Controleer uw wapenrusting
9. Het grote schild van geloof
door Herman H. Rocke

- Het geestelijke kostuum van wapenrusting, zoals beschreven in Efeze 6:10-17, is ideaal voor het afweren van boze geesten. Deze wapenrusting van God is zů efficiŽnt dat het ons zal beschermen tegen de hogen en vermogenden onder de wereldmachten van deze duisternis. Daarom is het vanzelfsprekend dat deze wapenrusting een meer dan afdoende bescherming zal vormen tegen de aanvallen van welk soort van geestelijke krachten van boosaardigheid, demonen inbegrepen. (Het is interessant op te merken dat de meeste van de voorvallen van het Griekse woord daimonion in de verkleinende vorm zijn, wat schijnt aan te duiden dat demonen onder de zwakkeren in de geestenwereld zijn).

- Om deze reden zouden zij aan wie God enig begrip van het Efeze geheim (3:6; 4:3-6) heeft geschonken zich nooit zorgen moeten maken over de minste van onze geestelijke tegenstanders, maar zich veeleer bewust moeten zijn van de sluwheid van hen van hogere rang, want zij zijn de enigen die voortdurend pogen ons neer te halen van het hemelse gebied naar de lagere sfeer van zielse emoties en vrees.

JAAG GELOOF NA

- Wij weten echter dat de zielse mens niet die dingen kan ontvangen die van de geest van God zijn (1 Kor. 2:14). Maar aangezien God's geest z'n thuis in ons heeft gemaakt en wij dezelfde geest hebben die in Christus woont, is onze eigen geest leven vanwege rechtvaardigheid. De zielse mens kan zijn genoegen vinden in eten en drinken en emotionele pleziertjes, maar iedereen die voor Christus slaaft zal de nadruk leggen op rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in heilige geest, en zal consequent dat najagen wat naar vrede streeft, want de houding van de geest is leven en vrede (Rom. 8: 6,9,10; 14:17-19). Dit herinnert ons aan Paulus' oproep in 2 TimotheŁs 2:22: "...jaag rechtvaardigheid na, geloof, liefde en vrede met allen die de Heer aanroepen vanuit een rein hart" en in Efeze 6:16: "het deurvormig-schild van het geloof opnemend, waarmee jullie alle gloeiend gemaakt zijnde projectielen van de boosaardige kunnen uitdoven," want zonder geloof is het onmogelijk God een genoegen te doen (Hebr. 11:6).

WAT GELOOF IS

- Geloof begon toen we voor het eerst geloofden en we zullen doorgaan te geloven totdat we onze Heer in de lucht zullen ontmoeten, voorafgaand aan onze presentatie voor de dais. Alleen dan zal het geloof ten einde komen en zullen wij waarnemen wat we verwachtten en geloofden. Laten we nu proberen een paar aspecten van onze huidige verwachting te bespreken. Het is gebaseerd op geestelijke graantjes die we door middel van ons individuele geloof aanvaarden; we vinden ze bijvoorbeeld in Thessalonicenzen, Romeinen en EfeziŽrs. We zullen ook een blik werpen op de dais, waar we vrijgesproken zullen worden van ons gebrek aan geloof, alsook voor onze trouw. Wanneer we dat gedaan hebben zouden we beter toegerust zijn om tot een beter verstaan van Efeze 6:16 te komen: "in alles het deurvormig-schild van het geloof opnemend, waarmee jullie alle gloeiend gemaakt zijnde projectielen van de boosaardige kunnen uitdoven."

- Maar laten we, voordat we ons inschepen voor deze onderneming, eerst proberen te ontdekken wat HebreeŽn 11:1 betekent. Hier hebben we de goddelijke uitleg van de term "geloof." De King James vertaling heeft hier (in vertaling):

- "Geloof nu is de substantie van dingen waarop gehoopt wordt, het bewijs van dingen die niet gezien worden."

- De SchriftWoord vertaling, echter, heeft het volgende:

- "Geloof nu is de aanname van gehoopt wordende dingen, het tegenbewijs van het niet bekeken wordende" (SchriftWoord vertaling).

- Wanneer we de teksten van deze twee vertalingen vergelijken, zullen we direct moeten toegeven dat "geloof" noch de substantie noch het bewijs is van dingen waarop gehoopt wordt. Geloof is veeleer de overtuiging dat de dingen die we verwachten op een dag zullen materialiseren omdat God dit in Zijn Woord zegt. Wij hebben nu geen echt bewijs dat Zijn beloften waar zullen worden, buiten het feit om dat zo veel van Zijn beloften reeds vervuld zijn geworden. Maar waar het om het heden en de toekomst gaat is er op dit moment geen substantieel bewijs beschikbaar. Uw individuele geloof en ook het mijne, is alleen maar een aanname van wat wij verwachten. Ons door God gegeven geloof is een krachtige overtuiging aangaande zaken die nu nog niet waargenomen kunnen worden.

