Controleer uw wapenrusting
13. Het gebied van geloof in EfeziŽrs
door Herman H. Rocke

- De eerste hint over hedendaagse waarheid kwam door de openbaring van een nieuwe verwachting in Thessalonicenzen en KorinthiŽrs, waar God het geheim van de opstanding bekend maakte - dat de doden in Christus en ook wij, de levenden, tegelijkertijd weggerukt zullen worden, samen, om de Heer in de lucht te ontmoeten (1 Thess. 4:13-18), en dat wij niet allemaal ter ruste gelegd zullen worden, maar allen zullen veranderen, in een ogenblik, in het blinken van een oog, bij de laatste bazuin (1 Kor. 15:51-53). In de voorafgaande verzen had Paulus gehint op een hemelse heerlijkheid die verschilt van de aardse, en gaf hij aan dat wij het beeld van de Hemelse zullen dragen, de verrezen Christus, aangezien vlees en bloed niet in staat zijn een lotdeel in het Koninkrijk van God te genieten (1 Kor. 15:35-50).

HET HEMELSE LOTDEEL

- De lezers van de brieven aan Thessaloniki konden de volle betekenis van de uitspraak niet bevatten. "En zo zullen we altijd samen met de Heer zijn!" Zij, en ook de KorinthiŽrs, wisten maar weinig over Christus' aardse heerlijkheden; zij waren zich slechts bewust van een fractie van de grote waarheid dat God heel het universum in Christus zal samenvatten. Zij wisten niet dat de Messias, zodra Israel verlost zal zijn, Hoofd zal zijn over heel de Aarde.

- Paulus en zijn broeders naar het vlees waren Israelieten en zouden een plaats gehad hebben in dit aardse Koninkrijk van de toekomst, wanneer de andere natiŽn vanuit Jeruzalem geregeerd zullen worden. In die dag, echter, kan geen enkele gelovige uit de natiŽn in de heersende klasse zijn, aangezien het Israel's exclusieve recht is om op Aarde gezag uit te oefenen. Het was voor Paulus en een uitverkoren overblijfsel uit Israel dat God hun lotdeel veranderde van Aarde naar de hemel. Hij Die alles doet medewerken in overeenstemming met de raad van Zijn wil had hen tevoren bestemd voor hemelse in plaats van aardse zegeningen en heerlijkheid. Nu kunnen we Paulus begrijpen wanneer hij schrijft: "Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons zegent met alle geestelijke zegen temidden van de hemelingen, in Christus." Deze hemelse verwachting, echter, was niet beperkt tot Paulus en zijn Joodse broeders die zijn onderwijs hadden ontvangen; er waren nog anderen met de apostel verbonden, zoals de Thessalonicenzen en KorinthiŽrs en andere niet-Joodse gelovigen die ook een voorverwachting in Christus hadden (Efe. 1:3,12).

DE HEMELSE VERWACHTING

- De term "voor-verwachtend in Christus" werd gebruikt om zowel de gelovigen Joden als de niet-Joden in te sluiten die de vroege openbaringen van de Thessalonicenzen en KorinthiŽrs brieven hadden ontvangen; beide groepen van gelovigen hadden een eerdere verwachting, zoals vergeleken met de latere verwachting van het aardse koninkrijk. Onze Here Jezus had geprofeteerd dat Zijn terugkeer naar de Aarde met kracht en veel heerlijkheid vooraf gegaan zou worden door grote verdrukking, zoals niet gebeurd was vanaf het begin van de wereld tot nu (Matt. 24:21,30). Maar Paulus ontving een speciaal woord van de verrezen Heer, dat Hij ons in de lucht zal ontmoeten om ons uit de komende verontwaardiging te redden. "want God plaatste ons niet tot in boosheid, maar tot in verwerving van redding door onze Heer, Jezus Christus, Die ten behoeve van ons stierf, opdat, hetzij wij zullen waken, hetzij wij zullen sluimeren, wij tegelijkertijd samen met Hem zouden leven"(1 Thess. 1:10; 5:9,10).

