Het heerlijk evangelie van Gods genade
deel 4
De wandel van Abram

door A.E.Knoch.

WANDEL is de grondtoon van de redding van de Besnijdenis (Gen. 17:2). Dit staat in scherp contrast met de redding van de Onbesnedenheid, die in het begin aan Abram werd onthuld (Gen. 15:6). Daar was het GELOOF. Maar Abram was er niet in geslaagd zo volledig te geloven als hij had moeten doen. Hij had nog steeds vertrouwen in het vlees. Dit moest vernietigd worden. Daarom is het dat JAHWEH tot hem zei: "Wandel voor Mijn aangezicht en word smetteloos" (Gen. 17:1;SW). Voor mij lijkt dit nu een onmogelijke, te vrezen last. Maar voor Abraham en voor de meeste van de heiligen is dit precies de taak waarvan ze houden, en waarvoor ze zich heel geschikt vinden. Het hele evangelie van de Besnijdenis is gebaseerd op hun vreselijke onwetendheid over zichzelf en hun aanmatigend vertrouwen in hun vermogen om tot in perfectie God een genoegen te doen. Zelfs in mijn geestelijke kindertijd kon ik niet inzien waarom God van Abram perfectie zou vragen. Niemand kon daaraan voldoen! Zeker Abram niet! Waarom dan het onmogelijke vragen? Ik zag niet dat God niet bedoelde dat Abraham er in zou slagen. Hij bedoelde dat hij zou falen, en zo het vertrouwen zou verliezen dat hij nog had in zijn vlees, en het in de Godheid zou plaatsen.

Dit is het essentiŽle onderscheid tussen de twee evangeliŽn. God wil dat wij Hem zonder enige reserve en onvoorwaardelijk vertrouwen. Hij wil niet dat wij in onszelf vertrouwen. Hij verwacht geen perfectie bij het houden van een verbond of een wet, want dat zou leiden tot precies het tegengestelde aan Zijn bedoeling. Alleen hun falen zal hen hun totale gebrek leren en Zijn al-afdoendheid. Natuurlijk kon Hij deze bedoeling van Hem aan hen niet onthullen, anders zou de demonstratie vruchteloos zijn geweest. Dit verklaart niet alleen het falen van Abraham en de aartsvaders, maar de drievoudige afval van de natie, zoals te zien is in de Hebreeuwse Schrift (Jes. 6), in de "evangeliŽn" en in het boek Handelingen. Ze wandelden zeer onvolkomen voor Hem, dat is zeker! Maar door dat te doen hebben ze aan de wereld laten zien dat het schepsel, buiten de Schepper om, onvermogend, zondig en aanvallend is. De mens heeft God nodig, niet alleen om hem te scheppen, maar om hem te redden en te onderhouden. Wanneer dit door bittere ervaring zal zijn geleerd, zal de mens klaar zijn om God als hun Alles te (h-)erkennen en zo het doel van de aionen bereiken.

De vriend van God had een voorsmaak van deze beide reddingen, want hij werd door geloof gerechtvaardigd (Gen. 15:5; Rom. 4; Gal. 3) en ook door werken (Gen. 17:1; Jak. 2:21-24). Het ene was voordat hij besneden werd, en ging er buiten om. Het andere werd verzegeld door besnijdenis. In het eerste deed Abram niets anders dan God geloven, en hem werd onvoorwaardelijk rechtvaardigheid toegerekend, buiten werken om. In het tweede wordt hij opgeroepen voor God te wandelen en smetteloos te zijn, zodat er een verbond zou zijn tussen hem en God, om hem een vader van vele natiŽn te maken. Laten we de laatste zinsnede niet verwarren met zijn geloofvaderschap van vele gelovigen onder de natiŽn. Hier is hij niet de vader van de natiŽn als zodanig, maar alleen van een paar individuen die geloof hebben en gekozen zijn uit de natiŽn.

Abram en Abraham

De naam Abram (Abrm) komt uit de Hebreeuwse stammen ab (VADER) en rm (HOOG). Abraham (met de h) is precies hetzelfde, behalve dat er een e is ingevoegd, Abrem. Dit houdt de toevoeging in van een andere stam, er zo Ab (VADER), r(m) (HOOG) en em (GEROEP of menigte) van makend. Een van de m's wordt bij het samenvoegen weggedaan. Anderen leiden het af van Ab (VADER), rb (GROOT) en em (menigte). Het verschil is niet groot of van levensbelang, want (GROOT) en (HOOG) worden beide gebruikt als een vervaagde figuur, alleen maar om de gedachte te vergroten. Abram is de persoonlijke naam, terwijl Abraham hem verenigt met afstammelingen door de stam MENIGTE er bij in te sluiten. Dit komt overeen met de twee reddingen. De ene is individueel, de andere is nationaal. Tegengesteld aan het gebruikelijke idee, zijn wij met Abram verbonden en niet met Abraham. Het vroegere deel van zijn leven, vůůr zijn besnijding, is met de natiŽn verbonden. De latere uitbreiding werd gegeven om hem te verbinden met zijn lichamelijke zaad.

