Controleer uw wapenrusting
12. Het gebied van geloof vůůr Efeze
door Herman H. Rocke

-Wanneer Paulus in Efeze 6:16 spreekt van "het grote schild van geloof," gebruikt hij een heerlijke spraakfiguur die inderdaad al de verschillende aspecten van geloof bedekt die hij in gedachten had. Het bevel van de apostel om dit grote schild op te nemen houdt de noodzaak in van de uitoefening van individueel geloof en van het verbreden van het gebied van geloof in het algemeen. God is Degene Die in beide voorziet. Wij echter worden verondersteld van harte mee te werken, in individuele geloofsgehoorzaamheid alsook in de erkenning en verwezenlijking van de verschillende goddelijke waarheden die het hele gebied van geloof vormen, zoals we eerder in deze serie hebben gezien.

UW GELOOF BLOEIT

- De grote maat van ons schild is bedoeld om het feit te benadrukken dat het voldoende in omvang is om genoeg bescherming te geven tegen aanvallen van een vijand. Tegelijkertijd, echter, is de grote omvang er van een aanduiding van de weelde aan waarheden van alle geestelijke genades die Paulus met ons in zijn brieven wil delen. Zijn poging om de tekortkomingen van het gebied van genade van geloof van de Thessalonicenzen (1 Thess. 3:10) aan te passen wordt voortgezet in zijn tweede brief aan hen, die het onderscheid naar voren brengt tussen de razernij van de mens en de toorn van God. Tijdens deze geheime bedeling van genade hoeven gelovigen niet bang te zijn voor de vreselijke beproeving die spoedig over de Aarde zal komen.

- Daarom kan Paulus de Heer van onze redding uit de komende verontwaardiging loven wanneer hij schrijft: "Maar wij zijn verschuldigd God altijd te danken aangaande jullie, broeders, geliefd zijnd door de Heer, ziende dat God aan jullie vanaf het begin de voorkeur geeft tot redding, in heiliging van de geest en in geloof van de waarheid" (2 Thess. 2:13). De Besnijdenisgelovigen verwachtten de gruwelen van die dag te ervaren wanneer alleen zij die de voleinding doorstonden gered zouden worden (Matt. 24:13). Maar wanneer dit gebeurt zullen wij deze Aarde al verlaten hebben om de Heer in de lucht te ontmoeten, want Hij is onze Redder uit de komende verontwaardiging (1 Thess. 1:10; 4:17).

- De Thessalonicenzen ondergingen zulke vervolgingen en kwellingen die zij verkeerd inschatten als de kwellingen van de eindtijd. En sinds die tijd is zulk lijden het lot geweest van veel leden van de ecclesia. Hoe zwaar deze beproeving ook mochten en mogen zijn, zij worden veroorzaakt door mensen; ze zijn beslist niet een teken van God's toorn. Toen de Thessalonicenzen deze nieuwe waarheid aanvaardden, die in overeenstemming is met Zijn onverdunde genade, verbreedde (of bloeide op - lett. OVER-OPGROEIEN) hun gebied van geloof, zoals Paulus zegt in 1 Thess. 1:3. Daaraan toevoegend kon de apostel zich verheerlijken in hun [individuele] volharding en [individuele] geloof in alle vervolgingen en kwellingen (2 Thess. 1:3,4). Zulke beproevingen zijn gemakkelijker te dragen wanneer we elkaar troosten met de woorden van God, zoals die door Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:15-17 worden geciteerd. Deze verwachting van het ontmoeten van de Heer in de lucht was de basiswaarheid die bijdroeg aan het bloeien van het gebied van geloof van de Thessalonicenzen. Redding uit de komende verontwaardiging was de aanvullende waarheid.

