Het probleem van het Kwaad
---
Rechtvaardiging van Zonde
door A.E.Knoch.

Het lijkt op het eerste gezicht ongelofelijk, dat een daad zowel goed als verkeerd kan zijn, zowel recht als onrecht. Maar wanneer we zien dat de zondigheid van een daad niet in de daad zelf ligt, maar in haar relatie met diegenen die erin worden betrokken, is het niet moeilijk om te zien, hoe welke gegeven actie dan ook, zowel goed als slecht kan zijn. We kunnen bijna iedere denkbare daad in twee tegengestelde omgevingen plaatsen en haar transformeren van een misdaad in iets wat aanbevelenswaardig is, en vice versa. Omstandigheden verschaffen het morele kleed van menselijke activiteiten. Het eten van fruit wordt vaak aangeprezen als zijnde goed voor de gezondheid. En dat is het normaal gesproken ook. Toch was dit het dat ziekte in de wereld introduceerde!

Geen daad is zonde in zichzelf. Onder bepaalde condities kan het juist zijn. In andere gevallen is het verkeerd. Een kus is gewoonlijk veel meer dan juist, maar de kus van Judas valt onder de gemeenste van alle misdaden. De moraliteit van een daad ligt niet in de handeling maar in zijn relatie tot degenen die erbij betrokken worden. Zonde is relatief, niet absoluut.

Het is geen zonde voor de overheid om te doden, hoewel het vaak de straf is voor dezelfde daad. Er is geen essentieel verschil tussen een executie en een moord. Beiden definiëren een gewelddadige dood. Maar in het ene geval wordt het gedaan met de benodigde autoriteit; in het andere geval is het een tarten van de wet van een land.

De grote doctrine van rechtvaardiging bestaat in het omgeven van onze zonden met een goddelijke omgeving waarin ze niet louter bedekt worden of door de vingers gezien, maar werkelijk omgevormd in rechtvaardige daden die voor de balie van het universele recht zullen worden gehandhaafd. Hoe zou het anders kunnen zijn? Geen aardse rechter kan een misdaad zuiveren, of een misdadiger vrijspreken, of rechtvaardigen wat hij gedaan heeft, tenzij de omstandigheden van de zaak het waarborgen. Maar zo'n tribunaal kan een zaak niet door een uitspraak rechtvaardig maken, want het kan de omstandigheden die de misdaad begeleiden niet aanpassen of veranderen.

Een concreet geval komt in me op terwijl ik dit schrijf. Een groot aantal jaren geleden ontving een veroordeelde de gave van God na zijn veroordeling. We zullen aannemen dat hij schuldig was aan doodslag. In ieder geval, hij werd ter dood veroordeeld. Een ieder die met de genade van God vertrouwd is zou natuurlijk verlangen iets te doen om zulk een man van de straf te redden. Ik zou graag in staat zijn iemand te rechtvaardigen die alreeds gerechtvaardigd voor God is.

Hoe kan dit worden gedaan? Als het dode slachtoffer tot het leven kon worden teruggebracht en zijn tijdelijke dood voor hem werkelijk als nuttig bewezen kon worden alsook voor iedereen die erbij betrokken was, zou zelfs een aardse rechter zijn beslissing herzien. Waarom iemand veroordelen voor het doen wat op het goede voor die ander uitliep, zelfs als zijn eigen motief slecht was en de ogenschijnlijke effecten rampzalig? Ongeacht hoe diep een mens een ander kan haten, hoe erg het kwaad hij de ander probeert aan te doen, als hij in zijn boze opzet niet slaagt of door een iemand voor een ander karretje wordt gespannen, kan geen aardse rechtbank hem veroordelen voor de bedoelde misdaad. De mens is de speelbal van omstandigheden en omstandigheden zijn de dienstknechten van God.