Ik kan me heel goed herinneren dat ik met verrukking luisterde naar een broeder die probeerde het verschil tussen Abram en Abraham aan te tonen. Zijn gedachte was dat de letter h in Abrm ingevoegd was om de toevoeging van de heilige geest aan te duiden! Natuurlijk zou dit niet aan Abraham zelf bekend zijn, of aan Paulus, omdat noch het Hebreeuws noch het Grieks de letter h heeft. Het Grieks verdubbelt gewoon de a, Abraam. Het Hebreeuws voegt een e in, die gewoonlijk verkeerd gezien wordt als een h. Zoals we gezien hebben voegt dit het element MENIGTE toe aan de naam. Trouwens, de naam Abram is verbonden met geloof en rechtvaardigheid. Het is de geestelijke naam, en niet zozeer Abraham, die niet werd gebruikt totdat wandel, met lichamelijke en nationale zegen, in beeld is. In de Onbesnedenheid is het Abram. Aangezien dit onderscheid in de Griekse Schrift niet waargenomen wordt, is het zeer moeilijk het uit te voeren; daarom gebruiken we, in de regel, Abraham om de man aan te duiden, zonder dit onderscheid. Maar in deze studies zullen we proberen de namen gescheiden te houden.

De oorsprong van de besnijdenis

Het is in dit licht dat we het ritueel van de besnijdenis moeten zien. Het is het teken van het verbond dat de redding van de Besnijdenis kenmerkt. Na aan Abraham het land en zijn zaad beloofd te hebben, gaat God verder door het te bevestigen middels het verbond van besnijdenis (Gen. 17:9-14).

Het belang van dit teken wordt vrijwel geheel over het hoofd gezien. Daarmee geeft God een vooruitblik op het gevolg van de demonstratie die Hij aan het geven is. Het tekent de nutteloosheid van het vlees. Zoals dit kleine deeltje van het vlees afgesneden wordt, zo zou God willen dat wij met het vlees in z'n geheel handelen. Dit teken had hun ogen moeten openen voor het falen van het vlees, dat sinds Abrahams dagen door geen enkele groep van het ras zo grondig is aangetoond als door de Besnijdenis. Laten we in het voorbij gaan er op letten dat het niet voor heel de mensheid bedoeld is, maar alleen voor de menigte aan natiŽn die afstammen van Abraham.

Het falen van geloof

Precies zoals Abrams ervaring met zijn roeping tot zijn rechtvaardiging door geloof de sleutel is tot het evangelie van de Onbesnedenheid en rechtvaardigheid door geloof, zo bereidt zijn verdere ervaring tot aan de tijd dat hij het ritueel van de besnijdenis ontving, ons voor om het evangelie van de Besnijdenis en rechtvaardiging door werken te begrijpen. Het is gebaseerd of het falen van het geloof en de activiteit van het vlees. In plaats van te wachten op Izašk, de beloofde zoon door de vrije vrouw Sarai, verwekt hij Ishmael bij Hagar, de slavin. Dit brengt slavernij, waarin we wandel vinden en een verbond en het teken van besnijdenis aan de buitenkant, in plaats van geloof binnenin (Gen. 16,17).

De feitelijke daden van Abram die aan zijn rechtvaardiging door geloof vooraf gingen, waren allen rechtvaardig wanneer we ze bezien in het licht van Gods rechten en doelstelling. Zijn geloof in Gods uitspraken had hem weggehouden van al het verkeerde. Maar zijn wandel, die leidde naar zijn besnijdenis, was verkeerd, omdat die niet gebaseerd was op geloof, maar op het vlees. En ja, besnijdenis is een teken hiervan, want waarom zou het vlees afgesneden moeten worden als het rechtvaardig is? SaraÔ bevestigt dat ze verkeerd heeft gedaan (Gen. 16:5), en dat dit foute op Abram komt. Hij maakte een fout door naar haar advies te luisteren. Het verkeerde er aan wordt veel duidelijker wanneer we overdenken hoeveel kwaad het bracht op Abraham en zijn nakomelingen. Het bracht onmiddellijk lijden over SaraÔ en Hagar.