- Wanneer we Paulus' boodschap aan de heiligen in Thessalonica kunnen geloven en de waarheden die in de twee brieven aan hen worden ontwikkeld op prijs stellen, zal onze aandacht niet langer op aardse gebeurtenissen gericht zijn, maar zal die veeleer getrokken worden naar dat wat boven is. In de twee brieven aan de Thessalonicenzen wordt alleen de algemene richting aangeduid, en die is naar boven, terwijl de details van onze toekomstige bestemming nog niet onthuld zijn. Voor de volgende stap moeten we ons keren tot Paulus' eerste brief aan de ecclesia in Korinthe - de plaats waarvandaan hij eerder de brieven aan de Thessalonicenzen had geschreven.

……N KORINTHE

- Het geheim van een leven dat God een genoegen doet zit 'm in de kruisiging van het vlees en de opstanding door de kracht van de geest, wat Paulus "wandelen in de nieuwheid van leven" noemt en "samen levend met Christus," of "leven voor God in Christus Jezus, onze Heer" (Rom. 6:4-11). De KorinthiŽrs waren er niet in geslaagd deze waarheden op prijs te stellen die een einde maken aan alle lichamelijke aanspraken. Sommigen van hen stelden dat er geen opstanding van de doden was, hoewel de opstanding van Christus fundamenteel is voor het evangelie en een absolute noodzaak voor een wandel die God een genoegen doet.

EEN EVANGELIE IN AANBETALINGEN

- Doorheen heel zijn loopbaan als leraar van de natiŽn was Paulus bezig geweest met tekortkomingen op het gebied van geloof, zoals hij die tegenkwam in Thessalonica en Korinthe. Een vriend vroeg om onze aandacht op een opmerkelijk kenmerk van deze ontvouwingen in de vroege brieven van de apostel die naar de huidige genade uitzien. Zij schijnen geschreven te zijn om aan een probleem tegemoet te komen, of een verlegenheid te verklaren. Het lijkt wel of deze onthullingen niet aan de orde waren tot de tijd dat Efeziťrs vanuit Rome werd geschreven. Daarom zouden ze een deel van EfeziŽrs gevormd hebben als de positie van de heiligen niet had gevraagd om een eerdere aanpassing van een paar van deze tekortkomingen van hen op het gebied van geloof.

- Het feit schijnt te zijn dat Paulus' evangelie aan de natiŽn bekend was gemaakt in het "aanbetalings plan," en dat tijdens deze periode het op zichzelf noodzakelijkerwijs incompleet en onvoltooid was. Het liet onopgeloste en onvolgroeide onthullingen achter. Toen de apostel zei dat het hem was toegestaan het Woord van God te completeren (Kol. 1:25), sloeg dit zowel op de Heilige Schrift in het algemeen, als op zijn eigen geschriften in het bijzonder. Dat de waarheid inderdaad in inzettingen was gegeven kan opgemaakt worden uit de volgende citaten uit Unsearchable Riches, jaargang XXXI, beginnend bij pagina 212, en jaargang XXVIII, pagina 21.

GEEN VERWACHTING IN HET VLEES

- In Thessalonica was het de dood van een paar onder hen die aanleiding gaf tot serieus denken over hun bestemming. Het lijkt er op dat zij van vanzelfsprekend verwachtten door de tijd van de verdrukking aan het einde heen te leven, en zonder te sterven in te gaan in het aardse koninkrijk. Zij waren niet proselieten die, vanwege hun besnijdenis, zouden verwachten met de heiligen in Israel opgewekt te worden. Zij hadden geen verwachting in het vlees (Efe. 2:12), noch werd hen er een gegeven. Ze zijn niet door enige lichamelijke rite met Israel verbonden. De levenden, die overleven tot de komst van de Heer, zouden zeer zeker niet hen achter zich laten die ter ruste zijn gelegd, want beide zullen gezamenlijk weggerukt worden wanneer de Heer neerdaalt uit de hemel naar de lucht, niet naar de Aarde (dat is een latere gebeurtenis).

