Israels grote opdracht

door
Clyde L. Pilkington Jr.

Mattheüs 28:16-20; Marcus 16:14-20; Lucas 24:45-48; Johannes 20:19-23; Handelingen 1:4-8.

De passages uit de Schrift die hierboven zijn aangegeven, worden in het Christendom meestal gezien als "De grote opdracht," "De taak van de kerk" en "De laatste woorden van de Redder." Geen van deze beschrijven de waarheid van deze Besnijdenis Opdracht, die aan Israel werd gegeven. De bijzonderheden van deze opdracht zijn strikt Joods van aard, zoals we zullen zien, en totaal onverenigbaar met het evangelie van Paulus.

Als gevolg van deze misvatting wordt veel van de leer van vandaag uit de "Grote Opdracht" gevormd rond de toepassing van een paar woorden uit Israels opdracht, zoals: "Ga," en "Zie, Ik ben met jullie alle dagen" uit Mattheüs, en "Heel de schepping" en "Heel de wereld" uit Marcus, enz.

Zulke boodschappen zijn gewoonlijk slechts devoot van aard en niet leerstellig. Het is misschien al lang geleden dat u een gedetailleerde uiteenzetting heeft gehoord over de bijzonderheden van deze opdracht. Het kan feitelijk zo zijn dat u nooit uitgebreid onderwijs over deze zaken heeft gehad, want de meeste tijd die geschonken wordt aan hun "verklaring" wordt gebruikt om delen er van weg te verklaren.

We willen zeer kort naar deze passages kijken, gebruik maken van de standaardmiddelen van juiste Schriftinterpretatie. Ik ben er zeker van dat de meeste van onze lezers er zich heel wel van bewust zijn dat de Bijbel niet een eigen interpretatie verkrijgt (2Petrus 1:20). We kunnen niet zomaar in een passage van de Schrift duiken, zonder de standaardprincipes te gebruiken. Deze principes, waarvan zelfs de gemiddelde student zich ten volle bewust zou moeten zijn, werden doorheen de eeuwen door de heiligen gebruikt.

Ik wil u slechts herinneren aan dat uitstekende voorbeeld van deze principes, zoals ze helder uiteen werden gezet in de zestiende eeuwse geschriften van Miles Coverdale (1488-1569).:

"Het zal u zeer helpen de Schrift te verstaan als u niet alleen let op wat is gesproken of geschreven, maar door en tot wie, met welke woorden, op welk moment, waar, met welke bedoeling, onder welke omstandigheden, overwegend wat er voor kwam en wat er volgde."

Het is niet ons verlangen in deze korte studie al deze principes te gebruiken, want enkele van de leringen van deze passages worden over het algemeen door velen ontvangen; maar er zijn een aantal van deze studieprincipes die lijken volkomen over het hoofd gezien te worden of veronachtzaamd.

Wie wordt er aangeschreven?

De meeste mensen begrijpen duidelijk wie er spreekt in de zogeheten "Grote Opdracht," maar het schijnt dat maar zeer weinigen weten tot wie Jezus eigenlijk spreekt. Dit is van het allergrootste belang bij het juist verstaan van de Schrift. Laten we de passage nauwkeurig lezen en zien wie er aangesproken werden:

"De elf discipelen nu gingen naar Galilea, op de berg waar Jezus zich bij hen voegt.
17 En Hem waarnemend, aanbidden zij, doch zij aarzelen.
18 En naderend spreekt Jezus tot hen, zeggend: "Mij werd gegeven alle gezag in de hemel en op de Aarde.
19 Gaande, dan, maakt alle natiën tot discipelen, hen dopend in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest,
20 hen lerend alles te houden wat Ik jullie gebied. En zie, Ik ben met jullie al de dagen, tot de afsluiting van de aion."