De ware besnijdenis

Wij zijn de ware, de echte Besnijdenis, omdat wij in geest goddelijk dienstbetoon aan God leveren en ons verheerlijken in Christus Jezus, en geen vertrouwen hebben in het vlees. De zogeheten Besnijdenis is slechts een Versnijdenis, want zij verminken slechts het vlees, en hebben gebrek aan het geloof waarvan besnijden simpelweg het teken is (Filip. 3:2-5). Zij aanbidden God in vlees, en verheerlijken in hun vlees in regelrechte tegenspraak aan het belang van dit teken, wat bestaat uit de verwijdering, het wegsnijden van het vlees als een teken van het afleggen van het geheel. Laten we hierover duidelijk zijn. Wij zijn niet de letterlijke Besnijdenis. Wij zijn de figuurlijke Besnijdenis, de letterlijke Onbesnedenheid. Het feit dat deze letterlijke besnijdenis op zichzelf alleen een teken is, een aanduiding, een voorsmaak, een label, waarin een klein deel van het vlees letterlijk verwijderd wordt om het volkomen falen en bankroet in z'n geheel aan te geven. Wij realiseren en genieten dat wat het slechts aanduidt. Wij zijn de ware, de echte Besnijdenis, ook al is ons vlees niet verminkt zoals het hunne is.

Dit is de feitelijke, ultieme waarheid over de besnijdenis, en dit zou de basis moeten vormen van onze studie. Wij moeten er echter aan denken dat alle onthulling die hieraan vooraf ging niet vanuit dit standpunt is geschreven, maar in een enigma, en verwrongen wordt gezien, als in een spiegel. Maar zelfs in die vroegere onthulling zullen we hinten en aanwijzingen vinden die een geestelijk ingestelde heilige naar deze waarheid geleid zouden hebben. Dit wordt duidelijk gesuggereerd voordat het aan Abraham werd gegeven, want hij was negen en negentig jaren oud en zijn vlees was dood, voor zover het de vervulling van de belofte van God over het zaad betrof. Abraham wist dit en zei dit ook tot God. Hij wilde ander vlees nemen ter vervanging als zijn erfgenaam, maar God wilde laten zien dat alles van Hem afhankelijk was, en in het geheel niet van vlees. Daarom verlevendigde Hij, gaf Hij kracht aan Abraham, gaf hem leven na de dood, en stond toen op een teken hiervan, om het in een voortdurende herinnering te houden, door een deel van het vlees af te snijden.

Indien een nakomeling van Abraham geestelijk ingesteld zou zijn geweest, zou hij het zo afgeleid hebben: Ik word verondersteld het letterlijk zaad van Abraham te zijn, maar in werkelijkheid ben ik dat niet, want Abram had geen zaadlozing, behalve Ishmael dan, totdat hij lichamelijk onvermogend was tot voortplanting. Op zijn negen en negentigste kon hij geen verdere afstammelingen verkrijgen, en hij wist het en bevestigde het. Anders zou ik een Ishmaeliet zijn, een product van Abrams ongelovige vlees en een slavenmeisje, gedoemd tot dienen en vernedering. Maar, helaas, slechts weinigen in Israel waren nederig genoeg om de nutteloosheid van het vlees te voelen.

Alles wat we hebben dat van enige waarde is, is in Christus, niet in onszelf. Ook onze besnijdenis is in Hem. Werd Zijn besnijdenis op de achtste dag ook aan ons toegerekend? Zeer zeker niet. Die werd door handen gedaan en bestond uit het afsnijden van een zeer klein deel van het vlees. Zijn echte besnijdenis kwam aan het kruis, toen Hij werd afgesneden van het land van de levenden, en zijn vlees als geheel afgenomen werd en in een tombe gelegd. In Hem, in die tijd, legden wij het lichaam van vlees af (Kol. 2:11). Dit brengt ons in de plaats die aangeduid wordt door het label. Wij bezitten de geestelijke werkelijkheid waarvan de lichamelijk rite slechts het symbool was. Het label op een lege fles is van geen waarde. De inhoud is net zo waardevol zonder het label als er mee, in het bijzonder wanneer de kwaliteiten er van duidelijk zijn door hun deugdelijkheid en kracht.

