De terugkeer van de ark

door J. Philip Scranton
vertaling Date Gorter

   
1 Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle mannen in IsraŽl, dertigduizend.
2 David stond op en ging op weg met al het volk dat bij hem was, vanuit Bašlim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, de ark waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van JAHWEH van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.
3 Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.
4 Zij haalden de wagen uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.
5 David en het hele huis van IsraŽl huppelden voor het aangezicht van JAHWEH, met allerlei muziekinstrumenten van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.
6 Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.
7 Toen ontbrandde de toorn van JAHWEH tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.
8 David ontstak in woede, omdat JAHWEH Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.
9 David was op die dag bevreesd voor JAHWEH en zei: Hoe moet de ark van JAHWEH bij mij komen?
10 David wilde de ark van JAHWEH niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.
11 Zo bleef de ark van JAHWEH in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden lang, en JAHWEH zegende Obed-Edom en heel zijn huis.
12 Koning David werd de boodschap gebracht: JAHWEH heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David op weg en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.
13 En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van JAHWEH zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest kalf offerde.
14 David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van JAHWEH; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.
15 Zo brachten David en heel het huis van IsraŽl de ark van JAHWEH over, met gejuich en met bazuingeschal.
16 En het gebeurde, toen de ark van JAHWEH in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van JAHWEH, verachtte zij hem in haar hart.
17 Toen zij de ark van JAHWEH de stad binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van JAHWEH, en dankoffers.
18 Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van JAHWEH van de legermachten.
19 Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van IsraŽl, van de man tot de vrouw toe, aan ieder ťťn broodkoek, ťťn klomp dadels en ťťn rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk zijns weegs, ieder naar zijn huis.
20 Toen David terugkwam om zijn gezin te zegenen, kwam Michal, de dochter van Saul, naar buiten, David tegemoet en zei: Wat zal de koning van IsraŽl vandaag geŽerd zijn, die zich vandaag voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren heeft uitgekleed, zoals een leegloper zich schaamteloos uitkleedt!
21 Maar David zei tegen Michal: Voor het aangezicht van JAHWEH, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van JAHWEH, over IsraŽl, ja, voor het aangezicht van JAHWEH heb ik gehuppeld!
22 En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geŽerd worden.
23 Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood.

(2 SamuŽl 6:1-23* Tekst uit de herziene Statenvertaling (hSV), waarin HEERE vervangen is door JAHWEH).

Wij leren uit 2 SamuŽl 5:1-6:18 dat de ark van het verbond grote onrust en schade aanrichtte in het Filistijnse gebied. De Filistijnen beraadden zich erop en stuurden de ark terug naar IsraŽl, met een geschenk: een nieuwe, nog niet gebruikte ossenkar. Hun methode was een test, zodat zij er achter konden komen of JAHWEH achter de plagen zat die hen overkwamen. En het was een uitdrukking van eerbied, respect. De eerbied werd zichtbaar in de nieuwe kar, en in de erkenning dat een ware Godheid de kracht zou hebben om de natuurlijke instincten van levende schepselen te overheersen. Doordat zij de ark op deze manier terugstuurden, erkenden de Filistijnen hun onwetendheid over JAHWEH. IsraŽl ontving hem jubelend, maar de zonen van Jechonja keken in de ark, en God sloeg 70 man van die familie om hun oneerbiedigheid. De vreugde sloeg om in vrees en verdriet; de ark werd in het huis van Abinadab in Kirjat-Jearim geplaatst (1 SamuŽl 6:19-7:2).

Na de veldslagen die in 2 SamuŽl 5 staan, was David vastberaden om de ark van het verbond naar Jeruzalem te brengen. Opnieuw werd de ark op een nieuwe kar meegenomen. Het gebruik door IsraŽl van de ossenkar verraadde een opmerkelijk tekortkoming in hun erkennen van God. De ark werd begeleid door Ahio en Perez-Uzza. Toen zij de dorsvloer van Nachon naderden, werden de ossen ongedurig en werkten tegen. Op dat moment strekte Uzza zijn hand uit om de ark op zijn plaats te houden. God sloeg hem om zijn zorgeloosheid. Deze handeling toonde minder eerbied dan de Filistijnen, toen zij de kar onbeheerd achter lieten. De grote vreugde van het gebeuren veranderde in angst, en David was kwaad en vol vrees. De ark werd apart gezet in het huis van Obed-Edom, een Leviet (1 Kronieken 26:4-8), en het feestvierende volk ging vol verdriet naar huis (2 SamuŽl 6:1-10).

