Controleer uw wapenrusting
18. Alleen Christus in onze harten
door Herman H. Rocke

- De verwoording "elk gebed en verzoek," in Efeziërs 6:18, bracht ons er toe Paulus' gebedsgewoonten nauwkeruig te bezien. Zo'n studie zou niet compleet zijn zonder die woorden van gebed te overdenken die, tegelijkertijd, de hoge climax van deze brief zijn (Efe. 3:14-21).

- Na de presentatie van de drie aspecten van het Efeze-geheim, verwijst Paulus naar de Heer, "in Wie jullie ook samengebouwd worden tot woonplaats van God, in geest" (Efe. 2:22). De nadruk ligt hier op het woord jullie, meervoud, (lett. IN WIE EN JULLIE, JULLIE ZIJN SAMEN GEBOUWD). Paulus schrijft aan ons, gelovigen uit alle natiën, zoals hij eerder gedaan heeft (Efe. 1:13, 2:1; 11, 13, 19). De toestand in de tijd van zijn schrijven wordt nauwkeurig beschreven in jaargang 22, pagina 140, van dit magazine, waaruit we de volgende drie paragrafen citeren.

WIJ HEBBEN DEZELFDE GEEST ALS DE UITVERKORENEN IN ISRAEL

- God is een geest. Zij die met Hem verbonden zijn, zijn één geest. Hij is de Vader van geesten. Zijn familie is een geestelijke. Toen Israel Zijn geest verwierp en de natiën luisterden naar Zijn woord, ontvingen zij toen een andere of lagere geest dan de uitverkorenen in Israel? Zijn ontvingen dezelfde geest. Dit bracht hen in dezelfde geestelijke relatie met God als zij. Lichamelijke obstakels verhinderden tot heden de erkenning van deze grote waarheid. Nu die lichamelijke onderscheiden weg zijn, straalt het in al haar schittering. God is net zo goed onze Vader als Hij de hunne is!

-Nu er niet langer een tempel is in Jeruzalem, verblijft God in Zijn gelovigen, zowel individueel en als klasse. Daarom rijst de vraag opacity: Hebben wij in deze figuurlijke tempel net zo'n nauwe plaats als de Besnijdenis, of zijn zij het tempelgebouw en wij de buitenste hof? Het antwoord is te vinden in de zinsneden 'samenverbonden' en 'samengebouwd' (Efe. 2:21,22).

- Het woord 'samen,' in deze twee frasen, is hetzelfde als het woord 'gezamenlijk', of 'mede', in de verklaring van het Efezegeheim. Zij zijn bewerkingen van het derde thema er van, dat wij gezamenlijk deelnemers zijn. Zij verwijzen in het bijzonder naar het feit dat wij van gelijke rang zijn als de verkiezing uit Israel die tijdens deze huidige geheime bedeling geloven. De plaats die hen in deze tempel is toegewezen is de onze, net als het lotdeel dat in de eerste twaalf verzen van hoofdstuk één is beschreven het onze is, hoewel voornamelijk de hunne. De reden is dezelfde. We hebben dezelfde geest ontvangen.

VANWEGE DIT

-Om die reden (Efe. 3:1) staat Paulus op het punt voor ons, zijn lezers, te bidden dat ons kracht gegeven wordt de liefde van Christus te grijpen die onze kennis overstijgt. Maar voordat hij verder gaat met zijn gebed, geeft hij ons een samenvatting van de huidige waarheid. Deze twaalf verzen van het derde hoofdstuk van Efeziérs (van het tweede tot en met het dertiende) zijn de ware sleutel voor het correct verstaan van God's activiteiten tijdens de huidige geheime bedeling van Zijn genade. Onze kaart in hoofdstuk 13 geeft een overzicht van de eerste helft van Efeziërs waar de op God, Christus en de mensen gerichte aspecten door Romeinse getallen (I, II, III) zijn aangegeven en samengevat in 3:1-3.

