Menselijke regering

door
Clyde L. Pilkington Jr.

Danken voor wie ons regeren.
"1 Ik moedig dan bovenal aan verzoeken, gebeden, pleitingen, dankzeggingen te doen voor alle mensen,
2 voor koningen en voor allen die °hooggeplaatst zijn, opdat wij een kalm en rustig leven mogen leiden, in alle toewijding en ernst,
3 want dit is goed en welkom in de ogen van onze °Redder, God,"

(1Tim. 2:1-3;SW)

God staat in het midden van alle menselijke activiteit, inclusief menselijke regeringen, want

"Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over de ganse aarde."
(Psalm 47:2;NBG)

Daarom, wie er ook macht heeft is die Hij in die machtspositie heeft geplaatst.

"17 Dit bevel berust op het besluit der wachters en deze zaak op het woord der heiligen, opdat de levenden mogen weten, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt.
...
25 men zal u verstoten uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf zal wezen bij het gedierte des velds; men zal u gras te eten geven als de runderen en u door de dauw des hemels laten bevochtigen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil."

(Dan. 4:17,25;NBG)
"Laat iedere ziel onderschikt zijn aan de gezaghebbers die hoger zijn, want er is geen gezag dan onder God. En die er zijn? Zij zijn gesteld onder God,.."
(Rom. 13:1;SW)

Niet alleen heeft die Hij gekozen heeft macht, maar Hij bestuurt ook nog eens hun hart:

"Het hart van de koning is in de hand des Heren als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt."
(Spreuken 21:1;NBG)

Daarom, bijvoorbeeld, is op dit moment in de Verenigde Staten Barak Obama Gods verkozen instrument. Hij is Gods instrument en onze goddelijke bevolen houding tegenover hem, net zoals bij Bush en Clinton vóór hem, is te bidden en te danken voor hem:

"1 Ik moedig dan bovenal aan verzoeken, gebeden, pleitingen, dankzeggingen te doen voor alle mensen,
2 voor koningen en voor allen die °hooggeplaatst zijn, opdat wij een kalm en rustig leven mogen leiden, in alle toewijding en ernst"

(1Tim. 2:1,2;SW)

Het is interessant dat Paulus deze woorden schreef in de context van misschien wel de meest kwaadaardige, corrupte en brutale heerser die ooit heeft geleefd.
Over de Romeinse keizer Nero schreef James Stalker:

"Hij was een man die, in een slechte wereld, de hoge positie had bereikt van het zijn van de aller-slechtste en gemeenste die er is was, een man bevlekt met iedere misdaad, de moord op zijn eigen moeder, op zijn vrouwen en op zijn beste weldoeners"
(Life of St.Paul - pag. 142-143)

H.I. Hester weidt er over uit in zijn werk The Heart of the New Testament (1964):

"Rome kende verscheidene tirannieke en corrupte keizers, maar Nero was de ergste. Hij was immoreel, kwaadaardig, zelfzuchtig en despotisch wreed, Hij kwam op de troon in 54 n.Chr. en heerste veertien jaren... Hij zal de geschiedenis ingaan als een van de meest verachtelijke mensen die ooit over een volk hebben geregeerd."

"Geschiedkundigen zijn er over het algemeen over eens dat het Nero was die de stad Rome verbrandde. Hij werkte onder de misvatting dat hij een genie was in de muziek en dat zijn composities onsterfelijk zouden worden als hij maar voldoende inspiratie had. Voelend dat een grote brand hem de inspiratie zou leveren, liet hij de stad in brand steken. Men zegt dat hij op een verhoogd platform zat en de stad overzag en dat hij probeerde de viool te spelen terwijl hij de stad zag branden. Dit vuur brak uit op 19 juli in het jaar 64 en woedde zes dagen. Zeer tot verrassing van Nero was er een gewelddadige reactie onder het volk en hij haastte zich om de schuld hiervoor op de Christenen te werpen. Onmiddellijk daarna brak er een ernstige vervolging uit tegen deze Christenen. Er was echte moed voor nodig om nu Christen te zijn, aangezien ze geen bescherming hadden van de wet. Deze vervolgingen van Nero waren onuitspreekbaar vreselijk. Christenmannen en -vrouwen werden verbrand, voor wilde beesten geworpen in het amfitheater om het volk te amuseren. Nero leende zijn tuinen uit om martelingen van de arme slachtoffers te laten zien en 's nachts verlichtte hij de percelen met de vlammen van brandende Christenen"
(Foakes-Jackson, Rise of Gentile Christianity, pag. 50 (page 330).