De taal van Psalm 78 is bijzonder als het gaat om deze gebeurtenissen. Deze Psalm bestrijkt een langere tijd. Zij geeft een kort overzicht van IsraŽls geschiedenis, en belicht die van een opvallende kant. Zij herinnert hoe God IsraŽl uit Egypte voerde met een machtige hand en hoe Hij vele volken voor hen verdreef. Toch bleef IsraŽl ontrouw en maakte JAHWEH jaloers. En wij lezen een ander perspectief:

"Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent waarin Hij woonde onder de mensen. Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de tegenstander"
(Psalm 78:60,61 , hSV)

Merk op, dat de nadruk niet ligt op Elohim (God) die IsraŽl verlaat. Elohim stuurt Zijn sterkte in ballingschap, en Zijn luister (schoonheid) in de hand van de vijand. IsraŽl bleef in hun land, en troon van God op aarde werd gevangen genomen. Waarom reageerde God op deze manier?

Naderen tot God

In de hitte van spanning, vrees en woede stelde David een extreem radicale vraag: ĎHoe kan de ark van JAHWEH tot mij komen?í (2 SamuŽl 6:9). Wat is zo ongewoon aan deze vraag? Het doel van religie is: aan de mensheid toegang tot de Godheid verschaffen. In dit opzicht leek de wet van Mozes erg op de religies van de natiŽn. In feite stelde Paulus het judaÔsme op ťťn lijn met de heidense religies, vanuit het oogpunt dat beide gebaseerd waren op de grondregels van de wereld (Galaten 4:1-11).

De toenadering tot God waarin door de wet werd voorzien, was erg moeilijk. Feesten en heilige dagen waren verplicht, tienden moesten betaald, offers moesten gebracht. Maar niets van dit alles bracht de aanbidder in de tegenwoordigheid van God. De ceremoniŽn en rituelen brachten de IsraŽliet tot de priesters, en van de priesters mocht slechts ťťn, de hogepriester, ťťn keer per jaar in de aanwezigheid van God komen. Dit deed de hogepriester ťťn keer per jaar. En dat met offers, belijden van zonden, gebed en vasten.

De ark van God was de tastbare zetel van Gods aanwezigheid in de heilige plaats. De ark fungeerde tegelijkertijd als de troon van God ťn als beschermdeksel (verzoendeksel). Boven de ark, tussen de cherubs, communiceerde en sprak God met IsraŽl. De ark is het voorwerp, dat het Ďheilige der heiligení heilig maakte. En in enorme spanning vroeg David niet hoe hij tot God kon naderen, niet hoe hij voldoende gereinigd kon zijn om voor God te kunnen verschijnen, maar hoe de zetel van Gods heilige aanwezigheid tot hťm kon komen! Volgens de wetten van religie draaide David het om. Maar Paulus draaide het ook om, en zo deed God het ook! Dank Hem!

ĎWant in genade, door geloof, zijn jullie geredden, en dat niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgaveí
(EfeziŽrs 2:8, CV)

Het is God die voorzien heeft in een naderingsgave Ė niemand anders. Wat een genade!

Parallellen

David bracht de kist (ark) naar Jeruzalem. De terugkeer van de kist (ark) van de Filistijnen komt in parallel heel nadrukkelijk terug in de Griekse Schrift door de gebeurtenis die Ďde triomfantelijke intochtí in Jeruzalem genoemd wordt. Toen Christus tot Zijn volk kwam was het priesterschap corrupt, zoals in de dagen van 1 en 2 SamuŽl. De kist (ark) werd op een nieuwe ossenkar geplaatst, een die nooit eerder gebruikt was, en Christus reed op de rug van een ezelsveulen waarop nooit eerder gereden was. Toen Christus kwam, werd Hij vol vreugde ontvangen en men riep: ĎHosanna!í, net zoals er vreugde was bij Beth-Sjemesj toen David Jeruzalem naderde. Maar de vreugde veranderde snel in smart en verdriet toen de zonen van Jechonja in de ark keken en gedood werden (Psalm 22:18) en Uzza stierf en Christus gekruisigd werd. God verliet de tabernakel in Silo Ė de tent die Hij gemaakt had om te midden van de mensen te verblijven (Johannes 1:14; Psalm 78:60).

God stuurde Zijn sterkte in ballingschap en Zijn luister (schoonheid) in de hand van de vijand (Psalm 22:1, 20; 78:61). Deze gebeurtenissen in SamuŽl spreken profetisch in typen van de verharding van IsraŽl en haar ter zijde stelling, toen de kist (ark) niet op de juiste plaats ontvangen werd, net zoals Christus niet als de Zoon van God welkom geheten werd.