Zo is het dat God deze daad zal afhandelen. Als het slachtoffer, op één of ander manier, tot het leven werd teruggebracht, zou de aanklacht niet ontvankelijk worden verklaard. Dit is precies wat God zal doen. Hij zal hem uit de dood opwekken, en aldus de aanklacht van moord overtuigend te niet doen. Als de zaak werd herzien tot een poging om te kwetsen, zou het slachtoffer zelf voor vrijspraak pleiten als het feitelijk in goed zou resulteren. De God die de kracht heeft om de doden op te wekken staat niet machteloos in de kleinere zaken van het leven. Deze afschuwelijke daad, die volgens elke menselijke maatstaf de dood verdiend, wordt uit de boekrol van het hooggerechtshof van het universum gewist.

HET VERHAAL VAN JOZEF

Naast het kruis van Christus, geeft het verhaal van Jozef ons het helderste zicht op de functie van zonde in Gods plan en illustreert hoe een lafhartige en wrede daad gerechtvaardigd kan worden, wanneer deze wordt gezien in het licht van Zijn opzet. Jozef's broers wisten niets van de hongersnood die zou komen. Ze hadden niet het minste verlangen om de dromen te vervullen die de lievelingsbroer hun heer zou maken. In feite wensten ze de mogelijkheid van de vervulling te voorkomen. Dus beraamden ze hem te doden.

Maar dit kwam niet overeen met de opzet van God, dus legde Hij het in het hart van Ruben om Jozef te redden, in de hoop hem tot zijn vader terug te brengen. Maar omdat dit ook niet in harmonie met Gods plan was, zond Hij de Midianieten en verhinderde het met Juda, die een kleine winst uit de transactie wist te slaan. Zo werd Jozef verkocht naar Egypte. Is dit niet een vuil en verdrietig toneel van zonde? Samenspannen om hun eigen vlees en bloed te doden vanwege zijn dromen! En werkelijk twintig zilverlingen aanvaarden voor de lieveling van hun vaders hart!

Jozef smeekte hen en vreesde voor zijn ziel, maar ze wilden niet luisteren (Gen. 42:21). Jacob, hun vader, scheurde zijn kleren, deed een rouwgewaad om zijn heupen, rouwde vele dagen om zijn zoon en weigerde getroost te worden. "Ik zal rouwend afdalen tot het onwaarneembare naar mijn zoon." Zo weende zijn vader over hem. En later, toen ze Benjamin naar Egypte mee wensten te nemen, bracht zijn hart de klaagzang voort die één van de meest trieste in de annalen van zonde is: "Mijn zoon zal niet met u heengaan, want zijn broeder is dood, en hij is alleen achtergelaten: als hem ongeluk overkomt op de weg die gij gaat, dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het onwaarneembare doen neergaan".

Hoe tragisch de consequenties van deze zonde in de ogen van Jacob waren kan worden gezien vanuit zijn eigen woorden. "Mij hebben jullie beroofd: Jozef is niet, Simeon is niet, en Benjamin wilt gij meenemen: al deze dingen zijn tegen mij" (Gen. 42:36-38).

Zo was het ogenschijnlijk ook. En zo komt het ogenschijnlijk tot ons wanneer tragische dingen in ons leven sluipen en ons hulpeloos achterlaten. Alles lijkt tegen ons te zijn, terwijl, als we slechts Gods gedachten zouden kennen, we zouden zien dat alles voor ons is.

Er is een gezegende toekomst waarvoor al onze beproevingen een voorbereiding zijn. Nee, zelfs de zonden van mensen zijn materiaal in Zijn handen waarmee hun redding wordt uitgewerkt. Een God Die Zijn doeleinden slechts kan volbrengen en Zijn schepselen slechts kan zegenen wanneer ze Hem gehoorzamen en in harmonie met Zijn onthulde plannen blijven, zou in deze boze eon nauwelijks mogelijkheden hebben om te werken, en zou ten onder gaan in zonde en rebellie. Het is de heerlijkheid van Gods wijsheid om Zijn argeloze vijanden voor Zijn opzet te gebruiken, en hun tegenstand aan te wenden om Zijn plannen te begunstigen.

