Controleer uw wapenrusting
10. Het bereik van geloof verbreden
door Herman H. Rocke

- Wanneer we de vroegste brief van de apostel lezen die hij aan de heiligen in Thessalonica schreef, kunnen we zijn grote verlangen zien om door te gaan met het verbreden van het geloof van deze jonge gelovigen. Kijkend naar zijn commentaar op Timotheüs verslag was Paulus tevreden dat zijn zwoegen in die stad niet tevergeefs was geweest; nu wist hij van hun geloof (1 Thess. 3:1-8). Daarom wilde hij er geen kritiek op hebben als ware het onvoldoende in hoeveelheid. Hij zou bijvoorbeeld in het geheel geen reden hebben gehad om hen tekort aan geloof genoemd te hebben, en in feite gebruikt hij deze uitdrukking nooit.

GEBREK AAN GELOOF

- Het komt alleen voor in Mattheüs en in Lukas voor wanneer onze Heer Zijn kleine kuddetje wilde bemoedigen zich geen zorgen te maken over eten en drinken en waarmee zich te kleden (Matt. 6:30-34; Luk. 12:27-32), toen de discipelen op het meer bang waren door de storm te verdrinken (Matt. 8:23-26), toen Petrus aarzelde door te gaan met wandelen op het water (Matt. 14:31), toen de discipelen zich zorgen maakten over hun volgende maaltijd nadat de Heer 5.000 mensen had gevoed met vijf broden en weer 4.000 met zeven broden (Matt. 16:7-12), en toen de tekenen en wonderen (die de Koninkrijksproclamatie hadden vergezeld) geleidelijk aan verdwenen en de discipelen niet in staat waren de epileptische zoon te genezen (Matt. 17:14-20). Hier noemde de Heer hun ongeloof karig geloof. Al deze gebeurtenissen, echter, zijn relevant voor de Koninkijksproclamatie, en de term karig geloof wordt alleen gebruikt in verband met een bepaalde lichamelijke noodzaak, zoals we hebben gezien. Aangezien onze Heer de enige was die ooit deze twee termen die we nu bekijken gebruikte, volgt daaruit dat in die tijd niemand anders zich gerechtigd voelde dit te doen. Zelfs een man als Paulus, die onder genade was, zou niet durven zeggen dat iemand "karig geloof" had. Oordeel en kritiek op dit gebied zijn strikt voorbehouden aan de Heer (vergelijk 2 Tim. 2:19).

DE ONTOEREIKENDHEDEN VAN UW GELOOF

- Nu geven we toe dat Paulus iets anders in gedachten had toen hij schreef "Want welke dankzegging kunnen wij God terugbetalen aangaande jullie, voor al de vreugde met welke wij ons vanwege jullie verheugen, vlak voor onze God? Nacht en dag smeken wij meer dan overdadig jullie gezicht waar te nemen en de tekorten van jullie geloof toe te bereiden"(1 Thess. 3:9,10). De apostel denkt niet dat het geloof van de Thessalonicenzen te zwak is; het is veeleer het tekort in hun kennis van de waarheid waar hij naar wijst. Hij wil een nieuwe waarheid toevoegen aan hun geloofsbereik, zoals dat ontwikkeld wordt in 1 Thessalonicenzen 4:13-18, waar we lezen "Maar wij willen niet dat jullie onwetend zijn, broeders, aangaande die ter ruste liggen, opdat jullie niet bedroefd zullen zijn, zoals ook de overigen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven dat Jezus stierf en opstond, zo ook zal God die ter ruste gelegd worden door Jezus samen met Hem leiden. Want dit zeggen wij in een woord van de Heer, dat wij die leven, die overleven tot in de aanwezigheid van de Heer, niet die ter ruste gelegd worden zouden inhalen, omdat de Heer Zelf, met een commando, met de stem van de overste van de boodschappers en met de bazuin van God, zal neerdalen vanaf de hemel en de doden in Christus zullen eerst opstaan. Vervolgens zullen wij, die leven, die overleven, tegelijkertijd, samen met hen, weggegrist worden in wolken, in een ontmoeting met de Heer in de lucht. En zo zullen wij altijd samen met de Heer zijn. Daarom: bemoedig elkaar met deze woorden!"

HET KURAS VAN GELOOF EN LIEFDE AANDOEN

- Terwijl Paulus in Efeze 6:14 de term borstharnas gebruikt om de zekerheid te beschrijven die door rechtvaardigheid wordt geleverd, benut hij hetzelfde spraakfiguur in 1 Thessalonicenzen 5:8 om de algemene bescherming te benadrukken die op dit moment wordt gegeven door sober geloof en genadevolle liefde.