Christus kwam zeer ootmoedig en nederig, in een gedaante zo anders dan die van een koning, en dat was voor IsraŽl een struikelblok. Zacharia profeteerde van deze vernedering en ootmoedigheid en het vredige karakter van het werk van Christus (Zacharia 9:9,10). Het is ook opvallend, dat de context, het verband waarin deze profetie staat (de verzen 5-10) de Filistijnen en de Jebusieten herhaaldelijk noemt, gezien het feit dat zij ook voorkomen in deze verbanden van SamuŽl waar over de komst van de ark naar IsraŽl gesproken wordt.

Met de komst van Christus openbaarde God zich aan de mensheid. Toch was deze komst zo anders dan wat de mensheid verwachtte, dat Christus niet (h)erkend werd. Men zag niet wie Hij in werkelijkheid was, en Zijn Vader werd niet in Hem (h)erkend. In Christus Jezus ontdekken wij de verkwikkende waarheid dat de glorieuze en majestueuze God, Die, gezeten in de hoogste hemelen, een Visser van mensen is, een zoekende Herder, en een geduldige en verlangende Vader van verloren zonen. God openbaart zichzelf in Christus, net zoals Zacharia profeteerde. Wat een genade!

Verlating

God verliet de tabernakel van Silo opdat de kist (ark) van het verbond de nabije volkeren onder ontzag en eerbied van JAHWEH zou brengen. God verliet Christus aan het kruis om een grote bevrijding voor heel de schepping tot stand te brengen, en om Christus uiteindelijk te verhogen. God zond IsraŽl in de Babylonische ballingschap, en Hij verliet de tabernakel van Silo (Jeremia 7:12,14; 26:6). God heeft de mensheid overgelaten aan de filosofieŽn en religies van demonen en van die mensheid; toch is dat tijdelijk en voorbereidend op de vreugde en de redding van de schepping wanneer haar reikhalzend verlangend uitzien naar de onthulling van de zonen van God vervuld is (Romeinen 8:18-21). Gods heerlijkheid verliet Jeruzalem in het visioen van EzechiŽl (EzechiŽl 11:22,23) voor een bepaalde tijd; de heerlijkheid van God zal terugkeren om te blijven (EzechiŽl 43:1-7). God verlaat opdat Hij later zou kunnen verhogen en zegenen.

De intocht tot stand gebracht

1 Kronieken 15 en 16 en Psalm 132 zouden bij 2 SamuŽl 6:11-19 gelezen moeten worden. David ging zich realiseren, dat de ark alleen door de Levieten gedragen kon worden (1 Kronieken 15:2) zoals God Mozes gezegd had (Numeri 4:15). De Levieten representeerden de eerstgeborenen van IsraŽl. De betekenis van deze symboliek is dat alleen de Eerstgeborene de aanwezigheid van God mag dragen. Christus is de Eerstgeborene van heel de schepping (Kolossenzen 1:15; Openbaring 3:14). En als Eerstgeborene uit de doden (Kolossenzen 1:18; Openbaring 1:5) is Hij ook de Eerstgeborene van een nieuwe schepping. Hij heeft het kwaad, verlossing en bevrijding ervaren. Zijn opstanding is de basis voor het feit, dat Hij Ďvoortgebrachte Zooní is, die de Eerstgeborene is (Handelingen 13:33; Psalm 2). Als Gods Eerstgeborene is alleen Christus het Kanaal waardoor de geest van God ontvangen kan worden.

ĎEn de redding is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij gered moeten worden.í
Handelingen 4:12

IsraŽl ervoer als type de gebondenheid van zonde en dood, verlossing, en bevrijding in de uittocht uit Egypte. Zij vertrokken uit Egypte, symbolisch als Gods eerstgeboren zoon (Exodus 4:22) om de wereld voor hen te overwinnen en de volheid van Gods beloften te genieten. Zo ook in de vervulling van deze dingen zal God de Zoon, de Eerstgeborene in de bewoonde aarde brengen, en dat in autoriteit en heerlijkheid (HebreeŽn 1:6). In de komende eonen zullen diegenen die typologisch als eerstgeborenen in Hem zijn (1 Thessalonicenzen 4:14; Romeinen 8:19), met Hem verbonden zijn. Zij zijn de eerstelingsvrucht, zij hebben de eersteling van de geest ontvangen (Romeinen 8:23). Dan zullen allen uiteindelijk tot onderschikking aan de Zoon gebracht worden (1 CorinthiŽrs 15:28), en allen zullen van harte belijden dat Jezus Christus Heer is, tot eer van God, de Vader (Filippenzen 2:11).