Het teken en zegel

Het zal zeer behulpzaam zijn om op onze harten te drukken dat besnijding een teken en zegel is (Rom. 4:9-12). Dan zullen we er voorbij kijken naar dat wat het betekent en dat wat het veilig stelt. Wanneer we de zaak van Abraham gaan overdenken, laten we dan opmerken dat hij, lang voordat hij besneden werd, Gods rechtvaardigheid had, door geloof. Het ritueel voegde niets toe aan zijn geloof of aan zijn eigen rechtvaardigheid. Het labelde hem alleen als iemand die deze dingen bezat. Abram was in het geheim rechtvaardig gerekend in onbesneden toestand; maar hij werd openlijk erkend als rechtvaardig door het teken en zegel van zijn besnijdenis. Het toerekenen was door God en was blijvend. De herkenning was er voor mensen en was oppervlakkig.

Onze Heer bevestigde dat de Joden in een lichamelijke zin Abrahams zaad waren, net zoals de Ishmaelieten en Ezau's afstammelingen dat waren. Maar zij claimden Abraham als hun vader in een veel diepere betekenis dan dat. Hij wilde niet bevestigen dat zij Abrahams kinderen waren. Dat was de aanmatiging van hun hart. God, zei Hij, kon zulke kinderen opwekken uit de stenen waarop zij leken, want zij waren hard van hart en levenloze klompen aarde (Matt. 3:9; Luk. 3:8). Ze leken in hun gedrag zo weinig op Abraham, dat zij geen recht hadden hem als hun voorvader op te eisen. Zij probeerden hun eigen Messias te doden! Denk je in dat Abraham dit zou doen! Door hun werken bewezen ze dat ze afstammelingen van de Tegenstander waren, niet van Abram. Daarom zei onze Heer tot hen: "Indien jullie kinderen van Abraham zijn, deden jullie de werken van Abraham" (Joh. 8:31-47). Zij hadden de besnijdenis op de achtste dag, maar bij hen ontbrak niet alleen het geloof waarvan het een teken en zegel was, maar ook de werken die het volmaakte (Jak. 2:22). Abraham offerde Izašk door geloof; zij kruisigden Christus door ongeloof.

Ik denk vaak hieraan in verband met een verhaal dat door Dr. Weizmann, de Zionistische leider, werd verteld bij een Joodse rally die ik bijwoonde in Los Angeles. Het betrof een Russische Jood die probeerde uit dat land te ontsnappen en een vals paspoort had. Zijn naam was Abraham, maar zijn paspoort stond op een andere naam, die grondig bij hem ingeprent was, omdat hij niet kon lezen. Toen hij bij de grens kwam, was hij te opgewonden om zich iets te kunnen herinneren. Ze vroegen hem zijn naam en hij antwoordde met grote opwinding:  "Dat weet ik niet! Ik ben het vergeten! Maar ik weet wel dat het niet Abraham is!" Hoe waar dat was van alle Joden wist zelfs Dr. Weizmann niet. Wat ook hun naam mag zijn, zij zijn niet de kinderen van de vriend van God, die Hem vertrouwden en niet hun eigen arm. De aanwezige Joden (ik was, voor zover ik weet, de enige heiden), waren net als die arme man. Ze verzamelden geld om Palestina te kopen, het land dat aan Abram en zijn zaad was gegeven! Ze waren niet eens Jakob. Hij wilde niet goed geld uitgeven om zijn eigen land te kopen.

Als gevolg hiervan werd Abraham de vader van twee onderscheiden klassen, waarvan de apostel er ťťn verbindt met het toerekenen van geloofsrechtvaardigheid in onbesneden toestand (waartoe de heiligen van de natiŽn vandaag behoren) en de vader van de Besnijdenis; maar niet van hen die slechts het uiterlijke teken en zegel hebben, maar van hen die de fundamenten van het geloof waarnemen in de voetstappen van Abram voordat hij werd besneden. Dit onderscheid is van groot belang indien we het verschil willen verstaan tussen het evangelie van de Besnijdenis en dat van de Onbesnedenheid. Zoals de apostel elders volledig verklaart, was Abram niet de vader van hen van de Besnijdenis die niet in zijn voetstappen volgden (Rom. 2:25-3:1). Dit zullen we laten meer volledig overwegen. De Onbesnedenheid kent hem als hun vader op grond van geloof alleen. De Besnijdenis kan hem alleen opeisen wanneer zij het geloof, het teken en de wandel hebben.