(Matt. 28:16-20;SW)
"14 En vervolgens werd Hij bij het aanliggen van de elf aan hen geopenbaard. En Hij berispt hun ongeloof en hun verharde hart, omdat zij hen die Hem opgewekt hadden gezien niet geloven.
15 En Hij zei tot hen: "Gaat in heel de wereld. Verkondigt het evangelie aan heel de schepping. "

Marc. 16:14,15;SW)
"Jullie zullen getuigen zijn van deze dingen."
(Luc. 24:48;SW)
"19 Het was dan de avond van die dag, de een van de de sabbatten en de deuren waren gesloten waar de discipelen waren, uit vrees voor de Joden. Jezus kwam en stond in hun midden en zegt tot hen: "Vrede met jullie!"
20 En dit zeggend, toont Hij hen de handen en de zijde. De discipelen dan waren verheugd, de Heer waarnemend.
21 Jezus dan zei opnieuw tot hen: "Vrede met jullie! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend Ik ook jullie.""

(Joh. 20:19-21;SW)

Het is duidelijk dat in ieder van deze passages de apostelen van Israel aanwezig zijn. Maar met welke regel van Schriftstudie leggen we deze passage dan uit als een "opdracht" voor iedereen, behalve voor hen tot wie ze werd uitgesproken?

Dit is dan ook onbetwistbaar niet onze "Grote Opdracht", maar veeleer de opdracht voor de apostelen van Israel. We kunnen ook opmerken dat het niet het laatste bevel van onze Heer is, want Hij sprak uit de hemel via Paulus, ons zo de GENADE opdracht gevend (zie 2Korinthe 5:14-21).

Wat wordt er gezegd?

Zoals al eerder gezegd, de "Grote Opdracht" wordt gewoonlijk devoot benaderd en niet leerstellig. Daarom is de inhoud verborgen voor de gemiddelde kerkganger. De omvang van deze studie laat ons niet toe een volledige studie over elke passage te maken, maar wat volgt zijn een paar van de secties, ter overdenking.

"hen lerend alles te houden wat Ik jullie gebied"
(Matt. 28:20;SW)

In de "Grote Opdracht" moesten de apostelen hun bekeerlingen ALLE geboden leren die Christus gaf terwijl Hij hier op Aarde was, opdat zij ze zouden houden. Eerlijke individuen, ook al zijn ze misleidt te geloven dat deze opdracht voor hen is, leren gewoonlijk anderen niet AL Christus' geboden te houden. Let op het volgende voorbeeld.

Christus gebood een totaal afzien van de lichamelijke en materiële zaken, zelfs tot het punt van kale bestaansminimum.

"Weest niet bezorgd om de ziel, wat jullie zullen eten, noch om het lichaam, wat jullie zullen aantrekken ... zoekt niet wat jullie zullen eten en wat jullie zullen drinken en weest niet in onzekerheid, ... Verkoopt jullie bezittingen en geeft aalmoezen."(Luc. 12:22-33;SW)
"Zo dan, ieder van jullie die niet afscheid neemt van al zijn bezittingen, kan niet Mijn discipel zijn."(Luc. 14:33;HBN - zie ook Matt. 6:19-34; 10:8-11; 19:21)

Jezus leerde Zijn Joodse volgelingen alles te verkopen dat ze bezaten, alles wegdoende, en niet te denken aan hun lichamelijk onderhoud. Dit is precies wat de twaalf apostelen deden! Zij lieten ALLES in de steek en volgden hun Heer.

"27 Dan, antwoordend, zei Petrus tot Hem: "Zie, wij verlaten alles en volgen U. Wat zullen wij dan zijn?"
28 En Jezus zei tot hen: "Amen! Ik zeg tot jullie, dat jullie, die Mij volgen, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mens zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, ook jullie zullen zitten op twaalf tronen, oordelend de twaalf stammen van Israel.
29 En iedereen die huizen of broers of zussen of vader of moeder of kinderen of velden verlaat omwille van Mijn Naam, zal honderdvoudig krijgen, en zal het lotdeel van aionisch leven genieten."

(Matt. 19:27-29;SW)

Kennelijk namen de twaalf apostelen de opdrachten van de Heer voor hen letterlijk. Het is ook duidelijk dat Hij het voor hen ook zo bedoelde. Onder Israels "Grote Opdracht" moesten de apostelen onderwijzen wat de Heer HEN had opgedragen. En dat deden ze dan ook.