- Net als de gelovigen die in HebreeŽn 11 genoemd worden, zouden we in geloof kunnen sterven, onze eigen beloften ver voor ons uit ziende en niet ermee beloond wordend tijdens ons leven (Hebr. 11:13). Wij herinneren ons allemaal God's belofte aan Abraham toen Hij met hem een contract sloot en zei: "Aan jouw zaad geef Ik dit land, vanaf de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de rivier Eufraat"(Gen. 15:18). Daarom geloven wij dat heel dit gebied aan Israel toebehoort; en dat is nu geloof. Maar wanneer we naar de hedendaagse kaart van de nieuwe staat Israel kijken, dan zien we dat ze maar een klein deel van dat beloofde land bezit. Het is geloof aan te nemen dat God eens Zijn belofte zal waarmaken, ondanks de huidige politieke situatie, waar alles nog steeds tegen Israel is nu het in ongeloof is.

- Uit dit voorbeeld kunnen we opmaken dat geloof inderdaad een aanname is van dat wat verwacht wordt, een overtuiging aangaande zaken die nog niet waargenomen worden. Na onze ontmoeting met de Heer in de lucht zal geloof niet langer nodig zijn; dan zullen we voldoende substantieel bewijs hebben van wat we geloofd en verwacht hebben.

- Er is een twaalf pagina's lang artikel dat zich in Unsearchable Riches, jaargang 32, beginnend op pagina 113, bezighoudt met de termen "geestelijk" en "figuurlijk". We bevelen deze uiteenzetting aan iedereen die dit onderwerp wil bestuderen van harte aan. Het heeft een belangrijke betrekking op geloof zoals te zien is in het volgende citaat uit dit artikel.

HEBREEňN ELF VERS ……N

- Echt geloof is een aanname van wat verwacht wordt. Daarom wordt in de Schrift, speciaal in Paulus' brieven, over onze toekomstige verwachting gesproken als over een huidige of zelfs voorbije werkelijkheid. Dit is in het bijzonder het geval met betrekking tot opwekking en levendmaking, gewoonlijk opstanding genoemd. We werden zowel opgewekt als levend gemaakt in en samen met Christus (Efe. 2:5,6; Kol. 3:1). Deze zijn grote en schitterende werkelijkheden. Ook al zijn we nog niet echt opgewekt of levend gemaakt, we mogen het door geloof aannemen en onszelf ermee troosten. Ja, als we letterlijk onsterfelijk zouden zijn, dan zou er geen noodzaak voor waarschuwing nodig zijn, want we zouden onvermijdelijk gericht zijn op dat wat boven is.

WIJ NEMEN AAN WAT WE VERWACHTEN

- Het feit dat de letterlijke levendmaking in de toekomst zal uitlopen op smetteloos gedrag, absoluut God een genoegen doende, verklaart waarom het in een beeld wordt geÔntroduceerd om ons te voorzien van kracht voor hedendaags gedrag dat voor Hem aanvaardbaar is. Door geloof nemen we aan wat we verwachten (Hebr. 11:1), opdat we beslag kunnen leggen op aionisch leven en dat verwachten wat voor ons is, het genietend in verwachting. Net zoals de uiteindelijke levendmaking zal leiden tot een hemelse houding, want het zal ons geschikt maken voor die omgeving, zo zal de kennis die wij in dit leven hebben in Christus ons leiden dat te zoeken wat boven is, tijdens ons huidige leven op aarde. Deze kennis wordt zeer gezegend aan ons overgebracht in het beeld: in Christus. In Hem, bij Zijn levendmaking, werden zowel de Besnijdenis als de Onbesnedenheid van deze bedeling gezamenlijk levend gemaakt, met een blik op de goede werken die God voor ons tevoren had voorbereid om er in te wandelen.