Dit was de context van Paulus' opmerkelijke aanbeveling aan Timotheüs:

"1 Ik moedig dan bovenal aan verzoeken, gebeden, pleitingen, dankzeggingen te doen voor alle mensen,
2 voor koningen en voor allen die °hooggeplaatst zijn, opdat wij een kalm en rustig leven mogen leiden, in alle toewijding en ernst"

(1Tim. 2:1,2;SW)

Paulus riep de heiligen op te danken voor Nero!! Absoluut verbazingwekkend! En toch, als we er over nadenken, waarom zou het niet zo zijn dat Paulus hen hiertoe aanmoedigde, want gaf Paulus hen niet de opdracht "te danken voor ALLE dingen"(Efe. 5:20)? Zou dat niet ook op Nero slaan?
Paulus presenteert duidelijk een geestelijke houding van dankzegging: niet slechts voor het "goede", maar voor ALLE dingen, en niet slechts IN alle dingen, maar VOOR alle dingen.
Wanneer we de grote waarheid begrijpen dat alle dingen uit God zijn (2Kor. 5:18), is dit gemakkelijk. Wanneer we het feit omarmen dat "van Hem, en door Hem en tot Hem alle dingen zijn" (Rom. 11.36), dan hebben we geen andere keuze dan Hem te danken "voor alle dingen."

God danken voor "alle dingen" omvat zeker ook "alle mensen". Dit is wat Paulus Timotheüs vertelde, dat hij dank zou brengen voor alle mensen. Dan, Paulus maakt zeker dat hij niemand uitsluit, sluit hij "koningen en allen die hooggeplaatst zijn" in. Wat zegt Paulus dan dat de gevolgen van zo'n houding van dankzegging zouden zijn?

"opdat wij een kalm en rustig leven mogen leiden, in alle toewijding en ernst"

Paulus spreekt hier niet van een bestuurlijke of sociale vrede. De zaak is hier niet dat er een nationale vrede zou zijn, maar dat onze harten op een lijn zouden komen met God en Zijn doelstelling, zo rust en vrede in onze harten brengend, en in de houding van onze levens.

Wat ook het nationale systeem is waarin wij ons bevinden, we kunnen kalm blijven, vredig en blij, wetend dat Vader in absolute controle is. DIT is goddelijk leven. DIT is eerlijk leven, leven in de waarheid dat Vader volkomen de leiding heeft van alle dingen. Deze goddelijkheid en eerlijkheid alleen staat ons toe een rustig en vredig leven te leiden.

Veel gelovigen leven in de gewoel dat veroorzaakt wordt door het verkeerd beoordelen van de echte bron van "alle dingen". Regering en politiek zijn geen uitzondering. De politieke wijzen doen hun geesten pijn, ze wegschuivend van hun God-gegeven "rustig en vredig leven." Geef aan zo'n valstrik geen gevolg!

ALLE MENSEN

Luister naar wat Paulus onderwees over "alle mensen."

Wij dienen alle mensen lief te hebben

"En moge de Heer jullie doen toenemen* en moge Hij doen overvloeien* in °liefde voor elkaar en voor allen, zoals ook wij voor jullie"
(1Thess. 3:12;SW)

Zachtaardig zijn tegen allen

"Maar een slaaf van de Heer moet niet vechten, maar zachtaardig zijn tegen allen,"
(2Tim. 2:24;SW)

We dienen zachtmoedigheid te betonen aan alle mensen.

"niemand lasterend, vredelievend te zijn, mild, zachtmoedigheid tonend aan alle mensen."
(Titus 3:2;SW)

We moeten dankzegging brengen voor alle mensen.

"Ik moedig dan bovenal aan verzoeken, gebeden, pleitingen, dankzeggingen te doen voor alle mensen,"
(1Tim. 2.1;SW)

Onze houding tegenover alle mensen laat echt onze houding tegenover God zien. Paulus kon danken voor Nero. Waarom beginnen wij vandaag niet te danken voor Obama [en Mark Rutte;WJ]? Indien het vanuit het hart komt, zal het een verandering van rust en vrede brengen in uw leven.

Dat is wat deze verzen zeggen!

Waarom briesen de natiën?

"Waarom briesen* natiën en mediteren* volken over holle frasen?"
(Hand. 4:25;HBN - Psalm 2:1)

Inderdaad, waarom briesen de natiën?