- In Korinthe waren de vragen: Hoe worden de doden opgewekt en met welk lichaam komen zij? Deze kwamen zonder twijfel uit de Thessalonicenzen-onthulling. Indien er een wegrukking in de lucht is, dan moet die voorafgegaan zijn door de inrichting van onze lichamen, want zij zouden, zoals ze nu zijn, zulk een "wegrukking" niet kunnen doorstaan. Dit opende de weg naar nieuwe waarheid. Het lichaam van onze vernedering moet veranderd worden. Deze verandering is precies wat het hemelse lotdeel vraagt. Als het niet eerder was geschreven, dan zou het vijftiende hoofdstuk van 1 Korinthe een noodzakelijk deel geweest moeten zijn van EfeziŽrs.

- Opstanding, in de profeten en het onderwijs van onze Heer, is een terugkeer uit de dood naar leven op Aarde. Er is geen hint van een verandering in de constitutie van zelfs hen die levend gemaakt zullen worden, wat hen in staat zou stellen buiten de grond van de Aarde te leven, of de kracht van zwaartekracht te overwinnen die hen er aan gebonden houdt. Voor hen zou een aankondiging zoals die gemaakt wordt vooraan in Efeziťrs verbazing voortbrengen en consternatie, want er is geen mogelijkheid dat zij ze zouden genieten. Ze zouden nog meer verloren zijn dan als we een berg op de Maan zouden beŽrven, want dan zouden we tenminste een blik op ons lotdeel daar kunnen krijgen. Maar voor de Jood of heiden die in zijn hart de belofte gekoesterd had dat hij van de Aarde weggerukt zou worden om altijd samen met de Heer te zijn (1 Thess. 4:17) en die verwachtte dat zijn lichaam veranderd zou worden wanneer hij levend gemaakt zou worden van een ziels naar een geestelijk gestel en van een aards naar een hemels gestel (1 Kor. 15:44,49), voor zo iemand is het openingsdeel van EfeziŽrs het welkome antwoord op de verlangens die in hem geplant zijn door Paulus' evangelie.

- Bovendien wordt van het hemels lotdeel gezegd dat het is voor hen die verzegeld zijn met de heilige geest (Efe. 1:13). Dit was onder de zonen van het aardse koninkrijk nooit bekend. Paulus spreekt alleen tot hen die onder de kracht van zijn evangelie zijn en vertelt hen dat God's zegel op hen is. Zij zijn Zijn bijzondere en privť bezit. Hiernaast hebben zij de belofte van de geest, en dit is wat ook een belofte van het hemels lotdeel is (2 Kor. 1:22; Efe. 1:14; 4:30). Uit deze Schriftgedeelten zou het meer dan duidelijk moeten zijn dat EfeziŽrs geen belofte heeft voor iemand die niet de genade heeft ervaren die in Paulus' brieven is, geschreven voordat het Efeze-geheim bekend was gemaakt. Maar voor hen die Paulus' boodschap in hun harten meedroegen zou er een geweldige aantrekkingskracht zijn, want zij waren niet alleen gereed, maar ook hongerig naar de laatste inzetting, om de climax van de waarheid af te dekken die zij al aanvaard hadden.

CHRISTUS' HEERSCHAPPIJ OVER HET UNIVERSUM

- Onze relatie met Christus, als Zijn Lichaam, wordt voor het eerst in EfeziŽrs gevonden in verband met Zijn Hoofdschap over allen (Efe. 1:22,23). Wij zullen deel hebben aan Zijn heerschappij over het universum. Zo'n gedachte is geheel vreemd aan het Besnijdenis-evangelie. In het koninkrijk zullen de Israelieten zeker heersen, maar zelfs zij zouden niet zo'n voorrecht hebben temidden van de hemelingen. De heiligen uit de natiŽn, in het aardse koninkrijk, zullen geregeerd worden, niet regeren! Toch was het aan dezen dat Paulus al had geschreven: "Jullie, reeds oververzadigd zijnde, zijn reeds rijk, jullie zijn koning los van ons. En och, dat jullie zeker koning zijn, opdat ook wij samen met jullie koning zouden zijn!"(1 Kor. 4:8). Vanuit ons gezichtspunt zou het niet onmogelijk zijn dat de KorinthiŽrs zouden regeren. Maar over wie en waar zouden zij gezag kunnen uitoefenen? Op Aarde is dat recht exclusief voor Israel. Hun enige antwoord is dat wat we in EfeziŽrs vinden - niet op Aarde, maar in de hemelen. En Paulus' heersen met hen is alleen een andere aanduiding van het gezamenlijk lichaam.