- Tijdens deze geheime bedeling van de genade van God (Efe. 3:2,9), ziet het ware geloof niet uit naar tekenen, maar gelooft het veeleer de goddelijke uitspraken zoals die in 1 Thessalonicenzen 4:13-18 worden gegeven. Genadevolle liefde kenmerkt al onze contacten met medeheiligen en medemensen, hen die over ons zijn aangesteld erkennend en geduldig hen verdragend die onder ons zijn. Alleen wanneer we stevig staan in het geloof en al onze daden laten gebeuren in liefde (1 Kor. 16:13-14), alleen dan kunnen we volledig de redding door onze Heer Jezus Christus genieten, Die ten behoeve van ons stierf, opdat, of we nu waken of sluimeren, we tegelijkertijd samen met Hem zouden leven, elkaar troostend met goddelijke uitspraken (zoals geciteerd in 1 Thessalonicenzen 4:17). En geloof en liefde zullen ons samen aanzetten de aanmoedigingen van de apostel te volgen, gegeven in 1 Thessalonicenzen 4:11,12.

SAMEN VERTROOST DOOR ELKAAR'S GELOOF

- Nadat Timotheüs naar de Thessalonicenzen was gezonden om hen te vestigen en troosten ten behoeve van hun geloof, en teruggekomen was, met zich het goede bericht van hun individuele geloof en liefde brengend, was de apostel door hun geloof vertroost en was hij in staat God voor hen te danken en Hem te smeken voor een gelegenheid om de tekorten in hun geloofsbereik aan te passen, zoals we al hebben gezien. Nu waren de Thessalonicenzen niet de enigen van wie het individuele geloof in God naar buiten was gekomen (over heel Macedonië en Achaje en overal). We vinden een soortgelijke lijn van denken in het eerste deel van Romeinen (1:8-12).

"Eerst dank ik inderdaad mijn God door Jezus Christus aangaande allen van jullie, dat het geloof van jullie in geheel de wereld wordt aangekondigd. Want God is mijn getuige, Die ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik op ononderbroken wijze gedachtenis van jullie maak, altijd smekend in mijn gebeden, indien ik, op de een of andere manier, eindelijk, eens voorspoedig gemaakt zal worden in de wil van God, om naar jullie toe te komen. Want ik verlang er naar jullie waar te nemen, opdat ik enige geestelijke genadegave aan jullie mee zal geven, opdat jullie standvastig gemaakt worden; dit nu is om samen bemoedigd te worden door elkaars geloof, zowel dat van jullie als dat van mij."

EEN GEESTELIJKE GENADE DELEN

- Wanneer we deze verzen in het eerste hoofdstuk van Romeinen vergelijken met de overeenkomende uitspraak in de eerste brief aan de Thessalonicenzen, zullen we vinden dat Paulus' taak van het "aanpassen van de onvolkomenheden" overeenkomt met wat in Romeinen 1:1 wordt beschreven als het "meegeven van enige geestelijke genadegave," namelijk genade waarvan zij nog niet gehoord hadden. Terwijl de Thessalonicenzen informatie nodig hadden over het ontmoeten van de Heer in de lucht, waren de Romeinen nog onwetend over rechtvaardiging, verzoening en God's soevereiniteit. Nu is het door de taak van hun individuele geloof in God en Zijn Woord dat deze geestelijke genadegaven ontvangen worden, zo het bereik van hun geloof wijder makend, zoals gezien kan worden in de volgende citaten uit Unsearchable Riches, jaargang 31, beginnend op pagina 139, jaargang 36, pagina 173 en jaargang 39, pagina 12.

DE TAAK VAN GELOOF

- Er is verondersteld dat geloof een taak van verdienste van onze kant is die rechtvaardiging verschaft, en dat allen die niet op deze wijze gehoorzamen het niet verdienen. Wat een travestie van de waarheid! Geloof heeft precies de tegenovergesteld taak. Omdat het geen verdienste heeft is het in deze bedeling van zuiverste en volste gunst de enige vereiste. Elke andere voorwaarde zou er mee in strijd zijn, maar geloof, dat geen verdiensten heeft, is in volledige harmonie met genade (Rom. 4:16). Zelfs geloofsgehoorzaamheid bestaat niet uit daden die gedaan worden om zo God's gaven te verdienen, maar is een beeld waarin de gehoorzaamheid aan God's wet tentoongespreid wordt door geloof in Zijn Woord. Geloof is slechts het kanaal waardoor genade werkzaam kan zijn. Het kan niet werken doorheen werken of door verworvenheden van welk soort dan ook. Deze kunnen alleen maar de gevolgen er van teniet doen.