- Dit is de verwachting waaraan wij vasthouden. Ze zal vervuld worden op een vroegere datum dan de verwachting die verband houdt met Christus' aardse heerschappij in het Koninkrijk. Tussen de twee gebeurtenissen ligt de tijd van God's verontwaardiging en de grote verdrukking; ze scheidt onze eerdere verwachting af van de latere verwachting die alleen voor Israel is. Toen EfeziŽrs werd geschreven was onze hemelse verwachting het deel van Paulus en de gelovige Joden die met hem waren, zoals opgemaakt kan worden uit de bewoording van de introducerende verzen 3 t/m 12. Maar aangezien wij van de natiŽn, in het begin van vers 13, speciaal inbesloten zijn door de woorden "in wie ook jullie...," slaan de introducerende verzen ook op ons. Ook wij zijn voor-verwachtend in Christus en verzegeld met de heilige geest van belofte die een voorsmaak is, een voorbeeld en tegelijk een verzekering, dat wij allen (Joodse en niet-Joodse gelovigen samen) hetzelfde lotdeel temidden van de hemelingen zullen delen. Dit is het eerste onderdeel van de huidige geheime bedeling van God's genade, die we het op God gerichte aspect van het Efeze-geheim mogen noemen, om het zo te onderscheiden van de op Christus en mensen gerichte aspecten.

DE DRIE ASPECTEN VAN HET EFEZE-GEHEIM

- De begeleidende kaart van Efeze 1-3 is gebaseerd op de Skeleton Index van deze brief, zoals gepubliceerd in de Keyword Concordance bij de Concordant Version, pagina 341. De Romeinse I (op de kaart) geeft het op God gerichte aspect aan, II het op Christus gerichte, en III de menselijke zijde van het Efeze-geheim. Deze drie aspecten worden met enige lengte behandeld in de delen 1:3-4 (I), 1:20-2:10 (II) en 2:11-22 (III). Sectie 3:1-13 brengt een samenvatting, I plus II plus III, die gevolgd wordt door het twee Efeze gebed, 3:14-21. We vinden het eerste Efeze-gebed in sectie 1:15-19, waar de volgorde van de drie aspecten I, III, II is. Er zijn drie invoegingen in de eerste helft van EfeziŽrs; de eerste is een verwijzing naar het geheim van Christus, "in het kort," 1:8b-10; de tweede is een verwijzing van voorbije ervaring in het gebied van geloof ("de ogen van jullie hart zijn verlicht geworden"), 1:18a; en de derde invoeging is een andere verwijzing naar het geheim van Christus, 3:3b-5).

ONDERZOEK VAN DE EERSTE HELFT VAN EFEZIňRS

I. Het op God gerichte aspect van het Efeze-geheim:
Ons lot geworpen door God, 1:3-14.
Invoeging: Het geheim van Christus in het kort, "in alle wijsheid
en voorzichtigheid aan ons het geheim van Zijn wil bekend makend....
... om allen samen te vatten in Christus ... in de hemelen
en op de Aarde," 1:8b-10.
Eerste Efeze-gebed, 1:15-19. De verwachting van God's roepen.
III. De rijkdommen van de heerlijkheid van het genieten
van God's lotdeel temidden van de hemelingen II. De allesoverstijgende grootheid van God's opstandingskracht,
werkzaam in Christus en in ons terwijl we geloven.
Invoeging: Verwijzing naar voorbije ervaringen in ons gebied van
geloof: "de ogen van jullie hart zijn verlicht geworden," 1:18a.

II. Het op Christus gerichte aspect van het Efeze-geheim;
Onze gezamenlijke levendmaking, opwekking en zitten
in Christus temidden van de hemelingen, 1:20-2-10.

III. Het op de mens gerichte aspect van het Efeze-geheim:
Zowel Joodse als niet-Joodse gelovigen verzoend
in ťťn lichaam met God door het kruis, beide
toegang hebbend tot de Vader, beide gezamenlijk verbonden en
gebouwd voor God's verblijfplaats, in geest, 2:11-22.

Samenvatting van het Efeze-geheim, 3:1-13.
I. Gezamenlijke genieters van een lotdeel.
II. Een gezamenlijk lichaam.
III. Gezamenlijke deelnemers aan de belofte in Christus Jezus door
het evangelie waarvan Paulus de uitdeler was.
Invoeging: Het geheim van Christus "in overeenstemming met wat
ik eerder schreef, in het kort ... het geheim van Christus ... nu
onthuld aan Zijn heilige apostelen en profeten," 3:3b-5.
III. Tweede Efeze-gebed, 3:14-21.
Kracht voor het gezamenlijk grijpen van de dimensies van
het Efeze-geheim.