Onze vriend David Buckman uit Australië voorziet ons van een beknopt antwoord op deze vraag:

"Het is om een achterdoek te leveren op het toneel van Gods grootse vertoon en Zijn veelkleurige wijsheid en krachtige werken door de Zoon van Zijn liefde, ten behoeve van het doel van het tentoonspreiden van de zonen van God aan alle soevereiniteiten en gezaghebbers te midden van de hemelingen" - Efeze 3:8-11

God gebruikt alle tegenstellingen om ons een echte waardering te brengen van Wie Hij werkelijk is, zodat wij met blijdschap en dankzegging alles kunnen waarderen wat voortkomt uit Zijn goedaardige aard.

Bij God gaat het om tegenstellingen. Goed en kwaad, licht en donker, dag en nacht, werk en rust, heet en koud, vreugde en pijn, zonneschijn en regen, zoet en zuur. De lijst gaat maar door, alles zorgvuldig ontworpen tegenstellingen uit Zijn hand. En vergis u niet, de tegenstellingen zijn allemaal door Hem geschapen.

"Ik ben de Here, en er is geen ander, die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het kwaad schep; Ik, de Here, doe dit alles."
(Jes. 45:6,7; NBG gecorrigeerd)

God begint Zijn series met tegenstellingen direct aan het begin van het boek Genesisi. A.E. Knoch, in zijn klassieke werk: "Het probleem van het kwaad" helpt ons de goddelijke noodzaak van zulke tegenstellingen te verstaan:

"Voordat ze zondigden hadden Adam en Eva geen kennis van het goede. Het goede was overal om hen aanwezig, ongemengd met kwaad. Gezondheid, kracht, eer, kameraadschap met elkaar en met God was hun voortdurende bezit en voorrecht. Toch kenden ze niets van de zegen van deze weldaden. Dit leren we uit de naam die werd gegeven aan de boom die de verboden vrucht droeg. In het denken van velen suggereert hij eerder alleen de kennis van kwaad, dan ook van goed. Toch was het bovenal de boom van de kennis van (het) goed(e) (Gen. 2:9, 3:4-14).

Zo wordt ons helemaal aan het begin van Gods openbaring het principe gegeven dat de sleutel vormt tot het oplossen van de grote problemen die ons het meest in verwarring brengen. En wel dit: Onze kennis is relatief: het is op contrast gebaseerd. De kennis van goed hangt af van de kennis van kwaad. Daarom was de boom in de hof niet louter het middel tot het kennen van het kwade, wat we gewoonlijk denken; het was in de eerste plaats het middel tot kennis van het goede. Adam en Eva hadden het goede, maar ze realiseerden zich dat niet want ze hadden geen ervaring met kwaad.

In die volmaakte hof van Eden ontbrak het ten zeerste aan het ene element dat het meest dierbaar voor Gods hart was. Adam begreep Gods goedheid niet, ja, kon die niet begrijpen. Er is niets dat wijst in de richting van waardering, dank, verering of aanbidding van de kant van Adam. Hij ontving alles als een vanzelfsprekende zaak en was totaal niet in staat tot onderscheid of respons, zelfs niet ten opzichte van die goddelijke liefde die aan het oppervlak van Zijn goedheid ligt. Als wij plotseling zouden worden omgevormd in heerlijke zondeloze wezens en worden overgebracht naar zo'n toneel van landelijke volmaaktheid, zouden we juichen en de bewerker van ons geluk prijzen. Maar Adam deed dat niet. Hij kende geen vreugde, want hij kende geen ellende. Hij kende geen goed, want hij kende geen kwaad.

Dit punt is bijzonder belangrijk, en we onderstrepen het omdat het door iedereen wordt genegeerd en verkeerd schijnt te worden voorgesteld. De hof van Eden is een symbool van volkomen geluk geworden. Ons wordt altijd de heerlijkheid ervan voorgespiegeld, en het geluk van het eerste mensenpaar is spreekwoordelijk geworden. Toch is er niet de minste reden om aan te nemen dat Adam het zo geweldig vond of het hem toegeschreven geluk genoot.

Alleen het bezit van het goede geeft nog geen kennis of realisering daarvan. Zelfs vandaag, terwijl er zoveel kwaad is om met het goede te contrasteren, waarderen velen hun zegeningen pas als ze die verliezen. Adam had een perfecte gezondheid, maar wat betekende dat voor iemand die nog nooit zelfs maar van ziekte had gehoord? Hij had voedsel in overvloed, maar het betekende niets voor hem, die nog nooit honger had geleden. Zelfs vreugde sprak hem niet aan omdat hij nooit pijn had gekend.

Het rampzalige tekort te midden van al Edens perfectie was de volkomen afwezigheid van enig teken van lof of dankbaarheid. Geen goed kennend, en volkomen onbekend met barmhartigheid of genade, was Adams hart absoluut niet in staat tot liefde, aanbidding of verering. Gods goedheid ontving niet het minste antwoord, omdat ze onbekend was. Alles wat Hij Adam geschonken had wekte in hem niet de genegenheid waarnaar Hij verlangde, het doel van al Zijn gaven.