Het in ons wonen van de geest van God houdt in: Gods komst tot ons in vrede:

ĎWij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heer Jezus Christusí.
(Romeinen 5:1, hSV)

ĎBezit van vredeí is de betekenis van de naam Jeruzalem. Dus, voor de gelovige is Gods aanwezigheid ĎJeruzalem binnengegaaní toen wij eerst geloofden en Gods geest in ons kwam wonen. Het doel wordt daarna de groei in volwassenheid die voor ons nodig is:

Ďtotdat wij allen zouden komen tot de eenheid van het geloof en van de bewustwording van de zoon van God, tot gerijpt man, tot het formaat van het volgroeid zijn van het complement van de Christusí
(EfeziŽrs 4:13, CV)

Wanneer dit doel bereikt is, zullen wij waarachtig de Eerstgeborene in ons leven tonen. Zonder God ervaren wij een toestand die je kunt omschrijven als ĎIkabodí, of Ďde heerlijkheid is verdwenení Dit is net als de toestand van IsraŽl zonder kist (ark), en zoals het visioen van EzechiŽl, waar de heerlijkheid van God de tempel verliet.

ĎWant allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van Godí
(Romeinen 3:23, hSV)

Maar door het geloof van Christus Jezus Ďkunnen wij roemen in de verwachting van de heerlijkheid van Godí (Romeinen 5:2)

De dorsvloer

ĎHij die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben het niet waard Hem Zijn sandalen na te dragen. Hij zal u dopen met de heilige geest en met vuur. Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en Zijn tarwe in de schuur verzamelen en Hij zal het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.í
(MattheŁs 3:11,12, hSV)

Het doel van dorsen is: het wegnemen van het kaf van het graan. Dit proces wordt vergeleken met de reiniging van IsraŽl die moet plaatsvinden voordat zij hun Messias ontvangen, en voordat het koninkrijk op aarde gevestigd is. Het einde van deze huidige eon wordt met een oogst vergeleken (MattheŁs 13:39; Openbaring 14:14-16), en het dorsen volgt de analogie in de gerichten die nodig zijn om het koninkrijk op te richten. Johannes de doper profeteerde het. DaniŽls uitleg van de droom van Nebukadnezar gebruikte de dorsvloer om figuurlijk de verwoesting van de aardse koninkrijken te beschrijven toen zij verdwenen om door het koninkrijk van God vervangen te worden (DaniŽl 2:31-45). Maleachi profeteerde ook dezelfde dingen, in het bijzonder met betrekking tot het priesterschap maar hij vergeleek de gerichten met het louterende vuur dat metalen zuivert, en met de sterke zeep van een bleker (Maleachi 3:1-6).

Uzza in Nachon

Het slaan van Uzza op de dorsvloer van Nachon (2 SamuŽl 6:6,7) stelt voor ons, op typolo-gische wijze, de zuivering die IsraŽls ontvangst van haar Koning zal begeleiden. De naam Nachon betekent Ďvoorbereidí en voorafschaduwt het toebereiden van de weg van JAHWEH (Jesaja 40:3-5; MattheŁs 3:1-3; Maleachi 3:1, et cetera). Uzza betekent Ďkracht, sterkteí en ĎPerez-Uzzaí (2 SamuŽl 6:8) is de Ďbreukí of Ďbreken van sterkteí. IsraŽl zal zeker verbroken moeten worden (Jesaja 30:12-14; Jeremia 19:1-11), net zoals Gods sterkte, Jezus Christus, verlaten werd toen Zijn lichaam gebroken werd. Maar Gods sterkte zal terugkeren met kracht om de natiŽn te breken. Net als de gebroken muren van Jeruzalem zal IsraŽl herbouwd worden om sterk en gezond te zijn, en het installeren van Gods sterkte in de aarde.

Michal

Davids vrouw Michal, de dochter van Saul, verachtte David toen zij hem openlijk zag, dansend voor de Heer tijdens de viering (2 SamuŽl 6:20-23). Zij is de nakomeling van hij die het vlees representeert. Haar nijd en jaloezie representeert de gevoelens van de Joden ten opzichte van Christus. En haar kinderloosheid representeert het opzij zetten van het vleselijke IsraŽl.

J. Philip Scranton, UR XCIII , blz.279-287

   


© www.hetbestenieuws.nl