- Om die reden hervat Paulus met dezelfde woorden zijn gebed na de onderbrekende tussenzin (3:2-13). Aangezien de identieke uitdrukking die in vers 1 werd gebruikt herhaald wordt in vers 14, de verbinding hier dezelfde als daar is, d.w.z. omdat jullie, de lezers, samen gebouwd zijn voor God's verblijfplaats, net als de tussenzin van de onderbreking van 3:2-13, wat anders kan Paulus doen dan voor ons te vragen onze kennis te verbreden?

- Het antwoord schijnt te zijn dat, aangezien geen ander deel van de Shrift zoveel vitale waarde voor gelovigen van vandaag heeft, wij het de plaats in onze harten en denken geven die het verdient, niet langer "opdat wij niet meer onmondigen zullen zijn, op en neer golvend en rondgedragen wordend in elke wind van onderwijzing, in de willekeur van de mensen in sluwheid naar de methode van de dwaling"(Efe. 4:14).

ONDERSCHIKKING AAN GOD'S WIL

- Het werkwoord 'buigen' (zoals bv. de knie) komt alleen in Paulus' geschriften voor en in de Septuagint waaruit hij citeert. In Romeinen 14:11 (alle knie zal buigen) hebben we een citaat uit Jesaja 45:23 (Septuagint); in Romeinen 11:4 (de knie niet buigen) uit 1 Koningen 19:18 (niet Septuagint). De zinsnede (de knie buigen) komt voor in 1 Kronieken 29:20, en in Filippenzen 2:10 (alle knie zou zich buigen). Daarom zou het gebruik van de zinsnede in Filippenzen 2:10 en Romeinen 14:11 meer licht laten schijnen over de betekenis er van in Efeze 3:14.

- We zullen, op dit punt, geen commentaar leveren op Paulus' houding in gebed, want dit was al gedaan bij het begin van deze serie over de wapenrusting (jaargang 51, paginas 33-37). De diepste houding van ons hart zou altijd moeten zijn alsof we onze knieën buigen voor de Vader van onze Heer Jezus Christus, want dit is de enige houding die ons past in de aanwezigheid van de grote Onderschikker, wanneer we vragen om zegen of Hem er voor danken. Het Hebreeuwse 'brk' betekent zowel knielen als zegenen, want deze behoren tezamen. Indien we Paulus' houding in gebed niet kunnen nadoen, kunnen we zeer wel zijn geestelijke houding imiteren. De hoogste vereiste voor vandaag is dat de Vader in geest en waarheid aanbeden wordt, en Hij zoekt ware aanbidders die voor beide gekwalificeerd zijn (Joh. 4:21-24). De dag zal komen wanneer alle intelligente wezens in de hemelen en op de Aarde met Hem samen zullen gaan om één harmonieuze familie te vormen.

GOD'S HEERLIJKHEID IS HET UNIVERSELE DOEL

- In A.E. Knoch's commentaar op dit gebed (jaargang 22) lezen we: "God's doel is pas bereikt als Hij de hartelijke aanbidding van al Zijn schepselen ontvangt. Hoe groot ook Zijn inspanningen ten behoeve van ons zijn, ze zijn slechts de middelen om Hem bekend te maken. Efeziërs vindt niet haar hoogtepunt in het geheim zelf, maar in dit gebed voor de waardering er van. Alleen kennis van het geheim is niet voldoende of bevredigend voor God, als het niet een harte-hongerige bezetting en genieten van de allesoverstijgende liefde van Christus omvat. Zelfs voordat dit geheim bekend werd gemaakt kon de apostel zeggen: "Indien ik alle geheimen zou kennen, maar ik de liefde niet had, zou ik niets zijn"(1Kor. 3;2). Niets heeft enige waarde als het niet tot liefde leidt. Het is de heerlijkheid van God's wijsheid dat alle dingen in het universum, inclusief zonde en haat, in de levering van liefde gelokt worden. Alles wat in Hem is zou een antwoord moeten vinden in Zijn schepselen. Er zou zo'n wederzijdse beantwoording moeten zijn in elke relatie van het leven als die heerlijk zal zijn voor beiden. Als Schepper zouden wij onze plaats als Zijn schepselen moeten innemen. Als Vader zouden wij Zijn geliefde zonen zijn. Hij is de Verzoener, wij de verzoenden. Hij is de Verlosser, wij de verlosten. Maar meer dan dit, ons is een plaats toegekend met Christus in Zijn werk van Hem onthullen aan de hemelse menigten. Het is alleen als wijzelf gevuld zijn met Zijn aanhankelijkheid dat het op anderen kan overvloeien."