Hoe kon dit ernstige gebrek verholpen worden? Er was maar één manier, en daarin was in Gods wijsheid voorzien door de boom die Hij in het midden van de hof plaatste. Hadden Adam en Eva het goede gekend dan zouden ze Gods goedheid als een schat hebben gekoesterd en deze nooit hebben verspeeld door Zijn gebod ongehoorzaam te worden. Echter, toen ze wel van de boom aten, zetten ze juist die krachten in beweging die het gebrek zou verhelpen dat maakte dat ze het deden. Welk een goddelijke wijsheid zien we hier tentoongesteld! Gods zegeningen miskennend, krenken ze Hem door hun daad en tegelijkertijd plaveien ze daarmee de weg naar een waardering die beiden tevreden stelt. Liefde smeed wonderlijke plannen!

Als Adam nooit gezondigd had zou hij een neutrale, een met waarneming uitgeruste kluit aarde zijn geweest, ongeschikt voor de kameraadschap van zijn Schepper. Van één ding kunnen we zeker zijn. Hij zou nooit kwaad hebben gekend. En we kunnen er even zeker van zijn dat hij nooit goed zou hebben gekend. Hij zou God niet hebben vervloekt vanwege de zonde, noch zou hij Hem hebben gedankt voor Zijn weldaden, noch Hem hebben aanbeden vanwege Zijn genade. Hij zou volkomen hebben gefaald om het doel van zijn schepping te vervullen. We moeten ons altijd in acht nemen dat de boom van de kennis van goed en kwaad een dubbele functie had. Niemand vergeet dat hij de kennis van kwaad bracht. Maar hij was in de eerste plaats de boom van de kennis van goed. Adam had geen waardering voor het goede waarmee hij werd omringd. Omdat hij niets anders kende, was het geen goed voor hem. Hij ontving het als een vanzelfsprekende zaak, zonder een gedachte van dankbaarheid.

Adam kon onbeperkt hebben doorgeleefd in zo'n ongewaardeerd paradijs, maar dat zou een onnoemelijk verlies voor zichzelf en Zijn Schepper zijn geweest. Hij zag alleen Gods hand, Zijn hart bleef verborgen. Er moet een of ander middel worden gevonden om een antwoord van Adams hart op de Goddelijke verlangens op te wekken. Hij moet leren om het goede te waarderen. Hoe kan dit worden bereikt?

Het is opvallend en vol van betekenis, dat de boom waarvan Adam at geen latere overweging van God was. Adams negeren van het goede leidde niet tot het planten ervan. Hij was al volgroeid en vruchtdragend. Bovendien was hij niet verborgen in een uithoek, in ondoordringbaar struikgewas, onbenaderbaar en onaantrekkelijk. Hij stond juist in het midden van de hof, toegankelijk en in elk opzicht begeerlijk. Als het er alleen om ging Adam te weerhouden de vrucht ervan te eten, had hij eenvoudig verwijderd kunnen worden. Of nog eenvoudiger, hij had nooit geplant hoeven worden. God alleen was verantwoordelijk voor alle omstandigheden van Adams overtreding.

Maar het is van nog grotere betekenis dat hij twee onscheidbare functies in zich verenigde. Misschien zouden wij liever één boom hebben gehad om de kennis van het goede te leren en een andere om ons in de kennis van het kwade in te wijden. Doch dit is vanuit de aard der dingen onmogelijk. Wij kunnen proberen ons een idee van licht te vormen zonder duisternis erbij te betrekken, maar dat blijkt onmogelijk te zijn. Licht kan alle duisternis verdrijven, doch het kennen ervan steunt op z'n tegenpool. Evenzo kan door menselijke wezens het goede niet worden gekend los van het kwade. "
The Problem of Evil and the Judgments of God, pages 27-28, 34-35

In dit principe van tegenstellingen zullen we het antwoord vinden op onze vraag: "Waarom briesen de natiën?"

Met elk detail van de lange en vuile geschiedenis van het nationalisme bouwt God een grootse tegenstelling met Zijn heerlijke Koninkrijk van rechtvaardigheid, een dat heel Zijn schepping zal omvatten, in de hemelen en op de Aarde. Wat een allesoverstijgende tegenstelling zal dat zijn!

Als gelovigen, Gods eerstelingen, hebben we het heerlijke voorrecht van het vroeg zien van deze tegenstelling. Paulus vertelt ons dat God is ...

