de "Ik-Jullie" uitspraak drukt Paulus zijn zorg uit over de situatie van de ontvanger(s) van de brief. Dit derde element is het lanceerplatform van waaruit wij geprojecteerd worden in het lichaam van de brief. Dit derde element verbindt terug met de eerste twee, omdat het de reden vertelt waarom Paulus aan de ontvangers schrijft en het toont zijn motieven voor het oproepen van God's genade en vrede over hen.

Het derde element zal meer variatie in inhoud van brief tot brief hebben omdat het rechtstreeks verbonden is met de omstandigheden van de ontvangers. We zullen een paar voorbeelden van de "Ik-Jullie" uitspraken geven:

Romeinen 1:8 - "Eerst dank ik inderdaad mijn God door Jezus Christus aangaande allen van jullie, dat het geloof van jullie in geheel de wereld wordt aangekondigd."
1 Korinthe 1:4 - "Ik dank mijn God altijd aangaande jullie over de genade van God, die aan jullie gegeven wordt in Christus Jezus."
2 Korinthe 1:23 - "Maar ik roep God aan als getuige over mijn ziel, dat, om jullie te sparen, ik niet meer tot in Korinte kwam."
Galaten 1:6 - "Ik verwonder mij dat jullie zo vlug worden overgebracht vanaf Die jullie roept in de genade van Christus, tot in een andersoortig evangelie."
Efeze 1:15,16 - "Vanwege dit ook, horend overeenkomstig jullie geloof in de Heer Jezus en dat tot al de heiligen, houd ik niet op te danken, ten behoeve van jullie gedachtenis makend in mijn gebeden."
Filippenzen 1:3 - "Ik dank mijn God bij elke gedachtenis aan jullie."

Rom. 1:8 1 Cor. 1:4 2 Cor. 1:23 Gal. 1:6
Efe. 1:15 Filip. 1:3 Col. 1:3 1 Thess. 1:2
2 Thess. 1:3 1 Tim. 1:3 2 Tim. 1:3 Tit. 1:5
File. 1:4

Als we naar de versnummers hierboven kijken voor al deze "ik-jullie" uitspraken, dan is het eenvoudig te zien dat twee boven de rest uitsteken. In elke brief van Paulus, behalve twee, volgt de "ik-jullie" uitspraak onmiddellijk op zijn oproep voor genade en vrede.

In 2 Korinthe is er een sprong van 20 verzen van de oproep tot genade en vrede naar de "ik-jullie" uitspraak. De reden voor de sprong is dat Paulus een passage kan invoegen over zijn persoonlijke ervaring. Hij begint de invoeging door een zegen uit te spreken over de God en Vader van onze Heer Jezus Christus voor het gebruik van de beproeving die hij onderging om een werk van zegen en vertroosting in hem te bewerkstelligen. Paulus had nogal wat lijden moeten verduren dat er de oorzaak van was dat zijn terugkerend bezoek aan Korinthe uitgesteld werd. In de tussentijd gaf dit uitstel tijd voor speculatie onder de KorinthiŽrs om een hele serie geruchten, en zelfs beschuldigingen, te doen ontstaan over de reden van de afwezigheid van de apostel. Eerder had Paulus een krachtige berisping aan de ekklesia gegeven voor het toestaan van onbetamelijk gedrag onder de leden. Sommigen in de kerk bekritiseerden Paulus en daagden zijn gezag uit. In deze openings-paragraaf legde Paulus uit dat God de ervaring van zijn lijden gebruikte om hem in staat te stellen zich beter te identificeren met hen die hij diende en hen te troosten. Het thema van deze openings-paragraaf komt doorheen de brief steeds weer naar boven.

Het andere boek met een toevoeging tussen de oproep en de "ik-jullie" uitspraak is EfeziŽrs. De verzen 3-14 zijn een invoeging in Paulus' normale vorm, en zij leggen een fundament voor veel wat Paulus in die brief zal zeggen. Net als de invoeging in 2 Korinthe begint het met een zegening over God. Ongelijk aan 2 Korinthe geeft deze invoeging geen informatie over een persoonlijke ervaring van Paulus. In EfeziŽrs vormt de invoeging in feite de basis voor een deel van de "ik-jullie" uitspraak, omdat ze een uitleg geeft voor een deel van zijn gebed dat de "ik-jullie" uitspraak introduceert.

Aangezien de verzen 3-14 een variatie zijn op de normale volgorde van Paulus' schrijven, kunnen we iets unieks verwachten over hun inhoud. We hoeven niet te verwachten dat hij onmiddellijk al de bedoelde ontvangers zal aanspreken. Weten dat deze verzen voorbereidend zijn helpt ons ons aan te passen aan de eerste persoon meervoud voornaamwoorden (wij, ons en onze), die we in vers 3 tegenkwamen en ons dragen tot en met vers 12. Bij vers 13 zal de tweede persoon meervoud (jullie) er bij komen en de heidense gelovigen in de zegeningen van de verzen 3-12 brengen, hoewel Paulus door zal gaan hen apart aan te spreken. En Paulus' "ik-jullie" uitspraak in vers 15 wijdt het gebed in voor de ontvangers van de brief om de verzen 3-12 te begrijpen en alles wat er mee samenhangt.