IN OVEREENSTEMMING MET DE RIJKDOMMEN VAN ZIJN HEERLIJKHEID

- Geen brief in de Schrift is zo vol van harmonieën als Efeziérs. Er is een voortdurende verzekering dat elke fase van onze zegen in overeenstemming is met heel de rest. Ons zoonschap past bij het genoegen van Zijn wil (1:5). De vergeving van onze overtredingen wordt in de schaal gelegd om te harmoniëren met de rijkdommen van Zijn genade (1:7). Het geheim van Zijn wil is gelijkluidend met Zijn genoegen (1:9). Onze voorbestemming is in eenheid met Zijn doelstelling (3:7). Het inzicht van de hemelingen komt overeen met het doel van de aionen (3:11). Dus nu is kracht nodig die in harmonie zal zijn met Zijn heerlijke rijkdommen (3:16). Paulus bidt voor een kracht die overeen zal komen met de weelde van heerlijkheid die de onze is geworden door deze nieuwe onthulling.

ALLESOVERSTIJGING VAN GOD'S KRACHT VOOR DE INNERLIJKE MENS

- Onder verwijzing naar de "verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het gezicht van Jezus Christus," schrijft Paulus aan de Korinthiërs: "Vanuit duisternis zal licht schijnen,"Maar wij hebben deze schat in gebruiksvoorwerpen van aardewerk, opdat de overtreffendheid van de macht van God zal zijn en niet vanuit ons. In alles verdrukt wordend, maar niet in het nauw gebracht wordend; geen raad wetend, maar niet wanhopend; vervolgd wordend, maar niet in de steek gelaten wordend; neergeworpen wordend, maar niet verloren gaande ... Want het gebeurt alles vanwege jullie, opdat de genade - toenemend door de meerderen - overvloedig zou zijn in de dankzegging tot in de heerlijkheid van God. Daarom worden wij niet moedeloos! Maar indien ook onze uiterlijke mens wordt aangetast, toch wordt ons innerlijk van dag tot dag vernieuwd" (2 Kor. 4:6-9, 15,16).

- Wij worden herinnerd aan deze allesoverstijgende kracht van God voor het voortdurende vernieuwen van het denken van de gelovige (Rom. 12:2), wanneer we Paulus' gebed lezen, "om krachtig gemaakt te worden, door Zijn geest, in de binnenste mens." Het denken van de gelovige, hoewel het briljant kan zijn in andere gebieden van kennis, functioneert langs lijnen die door menselijke wijsheid worden geleerd en kan niet de aanvullende krachtige functie waarnemen in het vernieuwde denken van de gelovige die de geest ontvangen heeft die van God is. Dat is waarom we kunnen denken en spreken met woorden die door de geest worden onderwezen, zo begrijpelijk geestelijke zegeningen passend bij geestelijke woorden (1 Kor. 2:12,13).

- Op deze wijze verjongt God's kracht (of geest) de geest van het denken van de gelovige (Efe. 4:23) in een dagelijks proces, terwijl hij het opvoedt met de woorden van geloof en Paulus' ideale leer 91 Tim. 4:6). Ook al kunnen we niets uit onszelf kunnen doen, wij worden, toch, verondersteld samen te werken en gehoor te geven aan Paulus' oproepen "Waakt, sta stevig in het geloof! Weest mannelijk! Weest sterk! Laat al jullie daden gebeuren in liefde!" (1 Kor. 16:13,14).