"Die ons redt* uit het gezag van de duisternis en ons overbrengt* in het koninkrijk van de Zoon van Zijn °liefde"
(Kol. 1.13;SW)

Nationalisme is niets anders dan het "rechtsgebied van de duisternis", maar wij zijn dankbaar dat wij "overgebracht" zijn naar het Koninkrijk. Wij hebben nu "ons burgerschap ... in de hemelen, waaruit ook wij de Redder verwachten, de Heer, Jezus Christus(Filip. 3:20;SW).

ZIONISME

"Toen zeide Hij: Noem hem Lo-ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn."
(Hos. 1:9;NBG)

Israel was eens Gods "hoofd" onder de natiën(Deut. 28:13), maar, zoals ze gewaarschuwd werd, nu is ze de "staart" (28:44). In plaats van geestelijk licht uit te delen aan de natiën, is Israel nu verblind (Rom. 11:25). Gods scheiding van Israel werd geprofeteerd door Jesaja (50:1); nationaal zijn ze nu "lo Ammi" - niet Zijn volk (Hos. 1.9). Israel viel en verloor haar goddelijke bevoorrechte natie status, tijdelijk verworpen en verstrooid.

In Gods huidige bedeling van genade, is de "tussenmuur van scheiding" tussen de Jood en de Griek weggebroken (Efe. 2:14). Er is daarom nu, voor God, "geen verschil tussen de Jood en de Griek" (Rom. 10:12), aangezien "God heeft allen onder koppigheid besloten*, opdat Hij °allen mededogen zou betuigen"(Rom. 11:32) en gelovende Joden en heidenen nu verzoend zijn "in één lichaam ... met God door het kruis"(Efe. 2.16;SW).

De nationale ijdelheid van de heidenen reikt nu zelfs zo ver als de moderne staat Israel. Zionisme is de Joods praktisering van nationalisme, en houdt zich bezig met het herstel en de ondersteuning van de Joodse staat. Er is geen geestelijk verschil tussen Zionisme en het nationalisme van welke andere staat dan ook, maar jammer genoeg zijn veel Christenen onwetend van deze waarheid. Men hoeft niet ver te kijken om Christenen te vinden die het Zionisme steunen. Het is niet ongewoon om het vertoon van de Israelische vlag te zien als een soort "geestelijke" daad, of zelfs het vertoon er van zij-aan-zij met de zogeheten "Christelijke vlag". Sommige Christenen steunen Israel actief, zelfs geldelijk steun gevend voor de terugkeer van Joden naar Palestina.

Dit artikel moet zien gezien worden als anti-Semitisch (een vooroordeel of vijandigheid tegen Joden). Noch de Joden, noch hun nationale staat, zijn intrinsiek minderwaardig aan die van welke andere natie dan ook. Maar ook staan ze op dit moment niet boven enige andere natie - een soort van speciaal nationaal voorrecht hebbend voor God, zoals ze eerder hadden. In plaats daarvan proberen we hen te zien precies waar God ze op dit moment heeft: daar waar geen verschil is. Op dit moment heeft hun val hen eenvoudig "één van de natiën" gemaakt. Hun nationale status is tijdelijk terug gebracht tot die van de heidenen.

Maar vergis u vooral niet, God is nog lang niet klaar met israel! Wanneer Hij Zijn huidige werk met de kerk heeft voltooid, het Lichaam van Christus, zal Hij Zelf Zijn "Geliefde" herstellen (Rom. 11:28) naar haar vooraanstaande positie als het "hoofd" en de "Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang"(Jes. 60:3;NBG). Wat een heerlijke dag zal het zijn voor Gods plan met de Aarde. Onwetend zijn van deze belangrijke waarheid is "eigenwijs zijn"(Rom. 11:25).

Maar in de tussentijd is Israel gereduceerd tot de ijdelheid van de heidenen, wat twee duizend jaren geschiedenis duidelijk laat zien. Steun van het nationale Israel heeft niet meer of minder geestelijke waarde dan het steunen van nationaal ... Barbados. Laat het maar aan de Christenen over om te pogen teniet te doen wat God in Zijn doelstelling heeft gedaan. Een begrip van de onthulling die aan Paulus werd gegeven zou Christenen redden van zulk een ijdel vuur.

HET BEINVLOEDEN VAN REGERINGEN

Het Christendom probeert actief regeringen te beïnvloeden "voor Christus", maar God heeft de gelovige niet geroepen om regeringen te beïnvloeden. Nee, ons gebied van goddelijke invloed ligt op het niveau van het individu. Het gaat om persoonlijke relaties. Wij brengen geen goddelijk licht met als doel het verlichten van het rechtsgebied van de duisternis, maar juist om de duisternis er van te contrasteren.