- Deze paar verzen (1:8b-10; 1:18a; 3:3b-5) zijn, uiteraard, essentiŽle onderdelen van de originele brief. Alleen in een onderzoek of kaart kunnen we ze "invoegingen" noemen om aan te geven dat zij verwijzen naar andere onderwerpen dan dat van het Efeze-geheim op zich.

- Tijdens de voorbije halve eeuw heeft dit magazine (U.R.) herhaaldelijk gedetailleerd materiaal gepubliceerd over de verschillende fasen van dit geheim, zoals te zien valt in de indexen op de jaargangen 1 t/m 50. De volgende citaten uit jaargang XVIII, paginas 18, 19 en 70-73, zullen dienen om de algemene trend van deze commentaren aan te tonen.

EFEZE DRIE ZES

- In geest zijn de natiŽn
   (I) gezamenlijk genieters van een lotdeel
  (II) een gezamenlijk lichaam
 (III) gezamenlijk deelnemers.

- De analyze van de Efezebrief laat zien dat 3:6 niet alleen een samenvatting van het geheim is, maar ook van de hele brief, die een uitgebreide uiteenzetting van het geheim is, onder deze drie verdelingen. Het gezamenlijk lotdeel van de natiŽn wordt in de eerste negentien verzen van het eerste hoofdstuk uiteen gezet en eindigt met het eerste Efeze-gebed. Het gezamenlijk lichaam bezet het volgende deel. Gezamenlijke deelname wordt in het laatste deel van het tweede hoofdstuk ontwikkeld, vanaf vers elf (Het tweede deel van de brief neemt deze drie onderwerpen ook ter hand, maar in omgekeerde volgorde).

- Men zal zien dat het merendeel van de brief zich bezig houdt met een ordelijke uiteenzetting van de drie aspecten van het geheim. Eerst hebben we de relatie er van met God in het hemels lotdeel, dan het verband er van met Christus, als gezamenlijke leden van Zijn lichaam, dan de verhouding er van met andere heiligen. Zo is de hele brief praktisch gewijd aan de taak van het verlichten van allen voor zover het deze geheime bedeling betreft.

- De King James vertaling geeft het (vertaald) weer als: "dat de heidenen hun mede-erfgenamen zouden zijn en van hetzelfde lichaam, en deelnemers van Zijn belofte in Christus door het evangelie." Deze losse parafrase is zeer te beklagen, want ze verbergt het geheim meer dan dat ze het onthult. De herzieners van 1611 begrepen het "mystery" niet, anders zouden ze nooit zo'n armzalige vertaling hebben gemaakt. In het origineel wordt het woord GEZAMENLIJK (Grieks "SUN") driemaal herhaald. Zij geven het ťťnmaal goed weer met "mede". Toch betekent het zeker niet "zelfde," omdat zij het vůůr "lichaam" hebben. Zij laten het de derde maal geheel weg.

- Dat de natiŽn hun erfgenamen zouden zijn, of beter lotdeelgenieters (genieters van God's lotdeel), was geen geheim. Lang daarvoor had Paulus dit aan de Romeinen geschreven. "Want jullie namen niet geest van slavernij in ontvangst, weer tot in vrees, maar jullie namen geest van zoonschap in ontvangst, in welke wij schreeuwen: ABBA, Vader! De geest zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. Indien echter kinderen, dan ook lotbezitters; inderdaad, lotbezitters van God en mede-lotbezitters van Christus. Wanneer wij namelijk samen lijden, dan is dat opdat wij ook samen verheerlijkt zouden worden." (Rom. 8:15-17). Op gelijke wijze vermaant hij de Galaten: "Nu dat jullie zonen zijn, delegeert God de geest van Zijn Zoon, tot in onze harten schreeuwend: "Abba! Vader!, 7 zodat jij niet meer slaaf bent, maar zoon. Indien echter zoon, dan ook lotbezitter van God door Christus!"(Gal. 4:6,7).