VERBLIJFPLAATS, THUIS

- Wij herinneren ons de woorden van de Heer tot Zijn discipelen: "In het geval dat iemand Mij liefheeft zal hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en Wij zullen bij hem verblijf maken" (Joh. 14:23). Paulus herhaalt deze waarheid met soortgelijke woorden in Romeinen 8:9,10. "Maar jullie zijn niet in vlees, maar in geest, wanneer namelijk geest van God in jullie huist. Maar indien iemand niet geest van Christus heeft, dan is deze niet van Hem. Maar indien Christus in jullie is, dan is het lichaam inderdaad dood vanwege zonde, maar de geest is leven vanwege rechtvaardigheid."

- Toen Paulus zei: "wij hebben de geest van Christus"(1 Kor. 2:16) en "Levend in mij is Christus'(Gal. 2:20), wilde hij de waarheid benadrukken dat geestelijke belangen in het denken van de gelovige dienen om te bewijzen dat er een vitale eenheid is met Christus. Maar waar Christus is, daar is de geest van God, woning makend in het denken van de gelovige. Zo geeft God's geest (of de allesoverstijging van Zijn kracht) ons de macht over onze dode lichamen, terwijl Christus' geest ons eenheid met Hem geeft.

- God's geest is anders dan de menselijke geest van de gelovige in wie ze woning maakt. Ook al maakt God woning in hen die van Hem zijn, maakt dit feit hen niet één met God zoals zij één zijn met Christus. Het is Christus' geest die onlosmakelijk verbonden is met de geest van de gelovige; daarom worden zij één geestelijk organisme samen met Hem, want wij zijn alle één in Christus Jezus (Gal. 3:28).

GOD'S TEMPEL

- In onze relatie met God worden wij gezien als Zijn tempel, zowel individueel (als in 1 Kor. 3:16,17; 6:19; 2 Kor. 6:16) en collectief (zoals in Efe. 2:21, waar alle gelovigen uit het verleden, heden en toekomst, buiten hun bijzondere zegeningen of aionische privileges en bestemming, één familie vormen en gebouwd zijn op het fundament van de profeten van weleer en de apostelen van onze Heer). Aangezien God's tempel heilig is zijn wij dat ook. Aangezien het lichaam van de gelovige een tempel van Zijn heilige geest is, roept Paulus al zijn lezers op "Verheerlijk hoe dan ook God in jullie lichaam" (1 Kor. 6:20).

LEDEN VAN CHRISTUS

-In onze relatie met Christus worden we gezien als leden van Zijn geestelijke lichaam. Hij heeft ons in dit geestelijke organisme geplaatst zoals het Hem goeddunkt. Aangezien Hij het Hoofd is, is het onze taak en ons voorrecht om ten eerste Zijn hoofdschap te bevestigen en, als we dit doen, moeten we ook elke mede-lid in het geestelijk lichaam erkennen. Één zijnde in Hem "zouden we in liefde allen doen groeien in Hem Die het Hoofd is - Christus"(Efe. 4:15). Hieruit maken we op dat groei en onderschikking de gedachten zijn die verbonden zijn met Christus' hoofdschap over het lichaam.

ONS HOOFD, MIJN HEER

- Christus is ons Hoofd, maar niet het Hoofd van de individuele gelovige (behalve in het beeld van de ideale relatie tussen Christus en het mannelijk deel van de mensheid, en dat tussen man en vrouw). Christus' hoofdschap is samengesteld en omvat alle gelovigen in de huidige bedeling van genade.

- Christus is mijn Heer en als zodanig nodigt Hij mij persoonlijk uit waardig te wandelen naar de roeping waarmee ik geroepen werd en mijn dienstbetoon te vervullen die ik in de Heer aanvaardde (Kol. 4:17). Hij is de Heer van ieder van ons, maar Hij wordt nooit de Heer van het lichaam genoemd. Wij dienen Hem te gehoorzamen als onze Heer, ieder van ons persoonlijk, om te wandelen als een kind van het licht.

- Gezamenlijk dienen wij vast te houden aan Hem als het Hoofd van allen, om te kunnen groeien doorheen alle opneming van de geestelijke waarheden, zoals geleverd in God's Woord en uitgedeeld door onze leraren. Zo moet het "groeien in de groei van God' (Kol. 2:19), de opbouw van het geestelijk lichaam van Christus, in liefde uitgevoerd worden (Efe. 4:15,16).