We kijken naar de dingen die Paulus in deze verzen zegt en wij zeggen: "Ja, dit is hetzelfde, goeie ouwe evangelie dat we heel ons leven hoorden." Maar wat zouden de IsraŽlieten zeggen die in Paulus' dag leefden toen zij deze dingen hoorden of lazen? Wij zijn zů ver van die eerste eeuw verwijderd dat het voor ons erg moeilijk is door de ogen van zijn oorspronkelijke ontvangers te kijken.

Waarom begint Paulus deze brief met het aanspreken van Joden?

Paulus begint onmiddellijk in vers 3 door te spreken over God's zegen op ons, gelovigen uit de Joden. Waarom doet hij dit?

(1) De heiligen waren de eerste groep die in zijn brief worden genoemd (v.1).
(2) Joodse gelovigen waren de oudste en meest talrijke groep in het geloof.
(3) Zij waren de groep die de Messias verwachtten op Wie hun redding was gebaseerd.
(4) Als we naar de verzen 3-12 kijken worden aanvullende redenen duidelijk. Er waren zoveel veranderingen die plaatsgevonden hadden met de komst van Christus en Zijn verwerping, en er waren zoveel onjuiste gedachten onder de gelovige Joden over de Messias en het koninkrijk (Lk 19:11; Matt. 21:42-44; 22:41-46; Acts 1:6; 2 Pet. 3:8-10), dat Paulus moest beginnen door een nieuwe grondlijn te stellen. De gelovige Joden waren afhankelijk van hun bekendheid met de Hebreeuwse Schriften (O.T.) en er was heel veel Nieuw Testamentische openbaring die herziening nodig had en in hun denken ingevoerd moest worden.

Dit is een eenvoudige en logische benadering. Paulus stond op het punt de nieuwe openbaring van het gezamenlijk lichaam van Christus te onthullen. Aangezien God's geheime doel een verandering inhield waarin Zijn volk zou zijn, is het slechts vanzelfsprekend dat Paulus zou beginnen met het oud gekozen volk, IsraŽl, en dan de gelovigen heidenen bij hen te voegen. Paulus zegt precies dit in hoofdstuk 2, wanneer hij zegt dat gelovige heidenen mede-burgers werden met de gelovige IsraŽlieten en beiden "opgebouwd wordend op het fundament van de afgevaardigden en profeten, waarvan Christus Jezus Zelf de sluitsteen in de uiterste hoek is"(Efe. 2:20). Eerst stelt hij vast waar de Joodse gelovigen zijn en voegt dan de heidense gelovigen aan hen toe. Dit is een echo van Paulus' zinsnede in Romeinen: "Want ik schaam mij niet voor het evangelie, want het is God's macht tot redding voor elk die gelooft, eerst voor de Jood en bovendien voor de Griek "(Rom. 1:16;2:9,10).

Hier is een antwoord op onze eerdere vraag: Waarom voegt Paulus de heiden toe aan de Joden, aangezien de Joden het traditionele JudaÔsme moesten verlaten? "God stoot Zijn volk niet weg dat Hij tevoren kende!"(Rom. 11:2). God wierp de verbondsnatie als geheel weg omdat de natie als geheel geen geloof had. Maar God hield Zijn volk met geloof - het volk dat Hij tevoren kende, en voegde dan gelovigen van de natiŽn aan hen toe, een nieuw volk makend, een nieuwe mensheid. Dus eerst bewoog Paulus gelovigen uit het traditionele JudaÔsme, hen een nieuwe onthulling gevend, en dan voegde hij de gelovige heidenen aan hen toe.

Een nieuwe openbaring onthuld

1. "Gezegend zij de God en Vader van onze Heer, Jezus Christus,
2. Die ons zegent met alle geestelijke zegen te midden van de ophemelsen, in Christus,
3. zoals Hij ons uitkiest in Hem vůůr de neerwerping van de wereld,
4. opdat wij heiligen en smettelozen zijn voor Zijn aangezicht,
5. in liefde ons tevoren bestemmend tot in zoonschap in Hem door Christus Jezus,
6. overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil,
7. tot in de lof van de heerlijkheid van Zijn genade, met welke Hij ons begenadigt in de Geliefde,
8. in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, het laten gaan van de misstappen
9. overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade,
10. welke Hij overvloedig in ons doet zijn, in alle wijsheid en verstandigheid
11. aan ons het geheim bekend makend van Zijn wil, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij Zich voornam in Hem,
12. tot het beheer van de volheid van de perioden, om het al in de Christus samen te vatten, zowel de dingen in de hemelen als de dingen op de aarde, in Hem, in Wie ook wij door het lot te werpen werden toebedeeld,
13. opdat wij zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die tevoren gehoopt hebben in de Christus,