- Geloof is het kanaal van rechtvaardiging en zou alle werken uitsluiten, maar in deze dagen is zelfs geloof gedegradeerd tot een daad van verdienste. Om het werkelijke karakter van genade te tonen en ook de betekenis waarin we er uitvallen, zouden we nauw het betoog van de apostel in Romeinen moeten volgen, in het bijzonder de verbazingwekkende vraag in het zesde hoofdstuk: "Zullen we dan verklaren dat wij in zonde volharden opdat genade zou toenemen?" Dat genade toeneemt door volharding in zonde is geheel tegengesteld aan de leer van het Christendom. Helaas, maar weinigen onder ons zijn in staat het werkelijk in onze dagelijkse levens te verwerkelijken, en als gevolg daarvan zoeken we nog steeds iets in onszelf en zijn we ontevreden met wat wij bereiken, en volharden we in feite in zonde, zonder het gevoel van genade dat ons van deze last zou moeten verlossen. Deze vraag trekt de sluier weg die tussen onze harten en genade is, en onthult het in al haar troostende en boeiende liefelijkheid. We denken dat zonde oordeel doet toenemen, en dat doet het ook voor de ongelovige, maar voor ons doet zonde genade toenemen. Dit is de grote bevrijdingsproclamatie die zo weinigen van ons ooit ter harte hebben genomen. In hun ervaring en realisatie en waardering waren de Galaten niet langer in genade, ziende dat zij probeerden eigen daden van verdienste toe te voegen aan de perfecte genade van God. Dit is vandaag bij bijna allen van ons het geval, maar het is een zonde, en daarom neemt van God's kant genade alleen maar toe, hoewel het aan onze kant ons berooft van God's gaven.

GELOOF IS HET KANAAL

- In Paulus' laatste en hoogste onthulling wordt een beroep gedaan op het feit dat redding is door geloof (Efe. 2:8), zoals verkondigd in Paulus' evangelie, en is in genade. Het punt is dat de voorwaarde voor redding die de onze is door geloof, buiten werken, ligt in de sfeer van genade; daarom werden we samen met de ontvangers van Paulus' evangelie uit de Besnijdenis levend gemaakt toen Christus levend werd gemaakt. Zo'n zegen kon niet tot enig sterfelijk wezen komen op grond van verworvenheid, maar "gerechtvaardigd door geloof ... hebben ook wij, door geloof, toegang in deze genade waarin wij staan" (Rom. 5:1,2). Dit wordt uitvergroot in een van de meest kostbare passages in de kostbare Efezebrief. "Want in de genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet vanuit jullie zelf; het is het naderingsgeschenk van God, niet vanuit werken, opdat niemand zich zou beroemen. Want wij zijn van Hem, een maaksel dat geschapen wordt in Christus Jezus voor goede werken die God van tevoren gereed maakt, opdat wij in hen zouden wandelen"(Efe. 2:8-10). Het toneel van onze redding is niet in onszelf of in onze daden, maar in de gunst van God. Hij is de Enige Die werkt en zelfs de goede werken voorbereidt die we zullen doen.

RECHTVAARDIGING DOOR GELOOF

- Abraham wordt aan ons voorgesteld als het grote voorbeeld van rechtvaardiging door geloof. In de brief aan de Romeinen, na aangetoond te hebben dat niemand de standaard van God's heerlijkheid haalt, maakt Paulus de fundamentele waarheid bekend van het evangelie van de Onbesnedenheid, dat rechtvaardiging is door genade om niet, door geloof (Rom. 3:22-26). Dan wijdt hij hierover uit en laat zien dat Abraham door geloof gerechtvaardigd werd voordat hij werd besneden. Laten we kort bekijken wat Paulus over deze grote genade onthult.
Om te beginnen vertelt hij ons dat zijn evangelie God's kracht is voor redding van iedereen die gelooft, omdat daarin God's rechtvaardigheid door geloof wordt onthuld (Rom. 1:16,17). Hier hebben we een geweldig contrast met vrijwel alle eerdere onthulling. Daarin worden we bezig gehouden met de rechtvaardigheid van de mens, of beter: onrechtvaardigheid, vanaf Adam, en speciaal nadat Israel de wet van Mozes was gegeven. Tot dan toe veroordeelde God's rechtvaardigheid de mens. Nu wordt het een deel van het evangelie gemaakt om hem te redden. Tevoren was de onthulling van Zijn recht tegen allen vanwege hun onrechtvaardige daden, nu is het op allen die geloven omdat het een gratis geschenk van genade is dat aan de mens wordt geschonken vanwege zijn geloof (Rom. 3:21-24). Tot dan toe had de mens geprobeerd door zijn daden zijn rechtvaardigheid te tonen, en faalde hij. Nu toont God Zijn rechtvaardigheid door hen die geloven te rechtvaardigen, en het is een ongehoord succes (Rom. 3:24-26).