DE ZOON VAN ZIJN LIEFDE

- Christus is niet alleen ons Hoofd en mijn Heer; Hij is bovenal de Zoon van God's liefde, het Beeld van de onzichtbare God, Die liefde is. En als zodanig weerspiegelt Hij God's liefde voor ons op zo'n manier dat wij de verschillende aspecten van de "kennis overstijgende liefde van Christus" kunnen vatten, terwijl Hij in onze harten verblijft (Efe. 3:17,19). Daarom vraagt Paulus om geestelijke kracht voor ons allen, dat wij mogen antwoorden op de waarheid die in deze brief wordt onthuld, kracht om het hoogste vertoon van God's genade en wijsheid toont, kracht om de liefde te begrijpen waaruit dit alles voortkomt en waarvoor dit alles werkzaam is. Natuurlijk is het essentieel dat wij God's genade in Christus Jezus begrijpen voordat we ten volle de kracht van Zijn enorme liefde kunnen ervaren. En dit kunnen we het beste realiseren wanneer we ze tentoongesteld vinden in de activiteiten van de Zoon van Zijn liefde.

DE TWEE EFEZE GEBEDEN

- Zowel in Efeziërs 1:15-19 en 3:14-21 bidt Paulus voor iets meer dan dat wat alle gelovigen al bezitten. Het eerste gebed was voor geestelijke kwaliteiten (geestelijke wijsheid, onthulling in de verwezenlijking van God) om ons in staat te stellen de drie aspecten van het Efeze geheim waar te nemen, zelfs de overstijgende grootheid van God's opstandingskracht voor ons die geloven.

- Het tweede gebed is voor geestelijke kracht opdat wij de kennis overstijgende liefde kunnen vatten die achter dit geheim zit. Hier vraagt Paulus dat "Christus verblijft in jullie harten, door geloof." De reden is dat alle gelovigen Christus in hun geest hebben, aangezien zij Zijn geest hebben en Hij in hen is. Maar niet alle gelovigen hebben Christus in hun hart, dat de zetel van aanhankelijkheid en liefde is. Als leden van Christus' geestelijk lichaam onderhouden wij allen een geestelijke eenheid met Hem, maar sommigen van ons hebben Hem niet heel de tijd in onze harten.

EEN AANVULLEND GEBED

- Het werkwoord in Efeze 3;17 (neer-huis) is sterker dan dat wat in Romeinen 8:11 (in-huis) gebruikt wordt, en dient om de gedachte aan permanent en voltijds verblijf over te brengen, en niet slechts gewoon in een huis zijn, tijdelijk of het delend met andere gasten.

- Aangezien het hart niet alleen de zetel van aanhankelijkheid en liefde is, maar ook van verlangen en denken, kan er ook ruimte zijn voor tijdelijk of zelfs permanent verblijf van verlangens en ideeën die vreemd zijn aan de geest van Zijn Zoon die God in onze harten delegeert (Gal. 4:6). Onder deze omstandigheden heeft een gelovige Christus in de geest van zijn denken, en heeft hij God's geest die in hem woning maakt, maar Christus verblijft nog niet in zijn hart. Vanwege de aanwezigheid van andere gasten in het hart kan Christus het niet helemaal bezetten, en er werkelijk in wonen. Hij moet het delen met die voorbijgaande gasten. Zij kunnen onze status in Christus niet veranderen, maar zij zullen onze gedachten en activiteiten beïnvloeden door een vreemde stoot geven aan onze motieven die niet overeenkomt met Christus' geest.

- Er is geen nobeler motief voor onze functies en verlangens dan de liefde van Christus die ons dringt of dwingt (2 Kor. 5:14). Laten wij, om andere motieven te vervangen en op te volgen, bidden voor zowel onszelf als voor de ecclesia, dat Christus, en Christus alleen, door geloof in onze harten moge verblijven, tot lof van de heerlijkheid van God!

Door naar deel 19


Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.