"43 En er kwam vrees op iedere ziel, en vele wonderen en tekenen geschieden door de apostel
45 En het verkregene en de eigendommen deden zij weg en zij verdeelden ze onder allen die enige behoefte hadden."

(Hand. 2:43,45;SW)
"Maar Petrus zei: "Zilver en goud hoort mij niet toe, ..."
(Hand. 3:6;SW)
"want er was niemand arm onder hen, want alles wat behoorde aan verkrijgers van eigendommen of van huizen, brachten zij, verkopende, de prijs van het verkochte"
(Hand. 4:34;SW)
"...Barnabas ... verkoopt een veld dat hem toebehoort, brengt het geld en plaatst het aan de voeten van de apostelen."
(Hand. 4:36,37;SW)

Kan het duidelijker? Wat Jezus opdroeg, dat voerden de twaalf uit. Wat Jezus beval, onderwezen de twaalf onder de "Grote Opdracht" aan hun bekeerlingen. Wat Jezus beval, daar hielden de bekeerlingen van de "Grote Opdracht" zich aan.

Laten we nu de tegenstelling opmerken tussen de dingen die Jezus beval tijdens Zijn AARDSE onderwijsbediening en wat Hij later leerde in Zijn HEMELSE bediening, door Paulus. De Heer leert de leden van het Lichaam van Christus niet alles te verkopen dat we hebben, alles in de steek latend, en geen aandacht te schenken aan ons lichamelijk onderhoud.

"Maar indien iemand voor de haren, en speciaal familieleden, niet zorgt, dan heeft zij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige."
(1Tim. 5:8;SW)
"Want de kinderen horen niet te sparen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen"
(2Kor. 12:14;SW)

Zelfs in de passages in de Schrift waar de Here Jezus Christus ons via Paulus opdraagt te geven, draagt Hij ons NIET op alles wat we hebben te verkopen, maar dat wij een juiste houding hebben ten opzichte van materieel bezit, en goed gebruik te maken van onze bronnen (zie ook 1Tim. 6:17-19).

Dit alles is slechts één voorbeeld van wat Jezus opdroeg tijdens Zijn AARDSE onderwijsbediening aan Israel (toen Hij "dienaar van de besnedenen" was - Rom. 15:8). Al Christus' aardse bevelen aan Israel werden inbegrepen in de "Grote Opdracht".

Welk evangelie werd er gebracht?

"Verkondigt het evangelie .."
(Marc. 16:15;SW)

Welk "evangelie" werd Israels apostelen opgedragen te verkondigen? Er zijn feitelijk een aantal evangeliën in de Schrift: "het evangelie van het Koninkrijk van de Hemelen", "het evangelie van de Besnijdenis", "het evangelie van de Onbesnedenheid", "het aionische evangelie", "het evangelie van de genade van God", enz.

Het evangelie dat in de "Grote Opdracht" wordt genoemd, wordt simpelweg aangeduid met "het evangelie", daarmee aantonend dat het al eerder in de zogeheten "Evangeliën" (Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes) werd gedefinieerd.

Dit "evangelie" kan niet "het evangelie van de genade van God" zijn, dat pas later onthuld werd en toevertrouwd aan Paulus (vandaar "mijn evangelie" – Rom. 2:16; 16:25-26; 2 Tim. 2:8), want het was op dat moment nog verborgen.

Door verdere studie zal men leren dat "het evangelie" van de "Grote Opdracht" duidelijk Israels "evangelie van het Koninkrijk" is (Matt. 4.23; 9:35; Marc. 1.14). Het is het "goede nieuws" van de komst van hun geprofeteerde, letterlijke, aardse koninkrijk. Dit evangelie, dat tijdens deze tijd terzijde is gesteld, zal op een dag opnieuw door Israel gepredikt worden, nadat de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan (Matt. 24.14).

Paulus preekte niet wat "de twaalf" leerden. Hij preekte het evangelie van de genade van God.