- Aan deze zelfde KorinthiŽrs stelt Paulus de vraag (6:3): "Hebben jullie niet waargenomen dat wij boodschappers zullen oordelen?" In dit verband moeten de boodschappers hemelwezens zijn, zodat we daar, opnieuw, een aanduiding hebben, zeer buitengewoon voor die tijd, die regelrecht rijkt tot aan de Efeze-ontvouwing. Zelfs het voornaamwoord "wij", dat Paulus verbindt met de KorinthiŽrs in hemels regeren, is een heldere aanduiding van de genade die nog op hen lag te wachten, en die duidelijk, of van aangezicht tot aangezicht, in EfeziŽrs wordt onthuld.

GEZAMENLIJK GELOOF

- Gezamenlijke deelname aan de belofte komt duidelijk door het evangelie dat Paulus predikte, wat het was hij die de regel "alleen aan Joden" (Hand. 11:19) verbrak en een redding bracht "aan iedereen die gelooft - eerst aan de Jood en ook aan de Griek"(Rom. 1:16). Dit is de weg die in deze dag van genade leidt van het koninkrijksevangelie naar het ene geloof voor zowel de Besnijdenis als de Onbesnedenheid. Als Paulus naar een stad met een synagoge ging, of als zij hun bijeenkomsten elders hadden, ging hij eerst naar de Joden. Bij de afsluiting van zijn toespraak in het Pisidische AntiochiŽ zei hij: "Het was noodzakelijk dat eerst tot jullie het woord van God werd gesproken, daar immers zij Hem echter wegstoten. En jullie oordelen jezelf het aionische leven niet waardig. Neem waar, wij keren ons tot de natiŽn!"(Hand. 13:46). Dit is typerend. De Joden hadden voorrang in tijd en rang, maar de meesten van hen werden jaloers gemaakt (Deut. 32:21), zodat velen onder de natiŽn bereikt werden. In geest hadden beiden toegang tot de Vader, maar het vlees had nog een plaats, anders zou er geen verschil zijn geweest totdat Efeziťrs werd geschreven, dat het allemaal verspeelde.

- EfeziŽrs en haar begeleidende brieven zijn het rijpe fruit van Paulus' eerdere onthulling toen hij aan de natiŽn geschreven had in voorbereiding van de komende genade. Zo leidde hij de heiligen van heerlijkheid tot heerlijkheid, totdat de allerhoogste ontvouwingen werden bereikt in EfeziŽrs, Filippenzen en Kolossenzen. En zo is het vandaag. Er is geen manier om de hoogste pieken van openbaring te bereiken anders dan door Paulus' eerdere brieven. Zij zijn het enige kanaal.

GELOOF EN GENADE

- Paulus' eerdere brieven leggen het brede fundament van geloof en genade waarop de latere werden opgericht. Omdat deze alles wat van de mens is wegdoen, is er geen grens aan de gunst die God kan toedelen aan hen die gerechtvaardigd en verzoend zijn. Bovendien werden de KorinthiŽrs met nadruk verteld dat God iets had gereedgemaakt dat ver uitging boven de waarneming van het oog, oor en hart van de mens, voor hen die Hem liefhebben (1 Kor. 2:9). Niets kon meer suggestief zijn van de genade die in Paulus' latere brieven tot hen kwam.