"te midden van een verkeerd en verdorven geslacht, onder wie jullie schijnen als hemellichten in de wereld"
(Filip. 2:15;SW)

Neem bijvoorbeeld Paulus in Rome. Hem werd door God de gelegenheid gegeven invloed te hebben op de verwanten van Caesar. Deze invloed was niet een aards politieke invloed, maar een hemelse, er enkelen van omvormend naar heiligen.

"Jullie groeten al de heiligen, in het bijzonder die uit het huis van de keizer."
(Filip. 4:22;SW)

Zij die in het lichaam van Christus zijn, zijn "noch Jood noch heiden." "Heiden" is, uiteraard, vertaald uit hetzelfde Griekse woord (ethnos) dat ook met "natiën" wordt weergegeven. Gelovigen maken niet langer deel uit van de "natiën" (dwz. "noch als Jood, noch als heiden"), maar zijn een "nieuwe schepping"(2Kor. 5:17), de "nieuwe mens" (Efe. 2:15). Voor het Lichaam van Christus is er geen "ons" en "zij" van het nationalisme; wij zijn niet langer Amerikaan of Canadees, Virginiaan of Pennsylvaniaan, Noordelijke of Zuidelijke, Democraat of Republikein, concervatief of liberaal, omdat wij "vanaf het nu, niemand waarnemen naar het vlees"(2Kor. 5:16;SW).

Onze broeder Frank Kujawa zegt het passend op deze wijze:

"Galaten 3 vertelt ons dat wij Jood noch heiden zijn. Dus wat zijn wij? Een nieuwe schepping in Christus! Wij, nieuwe scheppingen, trekken niet langer lijnen in het zand. Alle lijnen zijn verdelingen die conflicten voortbrengen. Conflicten kunnen anderen emotioneel verwonden, en uiteindelijk leiden tot lichamelijke wonden, dood en oorlogen. Een persoon in conflict is niet vrij.

Denk er maar op deze wijze aan: Paulus vertelt ons dat we niet langer heidenen zijn. Tijdens zijn tijd was een heiden nationaal anders dan een Jood. In de kern van de zaak vertelt Paulus ons dat we niet langer van een nationaliteit zijn. Natiën en nationale leiders zijn voor hen die de Waarheid niet kennen. De Waarheid heeft ons vrij gemaakt." "

Paulus' instructies die verband houden met menselijke regeringen zijn beperkt tot onze houding en verantwoordelijkheid tot hen die gezag dragen. Er is geen verslag van zijn instructie ten opzichte van ons beïnvloeden, veranderen of omwentelen van de natiën. Onze instructies zijn:

"1 Ik moedig dan bovenal aan verzoeken, gebeden, pleitingen, dankzeggingen te doen voor alle mensen,
2 voor koningen en voor allen die °hooggeplaatst zijn, opdat wij een kalm en rustig leven mogen leiden, in alle toewijding en ernst,"

(2Tim. 2:1,2;SW)

Paulus was niet politiek actief. Neem bijvoorbeeld de zaak van de slavernij. We hebben geen enkel verslag van Paulus' strijden voor de afschaffing er van. Dit stond niet op zijn agenda. Hij was geen activist voor sociale en politieke verandering.
Hoe vreselijk slavernij ook mag zijn geweest en hoe eerbaar de zaak van afschaffing er van ook mag zijn geweest, zulk een pleiten was in feite beneden zijn "hoge roeping van °God in Christus Jezus"(Filip. 3:14;SW). Hij had een hemelse agenda waar hij zich op richtte, en hij had geen tijd voor mindere roepingen.

Paulus leerde regeringen en leiders niet de les over de kwaden van slavernij (of welke andere zaak). In plaats daarvan gaf hij de slaven en hun meesters rechtstreeks een opdracht:

"5 Slaven, weest gehoorzaam aan de heren naar het vlees, met vrees en beven, in eenvoud van jullie °harten, als aan °Christus,
6 niet naar ogenslavernij, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus, doende de wil van °God vanuit de ziel,
7 met goed gemoed slavend als voor de Heer en niet voor mensen,
8 waargenomen hebbend dat al wat een ieder goed zou doen*, dit zal hij terugontvangen* van de Heer, hetzij slaaf, hetzij vrije.
9 En °heren, handelt met hen op gelijke wijze, wees traag met het dreigement, waargenomen hebbend dat hun Heer ook jullie Heer is in de hemelen, en bij Hem is geen voorkeur."