- Dat de heiligen onder de natiŽn leden van het lichaam van Christus waren was geen geheim, want er was geschreven: "Want net zoals wij in ťťn lichaam vele leden hebben, maar de leden niet alle dezelfde handeling hebben, zo zijn wij, de velen, ťťn lichaam in Christus, maar afzonderlijk, hoewel ťťn, leden van elkaar"(Rom. 12:4,5). En Paulus herhaalt aan de KorinthiŽrs: "Want net zoals het lichaam ťťn is en vele leden heeft, maar de leden van het ene lichaam, die vele zijn, ťťn lichaam zijn, zo ook de Christus. Want ook in ťťn geest worden wij allen tot in ťťn lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen worden wij ťťn geest te drinken gegeven"(1 Kor. 12:12,13). Ten tijde van Paulus' gevangenschap in Rome was het "ene lichaam" goed bekend.

- Dat de natiŽn door het evangelie deelnemers aan Zijn belofte in Christus Jezus waren was al vroeg in Paulus' bediening bekend gemaakt. Het is de last van de latere helft van het boek Handelingen. Schrijvend aan de Romeinse heiligen, sprekend van de bijdrage die op het punt stond genomen te worden voor de heiligen in Jeruzalem, verklaart Paulus: "Want zij hebben een welbehagen en zijn schuldenaars van hen, want indien de natiŽn deelnemen aan hun geestelijke dingen, zijn zij verschuldigd ook in de vleselijke dingen aan hen dienst te verrichten" (Rom. 15:27).

HET EFEZE GEHEIM

- Aangezien het Efeze-geheim duidelijk niet bestond uit het zijn van een "erfgenaam" of lotdeelgenieter (genieter van God's lotdeel), of in het lidmaatschap in het lichaam van Christus, of in deelname aan de belofte, waarin ligt het dan wel? Heel het punt en de kracht wordt gevonden in dat drie maal herhaalde woord GEZAMENLIJK. Het zit hem in het feit dat de natiŽn niet langer deze drie zegeningen onderschikt aan de Besnijdenis genoten. Het stelt hen op hetzelfde niveau, in dezelfde rang, met de begunstigde natie. Het maakt hen de gelijken van dat bevoorrechte volk.

- De natiŽn konden tevoren niet gezamenlijke lotdeelgenieters (gezamenlijke genieters van God's lotdeel) zijn, omdat het lotdeel in die tijd op de Aarde was en Israel moet daar de hoogste positie hebben. De natiŽn moeten altijd vervreemd zijn van het burgerschap van Israel (Efe. 2:12). Tot dan toe konden zij niet leden van een gezamenlijk lichaam zijn omdat de leden van verschillende rang waren, overeenkomend met ons fysieke lichaam (1 Kor. 12:21). Zolang de natiŽn met Israel op Aarde gezegend moesten worden, konden zij niet gezamenlijke deelnemers zijn. Zij konden alleen gasten zijn (Efe. 2:12). In die tijd was de Jood nog steeds de eerste en waren de natiŽn Israel's schuldenaren (Rom. 1:16; 2:9; 10; 15:27).

- Het Efeze-geheim onthult dat aan de natiŽn een lotdeel werd toegewezen, een lidmaatschap van een lichaam, en een partnerschap in de belofte die Paulus had gepredikt, alles in gelijke mate, in net zo'n hoge graad, en op elke manier hetzelfde als dat wat gegeven werd aan het overblijfsel van de Israelieten met wie zij verenigd werden. Dit is de boodschap van het kleine, maar nadrukkelijke "gezamenlijke."

- Elk van de drie ontvouwingen van het geheim houdt zich bezig met een andere relatie:

II - De op God gerichte kant wordt gezien in verband met het hemelse lotdeel.
Het houdt zich bezig met onze plaats in Zijn voorbestemming, Zijn doelstelling
en de raad van Zijn wil.
I - De op Christus gerichte kant komt ons voor in het handelen met het gezamenlijke lichaam,
waarvan Hij het Hoofd is.
III - De menselijke kant van het geheim wordt ontwikkeld in het handelen met onze
gezamenlijke deelname met de heiligen.