We hebben deze eerste persoon meervoud voornaamwoorden geÔdentificeerd om naar Paulus en gelovige IsraŽlieten te verwijzen. Maar de zegeningen in deze verzen zijn wat we begrijpen de karakteristieken te zijn van het evangelie dat aan Paulus, de apostel van de heidenen, was toevertrouwd. Waarom begint de heidenapostel zijn brief door te spreken tot IsraŽlitische gelovigen en hen al de zegeningen te geven?

Wat we moeten zien is dat deze uitspraken van zegen, op ťťn na, duidelijk niet de zegeningen zijn die beloofd en geprofeteerd waren voor de IsraŽlieten in het O.T. Ze zijn veranderd en aangepast. Later we er nader naar kijken.

"Gezegend zij de God en Vader van onze Heer, Jezus Christus." Voor de orthodoxe Jood van de eerste eeuw was deze uitspraak godslastering - het is bloedhete controversie. Waarom was Jezus gekruisigd? Hij werd gekruisigd omdat Hij claimde de Zoon van God te zijn. De hogepriester beschuldigde Hem onder ede voor de levende God hem te vertellen dat Hij de Christus was, de Zoon van God. En Jezus zei: "Ja," Hij was het. De hogepriester verscheurde zijn kleren (wat een schending van de Torah was) en noemde het godslastering, die de dood verdiende. Maar drie dagen later bewees Christus' opstanding dat Hij echt de Zoon van God was. Dit is N.T. leer, niet O.T. IsraŽlitische verwachting.

We zouden ook moeten opmerken dat God maar zelden Vader wordt genoemd in het O.T. Soms waren er commentaren dat God een Vader was voor weduwen en wezen, maar zulke commentaren waren alleen bij gelegenheid en algemeen. In het N.T. is verwijzing naar God als Vader de norm. De openbaring van de Zoon is tegelijkertijd een geweldige openbaring van God als Vader. De positie van in Christus zijn is de positie van een zoon voor God zijn. "... onze Heer Jezus Christus..." Hier is een zinsnede die in het N.T. een nieuwe betekenis heeft. De IsraŽlieten verwachtten een Messias en Hij zou inderdaad Heer zijn, maar het Heer zijn van Christus vanuit de hemel over gelovigen is iets anders en onverwacht. IsraŽl keek uit naar een koning om te zitten op de zichtbare troon van hun land en om hun Heer te zijn in de zin van een politiek en religieus leider.

"...Die ons zegent met alle geestelijke zegen te midden van de ophemelsen, in Christus..." Hier is weer N.T. openbaring. De IsraŽlieten tot wie Paulus sprak hadden verwacht dat het beloofde land de plaats zou zijn van hun burgerschap en voor hun lichamelijke zegeningen - zoals in de profetieŽn van Jesaja en anderen - goede gezondheid, vrede en welvaart, leiderschap van de natiŽn, overvloedige landbouw. Paulus belooft hen geen van deze dingen, maar veeleer geestelijke zegeningen in een hemels gebied.

"...zoals Hij ons uitkiest in Hem vůůr de neerwerping van de wereld..." Vraag een eerste eeuwse IsraŽliet of hij wist dat hij uitverkoren was in de Messias en hij zou je zeggen: "Nee, wij zijn gekozen in onze vader Abraham!" De gedachte van gekozen zijn, zelfs vůůr de schepping van de mensheid, was voor de IsraŽliet van de eerste eeuw een vreemde gedachte. Dit was geen O.T. verwachting.

"...opdat wij heiligen en smettelozen zijn voor Zijn aangezicht ..." Hah! De IsraŽlieten wisten genoeg over de wet die zij moesten houden, dat smetteloze perfectie onmogelijk was. Rechtvaardiging en heilig geacht worden en smetteloos zijn in Christus is N.T. leer. De O.T. profetieŽn van rechtvaardigheid werden wazig gezien, als door mist. Hier doet Paulus een verrassende en inlevende uitspraak.

"...ons tevoren bestemmend tot in zoonschap in Hem door Christus Jezus..." Hier is nu iets dat komt op de lijst van IsraŽlitische verwachting: zoonschap. Paulus zei dat het zoonschap behoorde bij de IsraŽlieten (Rom. 9:4) en in Johannes 10 citeerde Christus Psalm 82:6 om ze te laten zien dat zij geroepen zonen van God waren. Maar dat ze door de Messias tevoren bestemd waren voor deze positie is een update en upgrade van wat zij eerder wisten. Zij beschouwden hun natuurlijke lichamelijke afstamming van Abraham de kwalificerende factor voor hun zoonschap. Dit is opgewaardeerde verwachting.