(Efe. 6:5-9;SW)

Deze passage is, wanneer je er over nadenkt, echt opmerkelijk. En het is het enige voorbeeld van Paulus' focus. Paulus was een hemelse apostel, schrijvend aan een hemels volk, over hun hemelse roeping en burgerschap. Hij geeft hen instructies met betrekking tot het leven, hier op vreemde bodem, als ambassadeurs van hun thuisland, want wij zijn echt verlost "uit het gezag van de duisternis" en zijn overgebracht "in het koninkrijk van de Zoon van Zijn °liefde"(Kol. 1:13;SW), Hem hebbend als onze "enige Potentaat"(1Tim. 6:14), met ons burgerschap[politeuma - politiek] behoort in de hemelen, waaruit ook wij de Redder verwachten, de Heer, Jezus Christus(Filip. 3:20;SW). Neem met minder geen genoegen!

PAULUS' ROMEINSE BURGERSCHAP

"Is het toegestaan als een mens, een Romein en onveroordeeld, gegeseld wordt?"
(Hand. 22:25;SW)

Sommigen geloven dat passages als deze uit het boek Handelingen, op de een of andere manier aantonen dat Paulus pleitte voor betrokkenheid in heidense politiek. Maar zaken zijn niet altijd zoals ze lijken!

De aard van het boek Handelingen

Men moet voorzichtig zijn met het baseren van een leer op het boek Handelingen. Dit boek werd niet geschreven door Paulus, noch werd het geschreven om leer te vestigen voor het Lichaam van Christus, noch was het ontworpen om een patroon te zijn voor ons praktische leven. In plaats daarvan is Handelingen een boek dat de overgangsgeschiedenis laat zien van de val van Israel en de opkomst van het Lichaam van Christus. Om waarheid voor de kerk te verkrijgen, het Lichaam van Christus, moet men zich richten tot de brieven van Paulus.

Wat Paulus NIET aan het doen was

Paulus deed, bij gelegenheid, een beroep op de Romeinse wet, maar dit kan in het geheel niet vergeleken worden met het zijn van een actieve deelnemer aan bet beïnvloeden en het vastleggen van regeringspolitiek. Noch Paulus noch Jezus probeerden ooit Caesar of de Romeinse regering te hervormen.

Wat Paulus WEL aan het doen was

Om te begrijpen wat Paulus aan het doen was toen hij een beroep deed op de Romeinse wet, hebben we de historische achtergrond nodig om de passages te begrijpen waar Paulus de zaak van het burgerschap naar voren brengt (59 n.Chr; Hand. 22-25).

Laten we eerst ons bewust worden dat doorheen heel Paulus' vroegere 20 jarige apostolische bediening, zoals opgeschreven in het boek Handelingen, er van hem nooit verteld wordt dat hij enige verwijzing maakt naar zulk een burgerschap, ook al was het met zware marteling in het vooruitzicht. Een Romeins burger was beschermd tegen zo'n behandeling, maar toch, zonder kennelijk enig beroep er op van zijn kant, ontving hij 39 zweepslagen bij 5 verschillende gelegenheden, en werd hij 3 maal geslagen met stokken (alles vóór 57 n.Chr.; 2Kor, 11:24). Waarom dan verandert hij plotseling en doet hij een beroep?

De achtergrond van de gebeurtenissen zullen ons het antwoord leveren. Paulus had "vele jaren"(Rom. 15:23) verlangd een reis naar Rome te maken, maar hij was vaak gehinderd (Rom. 15:22) vanwege voortdurende vertragingen, veroorzaakt door vervolging door ongelovige Joden. Paulus plande een reis naar Jeruzalem te maken om hulp af te leveren die hij had opgehaald voor de arme heiligen daar. Zijn plan was om dan daarna naar Rome te gaan, mits hij "gered zou worden van de koppigen in °Judea"(Rom. 15:31).

"Toen nu deze dingen vervuld* waren, nam °Paulus zich in de geest voor, gaande* door Macedonië en Achaia, naar Jeruzalem te gaan, zeggende* dat: "Na mijn komst* daar moet ik ook Rome zien"
(Lente 54 n.Chr; Hand. 19:21;SW)

Paulus schreef aan de heiligen in Rome om hen in te lichten over zijn plannen om naar hen toe te komen.