(I) GEZAMENLIJKE GENIETERS VAN GOD'S LOTDEEL

- Het op God gerichte aspect van het geheim komt eerst voor ons (Efe. 1:3-14). Het is verdeeld in twee grotere delen; in het eerste (1:3-12) wordt het lotdeel van Paulus en de Israelieten die met hem verbonden waren overgezet van de Aarde naar de hemel. Hun gezegend zijn is temidden van de hemelingen. Zij regeren niet op de Aarde, maar in het wijdere gebied van het universum. In het tweede deel (1:13,14) wordt aan de natiŽn ("ook jullie") hetzelfde lotdeel toegekend, omdat zij dezelfde geest hebben ontvangen en hetzelfde onderpand hebben. Daarom zijn zij gezamenlijke genieters van deze hemelse eren.

(II) HET GEZAMENLIJK LICHAAM

- Vervolgens wordt de op Christus gekeerde kant van het geheim ontwikkeld (Efe. 1:20-2:10). Eerst wordt aan Hem, als het Hoofd van het gehele universum, Zijn plaats boven allen gegeven. Dan wordt Zijn lichaam geÔntroduceerd als het universele complement. Israel zal Zijn instrument zijn in de verlossing van de Aarde. De ecclesia die Zijn lichaam is zal het hemelse gebied verzoenen. Zowel de Jood als de heiden zijn inbesloten wanneer Hij:
- ons samen levend maakt (2:5)
- ons samen opwekt (2:6) en
- ons samen doet zitten
temidden van de hemelingen, in Christus Jezus. Daarom zijn de leden allemaal van gelijke rang. Het is een gezamenlijk lichaam.

(III) GEZAMENLIJKE DEELNEMERS

- De menselijke kant van het geheim is de laatste die besproken wordt (Efe. 2:11-22). Het onderscheid tussen Israel en de natiŽn was een zaak van vlees, samengevat in de rite van de besnijdenis. Dit liet hen, zelfs nadat zij het evangelie geloofden, onverkiesbaar voor het burgerschap van Israel, slechts gasten van de verbonden, zonder verwachting of eigen God, voor zover het het vlees betrof. Maar nu zij gezamenlijke lotdeelgenieters en leden van een gezamenlijk lichaam zijn en al hun zegeningen geestelijk zijn, verdwijnen de vleselijke onvermogens. Als gevolg daarvan zijn zij mede-burgers en leden van God's familie en zijn ze samen gebouwd voor God's verblijfplaats, in geest (2:19-22).

- De tweede van de begeleidende kaarten dient om de aspecten aan te tonen waarnaar verwezen wordt door de verschillende sleutelwoorden en frasen, of zij nu uitwijden over onze relatie met God (I), met Christus (II) of elkaar (III). Op deze splitsing zullen we de drie korte invoegingen alsook het tweede Efeze-gebed weglaten. We zullen dit op een later moment ter hand nemen.

- In de tweede kaart wordt naar het deel 1:3-14 verwezen door de frase "ons lot is geworpen door God." Dit omvat alles wat God voor ons doet. Hij zegent ons met iedere geestelijke zegen temidden van de hemelingen, Hij koos ons in Christus vůůr de nederwerping van de wereld (voordat zonde bestond), Hij bestemde ons voor voor zoonschap, Hij begenadigt ons in Zijn geliefde Zoon, Hij stort de rijkdommen van Zijn genade over ons uit, Hij doet alles werken in overeenstemming met de raad van Zijn wil, met het doel voor ogen dat wij voor de lof van Zijn heerlijkheid zouden zijn, wij die een eerdere verwachting hebben in Christus.

DE DRIE ASPECTEN VAN HET EFEZE-GEHEIM

I - OP GOD GERICHT
ons lot geworpen
door God
1:3-14

II - OP CHRISTUS GERICHT
onze eenheid
met Christus
1:20-2:10

III - OP DE MENS GERICHT
onze deelname
met de heiligen
2:11-22

verwachting
van God's roeping
1:18

allesoverstijgende
grootheid van God's
opstandingskracht
voor Christus en voor ons
1:19

rijkdom van heerlijkheid
van het genieten
van God's lotdeel
3:6

het gezamenlijk lichaam
van Christus
3:6

alle heiligen
gezamenlijk deelnemers
van de belofte
3:6

- Het is dit op God gerichte aspect van het geheim dat Paulus in gedachten heeft wanneer hij, in het eerste Efeze-gebed, er naar verwijst met de woorden "de verwachting van Zijn roeping"(1:18). Aangezien het God was die ons lot wierp, is het vrijwel overbodig te zeggen dat het God's lotdeel is waarvan wij mede-genieters zijn, zoals aangegeven in de samenvatting (3:6).