"Maar met geen woord maak ik de ziel kostbaar voor mijzelf, zo mijn loopbaan en de bediening te volmaken, die ik kreeg van de Heer Jezus, om het evangelie van de genade van God te betuigen"
(Hand. 20:24;SW)

Het evangelie dat aan Paulus werd toevertrouwd, kwam niet uit hemzelf of van anderen; het werd hem gegeven door goddelijke onthulling.

"11 Want ik maak jullie het evangelie bekend, broeders, het evangelie door mij gebracht, dat het niet is naar de mens,
12 want ook ontving ik het niet van een mens, noch werd het mij geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus."

(Gal. 1:11,12;SW)

Dit was zo'n nieuwe boodschap, dat Paulus een reis naar Jeruzalem moest maken om aan de twaalf apostelen te vertellen over deze hemelse onthulling.

"2 En ik ging op volgens een openbaring en ik legde hen het evangelie voor dat ik verkondig in de natiën, maar afzonderlijk aan de aanzienlijken, opdat ik niet voor niets zou rennen of had gelopen.
3 Maar zelfs Titus, die samen met mij is, Griek zijnde, werd niet gedwongen besneden te worden.
4 Doch het was vanwege de binnen gesmokkelde valse broeders, die binnen geslopen waren om onze vrijheid te bespieden die wij hebben in Christus Jezus, opdat zij ons tot slavernij zouden brengen,
5 voor hen simuleren wij zelfs geen uur van onderschikking, opdat de waarheid van het evangelie voort zou blijven bestaan bij jullie,
6 en van degenen die de reputatie hebben iets te zijn. Wat zij eens waren, niets daarvan is voor mij van belang; God ziet niet naar het gezicht van de mens, want mij legden de aanzienlijken niets op.
7 Maar integendeel: waarnemende dat mij het evangelie van de onbesnijdenis was toevertrouwd, net zoals Petrus van de besnijdenis"

(Gal. 2:2-7;SW)

Paulus noemde zijn nieuwe evangelie: "het evangelie van de onbesnijdenis". Hij noemde het nadrukkelijk zijn evangelie: "mijn evangelie."

"in de dag waarin God het verborgene van de mensen zal oordelen, naar mijn evangelie, door Jezus Christus"
(Rom. 2.16;SW)
"De bij machte Zijnde jullie te versterken naar mijn evangelie en de verkondiging van Jezus Christus, naar de onthulling van het geheim, tijdens de aionische tijden verzwegen"
(Rom. 16:25;SW)
"Herinner je Jezus Christus, opgewekt zijnd uit de doden, uit het zaad van David, naar mijn evangelie"
(2Tim. 2:8;SW)

Dit was een nieuw bericht, dat in voorgaande eeuwen verborgen was gehouden.

"De bij machte Zijnde jullie te versterken naar mijn evangelie en de verkondiging van Jezus Christus, naar de onthulling van het geheim, tijdens de aionische tijden verzwegen"
(Rom. 16:25;SW)

Daarom was Paulus' evangelie een evangelie dat niet deel uitmaakte van Israels "Grote Opdracht".

Doop en redding.

"Die gelooft en gedoopt is zal gered worden, doch de ongelovige* zal veroordeeld worden."
(Marc. 16:16;SW)

Kan het nog duidelijker? In het evangelie van de "Grote Opdracht" was de doop essentieel voor Israels redding uit dat "verkeerde geslacht" (Hand. 2:38-40).

Israels doopredding is ook te vinden in Johannes de Doper's boodschap:

"was Johannes de Doper in de wildernis en verkondigt de doop van bekering tot vergeving van zonden."
Marc. 1:4;SW)

`Petrus begreep heel goed wat de "Grote Opdracht" zei, want de waterdoop voor redding was precies wat hij op de Pinksterdag predikte.

"En Petrus verklaarde tegen hen: Bekeer je en laat je dopen, ieder van jullie, in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van jullie zonden en jullie zullen ontvangen het geschenk van de heilige geest"
(Hand. 2:38;SW)

Vanwege de problemen die veel predikers hebben bij hun pogen om Israels "Grote Opdracht" de onze te maken, moeten zij beginnen de tekst te wijzigen. Dit houdt in dat men bepaalde woorden in een paar van de andere passages moet veranderen of wegredeneren.