"11 Want ik verlang er naar jullie te zien*, zodat ik enige geestelijke genade met u mag delen*, opdat jullie versterkt* worden;
...
22 waardoor ik ook werd verhinderd vaak naar jullie toe te komen.
23 Maar nu heb ik geen plaats meer in deze °regionen en ben al vele jaren verlangend naar jullie te komen,
24 zodra ik naar Spanje mag gaan. Want ik hoop op mijn doorreis jullie met verwondering te zien en door jullie daarheen voort gezonden* te worden, nadat ik eerst enige mate van jullie vervuld zal zijn,
25 maar nu ga ik naar Jeruzalem, bedienend aan de heiligen.
26 Want Macedonië en Achaje verheugen* zich een bijdrage te geven* aan de armen onder de heiligen die in Jeruzalem zijn.
27 Want zij verheugen* zich en zijn ook schuldenaren van hen, want indien de heidenen deelnemen* aan hun *geestelijke goederen, horen zij ook met hen hun vleselijke dingen te dienen.
28 Dit dan volbrengende* en hen deze °vrucht verzegelend, zal ik via uw stad doorreizen naar Spanje.
29 Ik heb waargenomen dat, naar jullie komende, ik zal komen met een vullende zegen van Christus.
30 Maar ik moedig jullie aan, broeders, door onze °Here Jezus Christus en door de liefde van de geest, samen met mij te worstelen* in de gebeden tot °God voor mij,
31 opdat ik gered zou worden van de koppigen in °Judea en mijn °bediening voor Jeruzalem goed ontvangen moge worden* door de heiligen,
32 opdat ik in blijdschap tot jullie komende*, door de wil van God ik samen met jullie zou rusten. "

Terwijl hij in Jeruzalem was brak er een hevige opstand tegen hem uit. Gebruik makend van een gelegenheid om verlost te worden van de ongelovige Joden, zodat hij eindelijk zijn bediening naar de hoofdstad van het Romeinse Rijk kon brengen, vraagt hij simpelweg: "Is het toegestaan als een mens, een Romein en onveroordeeld, gegeseld wordt?"(Hand. 22:25;SW).

Paulus deed een beroep op de burgerlijke gezaghebbers om te handelen naar de wet die HEN verbond. Hij deed een beroep op het principe van de Romeinse wet, een ingrijpen dat hem verloste uit de handen van de Joodse vervolging. Met zijn tegenstanders in banden, had Paulus nu alleen nog een middel nodig om in Rome te komen. Hij zag zijn kans via het uitoefenen van Romeinse rechten door een beroep te doen op Caesar (59 n.Chr.; Hand. 25:11). Relatief gesproken zag de overheid Paulus als een Romeins burger en Paulus handelde naar hun behandeling van hem als zodanig, hen bepalend bij de standaard van hun eigen wet, en als gevolg daarvan was hij in staat zijn lang gewenste reis naar Rome te maken onder Romeins gezag.

Een grotere onthulling

Voordat we aannemen dat de uitspraken in het boek Handelingen een opdracht bevatten voor de gelovige om politiek te handelen, moeten we nu eerst zorgvuldig zijn om geen onthulling te verwachten. Dit is een belangrijke zaak wanneer we de Schrift lezen. We moeten (h)erkennen dat Paulus een overvloed aan doorgaande onthullingen ontving tijdens zijn ongeveer 30 jarige apostelschap.

"1 ...ik zal komen met gezichten en openbaringen van de Heer.
..
7 ...vanwege de voortreffelijkheid van de openbaringen.

(Herfst 57 n.Chr; 2Kor, 12:1,7;SW)

We moeten ons herinneren dat zelfs als Paulus bedoelde te pleiten voor een aards burgerschap in het boek Handelingen, later, na het ontvangen van grotere onthullingen van de Heer, hij de zaak geheel verduidelijkte. Terwijl hij in een Romeinse gevangenis was, gaf God hem aanvullende onthullingen die hij opschreef voor de Filippenzen. Dit was een onthullingen die maar éénduidig kon worden uitgelegd, en een Romeinse gevangenis was een zeer verbazingwekkende plaats voor zo'n hemelse onthulling!

"Want ons burgerschap behoort in de hemelen, waaruit ook wij de Redder verwachten, de Heer, Jezus Christus, "
(62 n.Chr.; Filip. 3:20;SW)

Paulus schreef niet "een van onze burgerschappen is in de hemel," of "we hebben nog een ander burgerschap, in de hemel," of "we hebben twee burgerschappen, waarvan er een in de hemel is." In plaats daarvan schrijft hij in absolute zin en eenvoudig van één enkel burgerschap. Vanuit zijn gevangenschap verklaart hij vrijmoedig en zonder kwalificatie dat dit burgerschap hemels is.




Dit artikel is hier geplaatst met de toestemming van Clyde L. Pilkington Jr.
© www.hetbestenieuws.nl