- Het eerste Efeze-gebed eindigt met het op Christus gerichte aspect van het geheim, namelijk met een pleidooi voor het (h)erkennen van de allesoverstijgende grootheid van God's opstandingskracht voor ons (terwijl we geloven), die in overeenstemming is met God's machtige kracht, werkend in Christus (1:19). Dit wordt onmiddellijk gevolgd door sectie 1:20-2:10, verband houdend met onze eenheid met Christus. Zo leidt het laatste pleidooi van dit gebed regelrecht naar de uiteenzetting van het op Christus gerichte aspect, waar we Christus zien gezeten aan God's rechter hand, temidden van de hemelingen, boven alle soevereiniteit en gezag en kracht een heerschappij, en iedere naam die genoemd wordt.

- Christus' verhoging is een aanduiding en voorbeeld van God's kracht ten behoeve van hen die geloven. En Hij geeft de verrezen Christus als Hoofd over ons allen, de ecclesia die Zijn lichaam is. Maar als het Hoofd van het lichaam zo verhoogd wordt, dan moet dat ook met de leden zo gebeuren. En zo is het ook: God's opstandingskracht maakt ons gezamenlijk levend en wekt ons, in Christus, gezamenlijk op, en doet ons gezamenlijk zitten temidden van de hemelingen, op vrijwel dezelfde wijze als Christus. Dit is de volste uitdrukking van God's rijke mededogen, de hoogste onthulling van Zijn enorme liefde (1:2-23; 2:4-6). Dit is allemaal in beeld wanneer Paulus de samenvattende term "gezamenlijk lichaam" gebruikt in 3:6.

- Naar het op de mens gerichte aspect van het Efeze-geheim wordt verwezen in het tweede pleidooi van het gebed en heeft betrekking op de rijkdommen van de heerlijkheid van God's lotdeel temidden van de heiligen (1:18). De overeenkomende uiteenzetting over onze relaties met elkaar wordt gegeven in 2:11-22 waarvoor we de sleutelfrase "onze deelname met de heiligen" hebben gebruikt. Het is gebaseerd op het feit dat nu zowel de Joodse als de niet-Joodse gelovigen met God in ťťn lichaam verzoend zijn door het kruis. Allen hebben nu, in geest, toegang tot de Vader. Daarom zijn zij "gezamenlijke deelnemers van de belofte"(3:6).

- We kunnen aannemen dat de ontvangers van de rondzendbrief aan de EfeziŽrs noch onvolwassen noch ongeestelijk waren. Ze waren op de boodschap van deze brief voorbereid, want de ogen van hun harten waren voldoende verlicht geworden door eerdere openbaringen, op dezelfde manier waarop God in onze harten schijnt, met het oog op de verlichting van de kennis van Zijn heerlijkheid (Efe. 1:18a; 2 Kor. 4:6b). Maar aangezien er zoveel misleidende geesten in de wereld zijn, achtte Paulus het noodzakelijk voor zijn lezers te bidden dat hen een bijzondere geest van wijsheid en onthulling zou worden gegeven, zodat zij de drie aspecten van het Efeze-geheim konden waarnemen. Alle gelovigen van alle tijden hebben een mate van God's geest ontvangen; zonder deze speciale geest, echter, kunnen de rijke openbaringen van de Efezebrief en de twee andere gevangenisbrieven niet verstaan worden. Indien iemand zich het toppunt van goddelijke kennis, wijsheid en liefde niet bewust is, komt dat omdat deze speciale geest nog steeds ontbreekt. Daarom nodigen wij onze lezers uit zich bij Paulus te voegen bij het bidden voor een voller begrip van de roeping, het lotdeel en de kracht van God voor ons die geloven.

- Hem nu Die in staat is allesovertreffend te doen boven al wat wij vragen of begrijpen, naar de kracht die (reeds) in ons werkzaam is, aan Hem zij de heerlijkheid!

Door naar deel 14


Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.