Hoe triomfantelijk groet Jozef zijn broeders! Wat een wonderbaar inzicht in Gods wegen werd hem geschonken! In plaats van wrok te koesteren voor hun behandeling van hem, in plaats van hen te veroordelen voor hun wrede gedrag, stelt hij hen gerust. "Welnu daarom wees niet bedroefd, noch boos bij uzelf, dat gij mij hierheen verkocht hebt: want God zond me voor u uit om uw leven te bewaren" (Gen. 45:5).

Hier hebben we de goddelijke kant van de zonde, die, uiteindelijk, de werkelijke waarheid ervan is. Ogenschijnlijk waren zijn broers "verantwoordelijk" voor deze verbanning naar Egypte. Maar zouden ze geweten hebben dat dit slechts de vervulling van zijn dromen verder zou helpen, zouden ze nooit hebben gedaan wat ze deden. Hun motieven waren volledig verkeerd. Hun zonde was afschuwelijk. Maar hun daad was feitelijk goed. Zij was zo goed dat God het als Zijn eigen daad opeist.

En omdat zijn broeders niet geheel waren getroost, herhaalde Jozef de grote waarheid: "God zond me voor u uit om u een nageslacht op aarde te bewaren, en uw levens te redden door een grote verlossing. (vergl. S.V.) Dus het was niet u die mij hierheen zond, maar God ...." Het lijkt erop neer te komen dat, als Jozef niet naar Egypte werd gezonden, hun levens in de hongersnood verloren waren gegaan, Egypte zelf bezweken zou zijn, en de landen tevergeefs om voedsel zouden hebben gevraagd. Al de beloften aan Abraham en aan Isaac en aan Jacob zouden hebben gefaald als Jozef niet naar Egypte was gegaan (Gen. 45:7,8).

Bestaat er een andere daad in het leven van de aartsvaders die van zulk vitaal belang voor hun welzijn, of zo essentieel voor Gods heerlijkheid is, als deze zonde? Welke goede daad van hen kan de vergelijking met de heilzame gevolgen ervan doorstaan? De wonderbare waarheid springt er helder en scherp uit. Het zenden van Jozef naar Egypte was in feite Gods daad, absoluut noodzakelijk voor hun redding. Toch was precies dezelfde daad ogenschijnlijk een afschuwelijke misdaad tegen God en tegen Jozef en tegen hun vader Jacob.

Als zonde deed het Jozef ogenschijnlijk groot onrecht aan en scheen het Jacob van zijn geliefde zoon te beroven. Als daad van God maakte het Jozef de redder van de wereld en bewaarde Jacob en al zijn zonen en hun families voor uithongering.

Dit alles lijkt erop alsof we zonde lofprijzen, alsof we zouden zeggen "Laat ons het kwade doen dat het goede mag komen." In werkelijkheid is het precies het tegenovergestelde. In de praktijk voorkomt het zonde. Telkens wanneer genade en wijsheid van onze Redder God wordt verheerlijkt, willen mensen dat niet meer. Wie wel zo denken maken misbruik van Zijn liefde als zij het al zouden geloven. Maar wanneer het hun harten aangrijpt verliezen ze elk verlangen voor de losbandigheid die het verondersteld wordt te geven. Hun verbazing over Zijn wijsheid onthult de dwaasheid van iedere poging van hun kant om zonde te rechtvaardigen, en ze hebben de neiging niet om Hem voor de rechtbank te laten verschijnen.

Het effect van deze waarheid op de toekomst is onbeschrijfelijk groots. Eeuwige, onherstelbare, almachtige zonde is een voorstelling die zo verschrikkelijk is, dat het de geestelijke gezondheid bedreigt van een ieder die het in ernstige overweging neemt. Maar zelfs als we Gods kracht en vermogen zien om de zonde aan te kunnen, stellen de meesten van ons het in ons denken voor als een onuitwisbare vlek op het universum. We stellen ons voor dat het kwade effect ervan eeuwig zal blijven hangen, en dat we met verdriet en berouw erop terug zullen kijken dat het ooit werd toegestaan de schepping binnen te treden.