WIJ VERWACHTEN EEN REDDER

- Thessalonicenzen noch KorinthiŽrs nam ons mee naar de hemelen of gaf ons een wettige residentie boven. Thessalonicenzen nam ons mee in de lucht en liet ons daar achter. 1 KorinthiŽrs gaf ons de hint dat er een hemels lichaam is (15:40), en voorzegde onze verandering. In EfeziŽrs hebben we de completering van deze onvoltooide ontvouwingen. We gaan de lucht in omdat dit de enige weg naar de hemelen is, waar we ons thuis hebben. Onze lichamen zullen niet alleen veranderd worden naar onsterfelijkheid en onvergankelijkheid, maar ze zullen omgevormd worden in overeenstemming met een hemelse bestemming. Er is geen punt van contrast in deze genadevolle blikken op onze toekomst. De ene stap leidt in perfecte volgorde tot de volgende. Elke verdere ontvouwing bevatte wat er aan vooraf was gegaan. Zoals al het andere ging onze gezegende verwachting van heerlijkheid tot heerlijkheid, elk grootser dan ervoor.

- Dezelfde Paulus die kon zeggen: "...wij die leven, die overleven tot in de aanwezigheid van de Heer" (1 Thess. 4:15), kon zeggen: "Wij zullen inderdaad niet allen ter ruste gelegd worden" (1 Kor. 15:51), is ook hij die in deze, zijn laatste onthulling, zegt: "vanuit waar ook wij de Redder afwachten, de Heer, Jezus Christus" (Filip. 3:20). Het ligt in het karakter van Redder dat Christus naar Zijn hemelse heiligen komt. Nu hebben we lichamen die onze hemelse bestemming geheel onwaardig zijn, sterfelijk, vergankelijk, vernederend. Deze kunnen we niet naar ons hemelse thuis meenemen zoals ze zijn, daarom zal Hij ze omvormen, zoals alleen Hij dat kan, Die het vermogen heeft heel het universum onder Zijn weldadige heerschappij te brengen.

EEN NIEUWE TOEVOEGING AAN HET GEBIED VAN GELOOF

- Na aan ons het universele Hoofdschap van Christus te hebben uiteengezet, begint de apostel een schitterend gebed voor ons die van de natiŽn zijn (Efe. 1:15-23). Dit nieuwe geloof, dat de natiŽn de gelijke van de Israelieten maakte in een lotdeel dat onuitsprekelijk hoger is dan dat wat zij op Aarde zullen hebben, vroeg om zijn dank en het speciale verzoek dat God, als de Heerlijke Vader, ons een geest van wijsheid en openbaring zal geven om het aan ons bekend te maken. Precies zoals de eerste hint van huidige genade kwam door de openbaring van een nieuwe verwachting, zo komt nu het eerste deel van het nieuwe geloof voor de natiŽn dat de apostel ons zou willen doen verstaan, de toekomst die voor ons ligt. Alleen in het licht van deze heerlijkheid kunnen we in staat gesteld worden ons de grandeur van onze roeping bewust te worden, want die is nu verborgen, totdat Christus verschijnt.

- Onvergankelijkheid, heerlijkheid, kracht - dat zijn de schitterende eigenschappen van het opstandingslichaam (1 Kor. 15:42,43). En hier in EfeziŽrs, waar we deze allerhoogste openbaring van ons toekomstige lot vinden, worden ze herhaald en verheerlijkt. Paulus bidt dat wij de rijkdommen van de heerlijkheid bewust mogen worden en de allesoverstijgende grootheid van de kracht die voor de gelovigen is. Onze lichamen worden gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid. Zo is ook ons huidig lot er een van vernedering. Maar ons toekomstig lotdeel zal niet alleen heerlijk zijn. Dat zou niet een te krachtige term zijn voor het lotdeel van Israel op de Aarde. Dat van ons zal het verre overtreffen. Wij zullen rijkdommen van heerlijkheid hebben. Zo is het ook met kracht. De kracht van de heiligen in het Koninkrijk zal inderdaad groot zijn, maar die van ons zal niet alleen groot zijn, maar allesoverstijgend groot.