Paulus, onze apostel, echter functioneerde onder een totaal andere opdracht. Anders dan Israels twaalf apostelen, zond onze Here Jezus Christus hem niet om te dopen. Luister naar deze heldere woorden:

"want Christus zendt mij niet om te dopen, maar om te evangeliseren,..."
(1Kor. 1:17;SW)

In plaats van de waterdoop hield de onthulling van Jezus Christus die aan Paulus werd toevertrouwd, de "ene doop" in (Efe. 4:5) van het geplaatst zijn in het "ene lichaam"(1Kor. 12.13). Dit "ene lichaam" is Christus (Rom. 6:3; Gal. 3.27), ofwel het Lichaam van Christus. Dit is een geestelijke doop en niet een lichamelijke. Het is een "werking" die door God wordt verricht (Kol. 2.12), en niet een voorschrift dat door mensen wordt uitgevoerd.

Wonderlijke tekenen.

"En tekenen zullen dezen ten volle volgen die geloven..."(Marc. 16:17;SW)

Opnieuw zijn de woorden van de "Grote Opdracht" onmiskenbaar. Tekenen zouden deze Joodse gelovigen navolgen. Het is niet dat zij ze konden volgen, maar ze zullen volgen.

De Bijbel is uitdrukkelijk in de leer dat wonderlijke tekenen voor Israel waren.

"in feite verlangen Joden tekenen"
(1Kor. 1:22;SW)

De tekenen hoorden bij Israel en bij hun land.

"Wij zien onze tekenen niet"
(Psalm 74:9;SV)
"tot tekenen en tot wonderen in Israel,"
(Jes. 8:18;SV)

Verwijzingen naar tekenen in de Schrift zijn altijd te vinden in een Joodse setting. De eerste vermelding van wonderlijke tekenen zou iedere student van de Schrift een duidelijke boodschap geven over de relatie er van met Israel (Exodus 4:8).

De "Grote Opdracht" had de waterdoop als een vereiste voor redding, met wonderlijke tekenen daarop volgend. Dit is precies wat er in Handelingen 2 gebeurde en in het vroege deel van de Handelingenperiode.

Jeruzalem

Zowel Lucas hoofdstuk 24 als Handelingen hoofdstuk 1 maken de geografische procedure van de "Grote Opdracht" bekend. De twaalf apostelen moesten beginnen in Jeruzalem, Israels hoofdstad; het was "eerst voor de Joden." De Joden stonden vooraan, voor de heidenen, omdat zij in een verbondsrelatie stonden met God, en in het koninkrijksevangelie konden de heidenen alleen gezegend worden in Israels nationale opstanding (Gen. 22:17,18; Jes. 2:4; 60;1-3; 62:1-3). Daarom moest Israel, onder de "Grote Opdracht", eerst de boodschap aanvaarden, voordat de heidenen gezegend konden worden.

Alles is anders onder het evangelie dat aan Paulus was toevertrouwd voor "de bedeling van de genade van God." In het "evangelie van de genade van God" zouden de heidenen niet gezegend worden door Israels opstanding, maar door Israels val.

"11 Ik zeg dan: zij [Israel] struikelen toch niet zo dat zij zouden vallen? Moge dat er niet van komen! Maar door hun overtreding is de redding tot de heidenen gekomen, om hen tot jaloezie op te wekken.
12 Maar als hun overtreding de rijkdom voor de wereld is, en hun vermindering de rijkdom voor de natiën, hoeveel te meer hun volheid!
13 Maar tot jullie, de natiën, zeg ik: zeker omdat ik apostel van de natiën ben, verheerlijk ik mijn bediening."

(Rom. 11:11-13;SW)

Hoevelen van ons hebben niet de uitleg gehoord: "Waar jij bent is jouw Jeruzalem". Wat voor uitleg is dat? Indien dit onze "Grote Opdracht" is en wij die letterlijk moeten volgen, zouden we al onze bezittingen moeten verkopen en naar Jeruzalem gaan met "het evangelie van het koninkrijk" (zie Hand. 3:25,26; 13:46).