Zo een donkere wolk zal in de voleinding bij ons de lucht niet verduisteren. Zonde betekent nu berouw en lijden, en het is goed dat het dat doet. Maar dan zullen niet sommige zonden, maar alle zonden gerechtvaardigd worden. Zij zal niet, zoals bij de verkoop van Jozef naar Egypte, de mensheid redden van een hongersnood van fysiek voedsel, maar van dat grotere gemis, onwetendheid van God, en hen een realisatie geven van de ontzettende kracht en wonderbare wijsheid die Zijn onvervaarde liefde ten dienste staan.

Dit eenvoudige verhaal verschaft het antwoord op de moeilijkheid die sommigen ervaren in het geloven dat God kwaad doet (geen zonde) om het goede te kunnen bereiken. We worden vaak beschuldigd dat we leren dat "we het kwade zouden moeten doen opdat het goede moge komen" (Rom. 3:8). Hier hebben we een kwade daad die veel goeds teweeg bracht. Maar we erkennen dat dit goede louter werd verkregen door de directe werking van God. Los daarvan zou de zonde van Jozef's broers niets dan lijden en dood hebben gebracht.

Wij zouden geen kwaad moeten doen en op blind toeval vertrouwen om het tot goed te keren. Het lijkt voor een mens onmogelijk om kwaad te doen en niet te zondigen. Hij heeft geen bestuur of controle over een daad als deze eenmaal heeft plaatsgehad. Zelfs een goede daad, gedaan met de beste bedoelingen, kan leiden tot een ramp. Alles wat we kunnen doen is ons handelen aan de hand van God toevertrouwen, Die alleen in staat is hen tot een gelukkige uitkomst te leiden.

Maar zullen we God aldus beperken? Paulus sprak over ons, niet over Hem. Dat God kwaad doet wordt zo vaak in de Schriften verteld dat we ons voelen alsof we ons moeten verontschuldigen om te blijven staan op een zo duidelijk feit dat er zo dik bovenop ligt. Niettemin lijken anderen te denken dat we Hem lasteren wanneer we Zijn woorden geloven (2 Kon. 6:33, Neh. 13:18, Jer 19:3; 21:10; 32:42; 36:3,31 39:16; 40:2; 42:17; 44:2,11; Klaagl. 3:38; Eze. 14:22; Mic. 1:12). En iedereen die er nauwkeurig aandacht aan schenkt zal zien dat, wanneer Hij kwaad doet, het goede er altijd uit voort komt. Al het kwaad dat Hij over Israël bracht was goed en voor hun welzijn.

Er is heel wat te doen over de zonde van het afwijzen van Gods Woord. Zelfs zijn er die zouden betwijfelen of eeuwige pijniging op niemand behalve "Christus afwijzers" van toepassing is. Sir Robert Anderson was er één van. We mogen er zeker van zijn dat koppigheid of hardnekkigheid één van de meest fatale der zonden is. Maar de Schriften maken niet de indeling die de theologie heeft gepoogd te maken, die een groot aantal moeilijkheden opwerpt. Hoeveel licht moet een mens hebben voor hij een afwijzer is? Als hij één heldere evangelie-boodschap hoort is dat genoeg? Wat is een "heldere" evangelie boodschap? Sommige van de "heidenen" hebben nooit van Christus gehoord. Als ze van Hem "horen", maakt dat hen dan verkiesbaar voor eeuwige marteling, of moeten ze een bepaalde formule horen om eeuwig verdoemd te zijn?

In welke belachelijke bochten moeten we ons wringen wanneer we ons wagen aan een theologisch onderzoek! In de Schriften, is de hoeveelheid licht niet de vraag. Alle mensen hebben enig licht, en van allen worden verklaard dat ze koppig of hardnekkig zijn. Dit is, als we dat mogen opmerken, het grootste kwaad onder de zon. Toch aarzelt God niet te verklaren dat Hij dit over hen bracht. "Want God besluit allen tezamen onder hardnekkigheid ...." (Rom. 11:32). In hun eigen bewustzijn, denken ze natuurlijk dat ze het recht hebben om te denken als ze verkiezen. Het is niet in overeenstemming met Gods opzet dat ze zich bewust zouden zijn van Zijn bestuur. Waarom nu wordt dit kwaad gedaan? "Opdat Hij Zich over allen zou ontfermen" (Rom. 11:32).