DOOR HET GELOOF VAN CHRISTUS - VOOR ONS GELOOF

- Niemand zou natuurlijk God's rechtvaardigheid kunnen verkrijgen door middel van zijn daden. Op z'n best zou hij er een van zichzelf kunnen vestigen. Noch kan een mens zijn eigen rechtvaardigheid kunnen verkrijgen door te geloven. Het is God's rechtvaardigheid die door geloof de onze is. De Enige Die geen zonde kende werd ten behoeve van ons tot een zondoffer gemaakt opdat wij in Hem God's rechtvaardigheid zouden kunnen worden (2 Kor. 5:21). Het is een rechtvaardigheid van God doorheen het geloof van Christus, voor allen en op allen die geloven; het is uit Zijn geloof voor ons geloof (Rom. 1:17; 3:22). Daarom zegt Paulus: "en ik in Hem gevonden zal worden, niet mijn rechtvaardigheid hebbend, die vanuit wet, maar die door geloof van Christus, de rechtvaardigheid vanuit God, door het geloof" (Filip. 3:9).

GELOOFSRECHTVAARDIGHEID

- Waarom zou geloof tot rechtvaardigheid gerekend worden? Wat niet uit geloof is is zonde. Wat God zegt is allerhoogst waar, en het is een vergissing daarmee niet in te stemmen. Vertrouwen in God is het doel van alle menselijke ervaringen, samen met het wantrouwen in de mens. Bij de voleinding zal God Alles in allen worden en de mens niets in niemand. Wat in die richting leidt is in overeenstemming met God's doelstelling en wil. Wanneer God spreekt ligt, wat Hij ook zegt, het in vertrouwen en eenvormigheid met Zijn onthulling. Dit alleen zal ons leiden naar het universele doel. Daarom kan niets rechtvaardiger zijn dan geloof; het is niet alleen juist, maar geleidt de gelovige op juiste wijze langs het pad dat leidt naar het brood en de wijn van God, het leven en de vreugde die heel de schepping wacht bij de voleinding. Zij die geen geloof hebben kunnen niet anders dan van de weg afdwalen. Zij volgen valse paden die wegleiden van het doel. Zelfs zij die respectabel zijn en die niet weten van smerige zonden, zullen zonder geloof het pad missen. Het is onmogelijk recht te zijn tenzij we geloven wat God onthuld heeft; geloof wordt toegerekend voor rechtvaardigheid (Rom. 4:5,6).

GOD IS VERZOEND

- Hier is een evangelie dat we zonder reserve kunnen prediken. Het is echt goed nieuws. Het is waar, of het nu wel of niet wordt geaccepteerd, want het heeft twee graden: één voor de ongelovige en een toegevoegde voor de gelovige. God is met beide verzoend. De mens is alleen verzoend als hij gelooft. God verzoent nu de wereld niet, zoals de King James vertaling zegt. Veeleer verzoent Hij de wereld met Zichzelf (2 Kor. 5:19), en weigert er nu mee te vechten, maar zendt ons als ambassadeurs van vrede die weigeren de overtredingen van de mens tegen hen te houden. Zolang we hier zijn heeft God vrede met de wereld, hoezeer ze Hem ook beledigen en met Hem oorlog willen voeren. Vandaag slaagt het kruis er niet in de wereld te verzoenen, maar verzoent hen die de verzoening ontvangen.

AIONISCHE ZEGENINGEN ZIJN ALLEEN VOOR GELOOF

- Totdat we geloven zijn de aionische zegeningen op geen enkele wijze de onze door Christus' dood, want al wat Hij deed was ten behoeve van ons, niet in onze plaats. De aionische vruchten van Zijn offer zijn alleen voor geloof. Ná de aionen, dan, ja dan, zal de waarde van Zijn lijden en dood overvloeien op allen, want dan zal de verzoening heel het universum bereiken, alsook de hoge eren die de onze zijn met Christus in Zijn hemelse Koninkrijk.

Door naar deel 11


Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.