- Het zou praktisch onmogelijk zijn een passend idee over te brengen van de kracht die de onze is, buiten het feit dat Christus ons al is voorgegaan. Zijn verhoging is een vertoon van de kracht die ons zal doen opstijgen naar het hemelse gebied. Het is voor het menselijk denken onmogelijk een vertoon van kracht in te denken dat superieur is aan die welke werkte in de Christus, Hem opwekkend uit de doden en Hem zettend aan God's rechterhand. Wie kon zwakker zijn dan de verachte Nazarener, gekruisigd, verlaten, dood? En wie, in heel het universum, is zo krachtig als de Uitvoerder van de Godheid? Er kan geen grotere som zijn dan het verschil tussen nul en oneindigheid, noch kan er een groter verschil in kracht zijn dan die tussen de dode Redder en onze verhoogde Heer. Toch is dit het enige voorbeeld dat adequaat een begrip overbrengt van de kracht die God zal gebruiken om de leden van het Lichaam van Zijn Christus te verhogen.

- Laten we niet het schitterende feit missen dat onze vernedering en verhoging beide onmisbaar zijn voor de heerlijkheid van onze God. De zekerheid en bevrediging die dit teweeg brengt zullen ons in staat stellen om veel vooruit te lopen op onze toekomstige heerlijkheid. God heeft ons neergeworpen ten behoeve van Zichzelf en zal ons om dezelfde reden verhogen. Hij koos Israel en verwierp hen en zal hen om wille van Zijn Naam verheerlijken. Maar hoe groot is de wijsheid die Hij tentoonspreidde bij het aannemen van hen die geen leden zijn van de uitverkoren natie, die geen vooruitzichten hadden, geen eigen beloften, en de plaats geven die allerhoogst is onder de hemelingen! Niet voor niets zullen wij veranderd worden van aardgebonden slaven van de grond naar vrije burgers van het hemelse gebied. Wij zijn de grootste prestatie van God's genade opdat wij het grootste vertoon van Zijn heerlijkheid zullen zijn.

GEZAMENLIJKE DEELNEMERS AAN DE BELOFTE

- Alle waarheid die we tot nu toe overwegen hebben, in Thessalonicenzen en in KorinthiŽrs, is nu de onze op gelijk niveau met de uitverkorenen van Israel. Dit is waarom de apostel ons gezamenlijke deelnemers aan de belofte in Christus Jezus noemt (Efe. 3:6). De belofte zelf is niet nieuw, zoals we gezien hebben, maar de gelijkheid in rang is dat wel. Tijdens deze geheime bedeling van genade is er voor de gelovigen maar ťťn geloof, of ze nu Joden of heidenen zijn. Beiden verwachten ze de Heer in de lucht te ontmoeten, voordat Hij naar beneden zal komen op de Olijfberg om het aardse Koninkrijk op te zetten. De eerdere verwachting is het uitzonderlijke karakter van het gezamenlijk geloof dat Paulus deelt met een paar van zijn Joodse broeders en die van de natiŽn. Dit wordt duidelijk uit de zorgvuldige bewoording in Efeze 1:12,13 - "die tevoren gehoopt hebben in de Christus,, in Wie jullie ook...".

VOOR ONS DIE GELOVEN

- Zoals we eerder al aangegeven hebben (jaargang LI, pagina 225), zal de allesoverstijgende grootheid van God's kracht voor ons die geloven, niet beperkt blijven tot onze letterlijke levendmaking in de opstanding. Deze kracht zal hetzelfde nu voor ons doen, in geest, zoals ze letterlijk deed voor de dode Jezus in de tombe, en zoals ze het letterlijk voor ons zal doen bij de opname. De allesoverstijgende grootheid van goddelijke kracht stelt ons in staat onze hemelse status te genieten, in geest, zelfs vandaag terwijl we nog steeds in dit lichaam van onze vernedering zijn. Daarom kunnen we met Paulus meedoen in de lof van God's heerlijkheid: "Deze nu, kunnend boven alle dingen te doen, overdadig boven al wat wij verzoeken of verstaan, overeenkomstig de macht die in ons inwerkt, Hem zij de heerlijkheid in de ekklesia en in Christus Jezus tot in alle generaties van de aion van de aionen. Amen!"(Efe. 3:20,21).

Door naar deel 13


Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.