Jozef's broers deden kwaad, maar God bestemde het tot het goede. Wij doen kwaad, doch God zal het omzetten in goed. Ja, zelfs als we zondigen, is de genade nog overvloediger. Maar we zondigen niet om verdere schenkingen van genade te bekoren, evenmin zouden we kwaad moeten doen in de al te innige verwachting dat het op het goede zal uitlopen. Zoals we zullen laten zien, hebben kwaad en zonde hun grenzen, voorbij welke ze niet zullen reageren tot het welzijn van het schepsel of de heerlijkheid van God.

Hoe dwaas zouden Jozef's broers hebben gehandeld als ze geredeneerd hadden zoals sommigen van ons vandaag doen! Dan zouden ze gezegd hebben, "Als het zo'n grote zegen tot gevolg had om Jozef in de put te gooien en hem in slavernij te verkopen, waarom hem dan nu niet vermoorden en misschien zal het nog beter uitwerken dan onze vorige zonde". Hoe dwaas zou dat geweest zijn! Maar dit is precies het verschil tussen te geloven dat God kwaad kan doen en het goede eruit kan ontplooien, en te zeggen "Laat ons het kwade doen dat het goede kan komen."

De eerste tijd zouden Jozef's broers met gemengde gevoelens van berouw en vreugde terugkijken op hun behandeling van hem. Verdriet en berouw vanwege hun eigen zonde, voor het lijden van Jacob en Jozef. Vreugde voor hun redding van de hongerdood, voor de teruggave van Jacobs lang verloren zoon en voor zijn verheerlijking. Maar wanneer ze zich realiseren dat God hun daad rechtvaardigt door het de bron van zegen te maken, niet alleen voor henzelf maar ook voor Jacob en Jozef, zou alle berouw verdwijnen, hoewel het hun veroordeling van henzelf zou doen toenemen.

De behandeling van Jozef door zijn broers is een dierbaar beeld van de dood en opstanding van de Zoon van God. Jozef's broers doden hem niet werkelijk, evenals Abraham Isaac niet werkelijk doodde, maar in beide gevallen was er de intentie van het hart, en dat is het wat telt voor God. De broers verbeelden de natie die Christus bloed op hun hoofden bracht. Jacob vertegenwoordigd de Vader, en Jozef de Zoon.

Het moet worden opgemerkt dat de enigen die onrechtmatig leden vanwege deze zondedaad, degenen zijn die haar niet pleegden. Jacob had geen hand in deze misdaad, toch leed hij van de gevolgen ervan. Het verlies van zijn zoon veroorzaakte een hartenpijn die slechts zwakjes herinnert aan de vreselijke afgrond die de Vader en Zijn Geliefde op Golgotha zou scheiden.

In Jozef zien we de lijdende Redder. Verre van enig deel in de zonde van zijn broeders, hij is het vlekkeloze slachtoffer die het meest van allen lijdt. Maar zijn lijden is voor hun zonde, niet voor die van hemzelf. En dit is essentieel voor de rechtvaardiging van zijn broeders, want het is louter door zijn ellende dat God het gelukkige resultaat uitwerkt, die hun daad zuivert. Ze worden niet gerechtvaardigd door de blinde ongevoelige krachten van voorzienigheid die gebeuren om de normale resultaten van zonde tegen te werken. Zij worden bevrijd van alle schuld door het plaatsvervangend lijden van Jozef, die de consequenties van hun zonde niet verdiende, maar wel doorstond.

Zij verdienden verbanning van het huis van hun vader: Jozef droeg het. Zij verdienden hun vrijheid te verliezen: Jozef kwijnde weg binnen gevangenismuren. Zij verdienden te lijden: Jozef verdroeg het.