GELOOF IN DE WERKING VAN GOD

- De woorden "Indien dan jullie samen werden gewekt met Christus"(Kol. 3;1) verwijzen duidelijk naar een eerdere soortgelijke uitspraak. Deze is te vinden in het voorafgaande hoofdstuk (2:12): "In Welke ook jullie samen werden gewekt door het geloof van de inwerking van God, Die Hem wekte vanuit de doden." Hier hebben we een heldere uitspraak dat dit opwekken niet een feit is, maar alleen tot ons komt door geloof. Als het feitelijk zou zijn voorgevallen, dan zouden deze woorden nooit nodig zijn geweest. Daarom is het helder dat Kolossenzen 3:1 ook naar een figuurlijke opwekking verwijst, in Christus, die letterlijk plaatsvond, toen Hij werd opgewekt, en vandaag, in onszelf, niet letterlijk waar is, maar alleen als een gevolg van ons geloof in Zijn opwekking.

GELOOF VERMIJDT ON-SCHRIFTUURLIJKE TERMEN

- De termen "geestelijk leven" en "fysiek leven" zijn niet-schriftuurlijk en ongezond, want zij veronderstellen dat er leven is buiten geest om. Het is voor ons niet gemakkelijk ze te mijden omdat we niet gewend zijn aan de taal van beelden die zo vrijelijk in de Schrift wordt gebruikt. Het is nodig dat wij breken met deze misleidende uitdrukkingen, want het is praktisch onmogelijk de waarheid over dood en leven te grijpen zolang we ze in huis houden. In mijn vroege studies was de absurditeit van "geestelijke dood" voor mij niet duidelijk. Maar toen leerde ik dat leven het product is van geest en dat dood te wijten is aan het gebrek aan geest. ... Het is waard op te merken dat de Schrift nooit de uitdrukking "geestelijk leven" gebruikt. ... We kunnen niet zeggen dat we "geestelijk" levend gemaakt zijn in Christus (Efe. 2:5), noch kunnen we zeggen dat onze lichamen nu "geestelijk" levend gemaakt zijn door God's geest die in ons woont (Rom. 8:11), zoals in contrast met onze toekomstige levendmaking, wanneer dat ook zijn mag, want dat moet noodzakelijkerwijs nog geestelijker zijn, want onze lichamen zullen dan geestelijk worden.

DE TOEKOMST ZAL GEEN GELOOF VEREISEN

- Het verschil tussen onze levendmaking in het verleden en die in de toekomst is niet dat de eerste geestelijk en de tweede ongeestelijk is, maar dat die in het verleden figuurlijk was en die in de toekomst letterlijk zal zijn. Die in het verleden is een zaak van geloof in de werking van God. Die in de toekomst zal geen geloof vereisen, want het zal een gezegende en heerlijke ervaring zijn, die heel ons wezen zal doen trillen van leven dat zo overvloedig en jubelend zal zijn dat onze harten zullen overstromen van dankzegging en lofprijzing aan God. Bovendien zal ons leven niet langer verborgen zijn, maar kenbaar voor heel de wereld. Dat is nu niet het geval. We wachten nog steeds op Christus. Wanneer Hij, Die ons leven is, bekend gemaakt zal worden, en niet eerder, zullen wij met Hem in heerlijkheid bekend gemaakt worden."

UW GELOOF IS UITGEKOMEN

- We hebben bij een eerdere gelegenheid al aangeduid dat alle zegeningen zelfs zonder onze eigen trouw of dienstbetoon de onze zijn, want het is in genade dat we gered zijn. Dit alles is aan ons gekanaliseerd door geloof, maar zelfs dit geloof is niet uit ons, het is God's geschenk, Zijn naderingsgeschenk waarmee Hij onze harten wint. Nogal wat dingen die over geloof te zeggen zijn zullen in Paulus' twee vroege brieven aan de Thessalonicenzen te vinden zijn. Zijn inleidende gebed in 1 Thess. 1:2-8 is zeker waard nagedaan te worden:

"Wij danken God altijd aangaande allen van jullie, gedachtenis van jullie makend in onze gebeden,
op ononderbroken wijze het werk herinnerend van het geloof van jullie en de moeite van de liefde en het verduren van de hoop van onze Heer Jezus Christus, vlak voor onze God en Vader,
jullie uitverkiezing waargenomen hebbend, broeders, geliefd zijnd door God,
dat het evangelie van onze God niet alleen tot jullie in woord was gekomen, maar ook in macht en in heilige geest en in veel volle zekerheid, zoals jullie waargenomen hebben wat wij waren geworden in jullie, vanwege jullie.
En jullie waren nabootsers van ons geworden en van de Heer, het woord ontvangend in veel verdrukking, met vreugde van heilige geest,
zodat jullie modellen worden voor allen die geloven in MacedoniŽ en in Achaje.
Want vanaf jullie heeft het woord van de Heer weerklonken. Niet alleen in MacedoniŽ en in Achaje, maar in elke plaats is jullie geloof, dat tot God is, uitgekomen, zodat er voor ons geen behoefte is iets te spreken."