"...overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot in de lof van de heerlijkheid van Zijn genade..." Dit zou voor de IsraŽliet uit de eerste eeuw een puzzel zijn. Hun natie had lang geleden onder de heerschappij van andere natiŽn vanwege hun ongehoorzaamheid en koppigheid voor God. Zij waren onder een wetsverbond en werden geacht gehoorzaam te zijn. Maar Paulus spreekt over zoonschap door de Messias, en dat dit naar God's genade is en dat het iets is waar God een genoegen in heeft. De IsraŽlieten verdienden de vloek, die de natie als geheel ontving in hun Romeinse onderwerping, maar de gelovige IsraŽlieten waren onder genade en in de positie van God's welbehagen. Dit is N.T. openbaring, niet O.T. verwachting.

"...in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, het laten gaan van de misstappen overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade, welke Hij overvloedig in ons doet zijn..." Hier zegt Paulus dat de IsraŽlieten gereinigd zijn door het offer van Christus dat over hen komt door God's overvloedige genade. Het hangt niet af van hun doop in water en berouw en verrichten van werken, maar van God's genade. Dit is N.T. openbaring, niet O.T. verwachting.

"... in alle wijsheid en verstandigheid aan ons het geheim bekend makend van Zijn wil..." In 1 Korinthe 2:6-10 vertelt Paulus ons dat de wijsheid van God's plan, dat zegen voor de wereld inhield door het geschenk van Zijn Zoon, geen deel uitmaakte van de O.T. openbaring. Het werd geheim gehouden. De reden dat het geheim werd gehouden is omdat de leiders van deze aion Christus niet gekruisigd zouden hebben als ze het hadden geweten. Nogmaals: we hebben N.T. openbaring.

"...tot het beheer van de volheid van de perioden, om het al in de Christus samen te vatten, zowel de dingen in de hemelen als de dingen op de aarde..." Hier hebben we weer een verschil met de O.T. verwachting van het koninkrijk. De IsraŽlieten verwachtten hoofd van de natiŽn van de aarde te zijn, maar zij hadden geen verwachting van deel van een beheer te zijn dat ook in de hemelen zou werken. Daarom wordt hun burgerschap veranderd naar een hemels burgerschap (Filip. 3:20,21). Dit is N.T. verwachting, geen O.T. verwachting.

"...opdat wij zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die tevoren gehoopt hebben in de Christus..." Dat de IsraŽlieten een voor-verwachting hadden in de Messias - in Christus, betekent dat zij geloof hadden in de beloften en profetieŽn, en dat ze verwachtten dat de Messias zou komen en hen een grote redding zou brengen. Dat waren de IsraŽlieten die Paulus de voorgekenden noemde in Romeinen 11. Aan de andere kant waren in de voorafgaande tijden de heidenen buiten Christus, vervreemd van IsraŽl's burgerschap, niet meer dan gasten van de belofte-verbonden, geen verwachting hebbend en zonder God in de wereld. Door met deze uitspraak deze 10 verzen op te sommen, brengt Paulus naar voren dat hij rechtstreeks tot de gelovige IsraŽlieten spreekt. De IsraŽlieten hadden een voor-verwachting in de Messias, maar zij wisten niet de mate waarin hun verwachting in Hem het middelpunt was en niet in hun gehoorzaamheid en lichamelijke afstamming.
We moeten nog ťťn ding opmerken over dit onderwerp. Als we door deze verzen heen gaan zien we dat alle zegeningen in en door Christus tot de gelovigen komen. We kunnen hierin Paulus' concept van Christus zien als de laatste Adam en het begin van de nieuwe mensheid. Ook dit is N.T. openbaring dat de O.T. verwachting overtreft.

Dit is de reden dat Paulus in hoofdstuk 2 de gelovige heidenen bij de IsraŽlieten kan voegen en hen mee-burgers met IsraŽl kan noemen. Hij kan dit alleen doen omdat hij in hoofdstuk 1 de gelovige IsraŽlieten een nieuwe verwachting gaf. Dit is waarom de voornaamwoorden zijn zoals ze zijn. De verzen 3-12 houden verband met de IsraŽlieten en verhogen hun verwachting van de standaard gedachten van de O.T. openbaring naar N.T. openbaring. Dan worden de heidenen toegevoegd aan die IsraŽlieten die de nieuwe verwachting van Paulus' evangelie hebben. (Enkele van deze onderwerpen van nieuwe openbaring worden meer in detail besproken in Appendix 1).

Door naar deel 2...

Terug naar de index.


Heeft u een woord gelezen waar u meer over wil lezen, vul het dan hieronder in.

   


© www.hetbestenieuws.nl