Dus laten we vrijelijk erkennen dat er een tijdelijk element van onrechtvaardigheid bestaat wat Jozef betreft. De broers konden nooit ook maar iets doen om zijn lijden te rechtvaardigen. Als God zijn broers kan rechtvaardigen moet Hij eveneens iets doen om Zichzelf te rechtvaardigen met betrekking tot Jozef.

Vandaar dat Jozef wordt verheven tot de tweede plaats in Egypte. Het lijden van Jozef leidt tot de rechtvaardiging van God in het leggen van de last van hun zonde op hem. Hoeveel hij ook geleden mag hebben in de put en in de gevangenis, hoe gelukkig moet hij geweest zijn om de redder van zijn familie te worden! En toen alles achter de rug was, zou hijzelf de eerste zijn om God te rechtvaardigen voor de zielesmart en ellende die zoveel zegening met zich meevoerde.

Aldus zien we dat de zonde van de mensheid gerechtvaardigd kan worden door het lijden van een Redder, en de ogenschijnlijke onrechtvaardigheid aan de Redder wordt volledig gecompenseerd door God Zelf door Hem de hoogste plaats aan zij rechter hand toe te kennen.

Huidige theologische uitdrukkingen hebben veel gedaan om ons begrip van de "verzoening doen*" naar beneden te trekken. De term "verzoening doen*" zelf, zo vrijelijk gebruikt, verraad de geestelijke armoede van degenen die het gebruiken. In dit beeld zou gezegd kunnen worden dat het lijden van Jozef, zijn afwezigheid van zijns vaders huis de zonde van zijn broers voor een tijd heeft bedekt of verborgen. Maar wat is dat vergeleken met de onthulling van de zonde en zijn rechtvaardiging? Er zijn fasen waarin deze grotere genade precies het tegenovergestelde van "verzoening doen*" is.
* atonement: De oudtestamentische wijze van verzoening doen of verzoening bewerken door middel van bedekking met behulp van bloed

De economische opvatting over "verzoening doen" verruilt zo veel lijden voor zoveel zonde. Van Christus wordt gezegd dat Hij "plaatsvervangend in onze plaats" stierf. Het werd niet nodig geacht te verklaren hoe één Man in die hoeveelheid kan lijden, of hoe er iets meer dan een louter negatieve ontsnapping van het gericht uit zo'n "transactie" kan komen. De dood van Christus was niet in onze plaats. Het juiste voorzetsel is niet anti, INPLAATS-VAN, maar huper, OVER, ten behoeve van.

Als Jozef had geleden in de plaats van zijn broeders, zou dat niet alleen een grote onrechtvaardigheid voor hem zijn, maar het zou zijn broeders in het land hebben gelaten, gedoemd tot uithongering, zij zouden er geen zier beter op zijn geworden dan voor zij zondigden. Maar aangezien hij, onder de leidende hand van God, leed voor hen, leidde het niet louter tot een vrijlating van de straf van hun zonde, maar tot een grote uitredding van het grote kwaad dat hen allen boven het hoofd hing. Door zijn beproevingen werden zij gerechtvaardigd en werd hij verheerlijkt en zij in hem.

Och, dat dit eenvoudige verhaal van Jozef, "de redder van de wereld", zoals de Egyptenaren hem noemden, ons mag helpen tot hogere gedachten van de redding die de onze is in Christus Jezus! Wij proberen altijd om Zijn "bewerkte verzoening*" het middel te maken om onszelf uit de zonde te krijgen. God heeft veel hogere gedachten. Hij zal ongehoorde genade voor ons en onuitsprekelijke heerlijkheid voor Zichzelf uit zonde verkrijgen. Mag onze Redder tot ons spreken als Jozef tot zijn broers deed, toen zij met hun misdaad belast waren: "aldus was het niet gij ..., maar God."
* atonement

A.E. Knoch

Volgend artikel van deze serie

Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.


©Concordant Publishing Concern