GEBED EN DANKZEGGING

- We hebben eerder al aangeduid dat, terwijl we de wapenrusting van God aandoen, elke stap begeleid behoort te worden door gebed en dankzegging. De verzen waaruit we zojuist geciteerd hebben bevatten heerlijke uitspraken, woorden van geloof en ideaal onderwijs, die ons kunnen helpen bij het aanpassen en aanvullen van onze eigen verzoeken. Gebed maakt deel uit van onze dagelijkse dienst. Daarom is een dagelijkse inspanning nodig als we God een genoegen willen doen, als we imitatoren van Paulus en de Heer willen worden, levende modellen voor onze medegelovigen. Hier ligt een grote verantwoordelijkheid naar anderen die naar ons werk van geloof, ons zwoegen in liefde, onze volharding in verwachting, kijken met een blik op het naijveren er van, op voorwaarde echter dat onze liefde voldoende aantrekkelijk voor hen is.

- Vers vijf herinnert ons aan 1 Korinthe 2:4,5, waar Paulus het feit benadrukt dat "mijn woord en mijn proclamatie kwamen niet in overredende woorden van menselijke wijsheid, maar in betoning van geest en van macht, opdat het geloof van jullie niet zal zijn in de wijsheid van mensen, maar in de macht van God." Laten we niet vergeten dat "God, door de domheid van verkondiging, er een genoegen heeft hen te redden die geloven." En Hij heeft gezegd: "Ik zal de wijsheid van de wijzen verloren doen gaan en het inzicht van de intelligenten zal Ik afwijzen. Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de discussieerder van van deze aion? Maakt God de wijsheid van deze wereld niet dom?" (1 Kor. 1:19,20). Daarom, als we willen dat ons geloof in God duidelijk wordt voor anderen, zouden we nooit bezorgd moeten worden over ons gebrek aan initiatief of verstand; God heeft ze niet nodig! Zijn evangelie komt tot ons in de kracht van de heilige geest en in veel verzekering. Zelfs onder veel aanvechting zullen we het Woord van God ontvangen in geestelijke vreugde, tot verbazing van anderen die mogelijk geÔnteresseerd worden, eerst door onze houding en later door ons geloof in God.

- Vandaag nemen we het voor vanzelfsprekend aan dat ons geloof in God regelmatig wordt gevoed door woorden van geloof en ideaal onderwijs, zoals die voor ons beschikbaar zijn in het gedrukte Woord. Het is voor ons zeer moeilijk ons te herinneren dat er een tijd was dat het "Nieuwe Testament" nog niet geschreven was, dat zelfs niet ťťn van Paulus' brieven op papier was gezet. In die dagen was het geloof van de Thessalonicenzen gefundeerd op de oorspronkelijke boodschap van de apostel aan hen; hun geloof werd gevoed door wat zij zich herinnerden van Paulus' woorden die hij tijden drie sabbatten tot hen had gesproken in de Joodse synagoge van Thessalonica. In die tijd waren alleen een paar van de Joden in het publiek toebedeeld aan Paulus en Silas; maar een grote menigte van de eerbiedige Grieken, zowel mannen als vrouwen, geloofde. Dit was tijdens de eerste reis van de apostel naar Europa die zijn tweede zendingsreis was (Hand. 17:1-4). Maar de meerderheid van de Joden in Thessalonica was geweldadig tegen Paulus' onderwijs. Daarom moesten zij hun stad verlaten hoewel de jonge gelovigen nog maar pas het evangelie hadden ontvangen en het nodig was dat zij onderwezen en gevestigd zouden worden in hun geloof in God. Paulus was diep bezorgd over hen en probeerde twee maal naar hen terug te keren, maar werd verhinderd (1 Thess. 2:18). Daarom zond hij TimotheŁs, "God's dienaar in het evangelie van Christus," in zijn plaats om hen te vestigen en te troosten ten behoeve van hun geloof (3:2). Tegen de tijd dat zijn jonge assistent terugkeerde was de apostel al doorgegaan van Athene naar Korinthe. Nu was het Paulus die getroost werd door het geloof van de broeders in Thessalonica. TimotheŁs' verslag van de situatie onder de gelovigen in dit stad was inderdaad een goed bericht, een evangelie van het geloof en de liefde van de Thessalonicenzen (3:6,7). Hun geloof in God was naar buiten gekomen en ook hun liefde.

Door naar deel 10


Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.