Vergeving van zonden

"Indien jullie iemand de zonden zouden vergeven, zijn ze hen vergeven geworden"
(Joh. 20:23;SW)

Hoeveel boodschappen heeft u gehoord over dit deel van de "Grote Opdracht"? Opnieuw is deze passage helder en ze was in perfecte harmonie met Christus' aardse onderwijsbediening. Want de Heer Jezus zei tot Petrus:

"Ik zal jou de sleutels van het koninkrijk van de hemelen geven en wie jij zal binden op de Aarde, zal gebonden zijn in de hemelen en wie ook jij zal losmaken op de Aarde, zal losgemaakt zijn in de hemelen"
(Matt. 16:19; zie ook Matt. 18:18)

Vele gelovigen, en zelfs predikers, zijn verlegen en verward achter gebleven door er niet in te slagen Paulus' opdracht te volgen dat wij het Woord der Waarheid recht moeten snijden (2 Tim. 2.15).

Opnieuw hebben we alleen te maken met de boodschap van Israels koninkrijk, waarin de twaalf besnijdenisapostelen gezag zouden hebben tijdens de afwezigheid van de Messias.

Getuigen van wat?

"jullie zullen getuigen van Mij zijn"(Hand. 1:8;SW)

Onder de "Grote Opdracht" moesten Israels apostelen "getuigen" zijn, maar "getuigen" van wat? Voordat we ons gaan bezighouden met het antwoord op die vraag, gaan we eerst zien wat een getuige is.

Webster definieert het woord "getuige" als een persoon die iets weet of ziet; iemand die persoonlijk aanwezig is. Dus: om getuige te kunnen zijn moet men kennis uit de eerste hand hebben over dat waarover getuigd wordt. Van wat waren de twaalf eigenlijk getuigen? Hierover is de Schrift buitengewoon helder.

"46 en Hij zei tot hen: "Er werd geschreven; 'Zo moet de Christus lijden en opstaan uit doden, op de derde dag.
...
48 Jullie zullen getuigen zijn van deze dingen."

(Luc. 24:46,48;SW)
" een van deze getuige worden* van de opstanding van Hem"
(Hand. 1:22;SW)
"Deze Jezus wekt God op, van Wie wij allen getuigen zijn"
(Hand. 2:32;SW)
"Die God opwekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn."
(Hand. 3:15;SW)
"De God van onze vaders wekt Jezus op ... En wij zijn getuigen"
(Hand. 5:30,32;SW)
"39 En wij zijn getuigen van alles dat Hij doet, zowel in het gebied van de Joden als in Jeruzalem. Die zij ook vermoorden, hangende aan een hout,
40 Deze wekt God op in de derde dag en geeft dat Hij openbaar wordt,
41 niet aan heel het volk, maar aan getuigen, de tevoren door God uitgekozen zijnden, aan ons die tezamen aten en tezamen dronken met Hem na Zijn opstaan uit de doden"

(Hand. 10:39-41;SW)
"Die werd gezien op meerdere dagen door de met Hem opgaanden uit Galilea naar Jeruzalem, die nu getuigen zijn van Hem naar het volk"
(Hand. 15:31;SW)

Hoe duidelijk zijn al deze verzen! De "Grote Opdracht" was voor hen die ooggetuigen waren geweest van de bediening, dood en opstanding van onze Here Jezus Christus.

Wat nu indien u in uw plaatselijke krant leest over een verschrikkelijke misdaad die in uw gemeenschap is gepleegd, maar een waarvan u niet persoonlijk getuige was geweest. Denk u eens in dat u op de terechtzitting komt en aanbiedt te getuigen en daarna in de getuigenbank werd gezet. Terwijl u in de getuigenbank zit beschrijft u levendig en accuraat de details van de misdaad zoals die in het krantenartikel waren beschreven. Tijdens het kruisverhoor wordt u gevraagd: "Waar was u toen deze misdaad werd gepleegd?" U zou dan moeten antwoorden: "Wel, ik zag de daad niet, maar ik las er van alles over in de krant."

Uw verkondiging van de details kan waar zijn, of niet, afhankelijk van de accuraatheid van uw bron. Maar één ding is zeker: uw getuigenis zou niet aanvaard worden, want u was gewoon niet een getuige van de gebeurtenis. Uw getuigenis zou weggedaan worden als een niet ontvankelijk bewijs.

Wij waren nooit getuige van de dood, begrafenis of opstanding van de Jezus Christus. Wij hoorden Zijn woord en geloofden het getuigenis (Rom. 10:17). Hoewel we niet kunnen getuigen van de opstanding, kunnen we die wel verkondigen. Wij zijn leraren van deze heerlijke waarheid en van alles wat het betekent.

Wij kunnen getuigenis geven over Gods heerlijke werk van redding in onze eigen levens, maar we kunnen nooit de taak van de "Grote Opdracht" vervullen van het getuige zijn die tevoren door God waren gekozen (Hand. 10:41).

Genade

Men zou er in het bijzonder op moeten letten dat niet één maal in alle vijf "Grote Opdracht" passages het woord "genade" zelfs maar verschijnt. Dit wil uiteraard niet zeggen dat God tijdens deze periode geen genade had, want dat had Hij wel - zoals Hij dat altijd heeft, want het is een attribuut van Gods eigen karakter en aard. Als er geen genade zou zijn geweest, dan zou Noach niet gered zijn geworden (Gen. 6:8). Toch moeten we er aan denken dat er een verschil is tussen de genade van God als deel van Zijn aard, en de "bedeling van de genade van God", waar de bediening van al Gods handelen volle en totale genade is (Efe. 3:2).

Er is, met andere woorden, een verschil tussen de genade van God in een bedeling en "de bedeling van de genade van God", een verschil tussen Gods toekennen van genade en genade als het heersende principe.

"opdat, zoals de zonde heerst in de dood, zo ook de genade zal heersen door rechtvaardigheid, in aionisch leven, door Jezus Christus, onze Heer."
(Rom. 5:21;SW)

Genade heerste niet in Noach's dagen, want God toonde op dat moment geen genade aan de rest van de wereld, maar alleen aan Noach en zijn gezin. De wereld verging. Genade was toen, op dat moment, selectief en beperkt. Alleen dunne stralen van Gods genade braken door. Nu, tijdens de huidige tijd, wordt Gods genade in onmeetbare mate losgelaten.

`

Onder Israels "Grote Opdracht" is er zelfs niet één enkele verwijzing naar genade, laat staan naar "het evangelie van de genade van God". Het feit is dat dit op dat moment nog steeds verborgen was. De vrije gift van Gods genade, zowel aan de Joden als aan de heidenen, in één Lichaam, is nergens in deze opdracht te vinden. Dit waren alle nog niet-onthulde waarheden. Geen er van was bekend of werd gepredikt tot Paulus op het toneel kwam(1Tim. 1:16; Gal. 1:25). Paulus ontving ze door onthulling (Galaten 1 en 2) van de hemelse Christus.

De waarheid van de zaak is dat God, in Paulus' brieven, ons een compleet en onafhankelijk lichaam van waarheid heeft gegeven voor deze bedeling waarin wij nu leven (Rom. 2:16), en een "veel meer" gezegende opdracht dan die welke in de "Evangeliën" te vinden is (2Kor. 5:14-21; Efe. 3:8-9).

Laten we herkennen en erkennen dat onze positie, vandaag, er niet een is van "getuigen" onder Israels "Grote Opdracht", maar dat we in plaats daarvan "Ambassadeurs van Christus" zijn, ambassadeurs van het evangelie van de genade van God - Gods GENADE Opdracht (2Kor. 5.20). Wij hebben de "bediening van verzoening" gekregen (2Kor. 5:18), en het "woord van verzoening" is aan ons beheer toevertrouwd (2Kor. 5:19).

Er is een tweevoudig doel bij God: de hemel en de Aarde. Israel is Gods instrument voor Zijn aardse doelstelling, en wij, het Lichaam van Christus, zijn het instrument voor Zijn hemelse doelstelling.




Dit artikel is hier geplaatst met de toestemming van Clyde L. Pilkington Jr.
© www.hetbestenieuws.nl