Toen ik voor het eerst naar Denemarken ging, waren de heiligen daar zeer verontrust door een leer die hen had bereikt, dat Romeinen  "Joods" was omdat het in Abraham werd gebracht. Zodra ik aanduidde dat het naar zijn geloof verwees voordat hij besneden was, werd de hele zaak duidelijk en wezen ze Romeinen en de andere brieven van Paulus niet langer af op basis van zulke twijfelachtige gronden. Abraham was, vůůr hij besneden werd, zeker niet een van de Besnijdenis. Het geloof dat hij toen had was de grond van zegen die hem maakte tot de vader van de Onbesnedenheid die geloven, buiten werken om. Hij was zeker geen Jood, een afstammeling van zijn grote kleinzoon Juda, of van zijn kleinzoon Jakob, die later allen  "Joden" werden genoemd, toen zij zich verbonden met de afstammelingen van Juda als aanbidders van JAHWEH.

Omdat besnijdenis alleen een uiterlijk teken is, zijn de voordelen er van beperkt tot hen die de overeenkomstige innerlijke werkelijkheid hebben. Zij die smetteloos voor God wandelen zullen voordeel krijgen, maar zij die niet Zijn wet houden zijn in de praktijk onbesneden. Zij zijn als een lege pot met een etiket. Het etiket misleidt alleen wanneer de inhoud verdwenen is. Een andere pot die bevat wat het etiket aangeeft, is, ook al heeft ze geen etiket, het werkelijke ding. Niet alleen zijn zij van de Besnijdenis die geloven de echte Besnijdenis (Filip. 3:2,3), maar de Jood die besneden is in zijn hart, in geest, niet letterlijk in het vlees, de ware Besnijdenis. Toch moet het uiterlijke teken dat hem rechten geeft op voordelen niet geminacht worden; het belangrijkste daarvan was dat zij de beheerders van Gods onthulling werden (Rom. 2).

De verplichting tot besnijdenis

Besnijdenis ligt als een verplichting op allen die het hebben, ver voorbij hun vermogen te betalen. Het is als een etiket dat garandeert dat hele wet is gehouden. Een ieder die het gebruikt adverteert daarmee zijn vermogen om het voor elkaar te krijgen zonder Christus en Zijn offer. Besnijdenis is het echte "uit" genade vallen. Het is een te vrezen last die men op zich neemt, terwijl God die niet op ons heeft gelegd. Niemand kan voldoen aan dit etiket. Het moet onontkoombaar leiden naar de vloek die rust op allen die er niet in slagen het minste gebod van Gods wet te houden. De Joodse "gelovigen" in Paulus' dagen waren zo blind, dat zij er op stonden dat besnijden noodzakelijk was voor de redding van de natiŽn! Het beklonk veeleer hun veroordeling.

De nodeloosheid van besnijden voor de natiŽn wordt herhaaldelijk door Paulus in zijn brieven benadrukt. Het is van zo weinig belang dat het niet eens de moeite waard is het te verhelpen. Een ieder moet zo blijven als hij was toen God hem riep, besneden of onbesneden. Wij negeren uiterlijke, niet essentiŽle etiketten en erkennen alleen innerlijke, essentiŽle werkelijkheden! Voor de Besnijdenis is het een inzetting van God die gehouden moet worden, maar voor ons betekent besnijden niets (1 Kor. 7:17-20). In Christus Jezus baat noch besneden zijn noch onbesneden zijn iets, maar geloof, werkend door liefde (Gal. 5:6). In Hem is er een nieuwe schepping (Gal. 6:15). Het waren de zelf-rechtvaardige FarizeeŽn die tegen Paulus opstonden, en op besnijden en wet houden stonden (Hand. 15:5; 21:21). Niet Gods rechtvaardigheid hebbend, probeerden zij er een van hen zelf te maken, en slaagden er in het tegendeel te bereiken.

De vraag naar besnijden voor de Onbesnedenheid was de oorzaak van veel verdriet en conflict tijdens de vroege bediening van de apostel Paulus, en was te wijten aan het feit dat besnijdenis het kenmerk was van JAHWEH's volk. Toen Paulus na zijn eerste zendingsreis terugkeerde naar AntiochiŽ, stonden de Joden, in het bijzonder enkelen uit Judea, gewelddadig tegen hem op omdat hij geen proselieten had gemaakt, noch hen had besneden, noch hen onder de wet had geplaatst. Het oproer werd zo erg dat de zaak naar de apostelen in Jeruzalem werd verwezen. Petrus schijnt de enige onder de Besnijdenis te zijn geweest die enige sympathie had voor de positie van Paulus. Zelfs hij zou het niet begrepen hebben als hij niet voorbereid was geweest door middel van het visioen dat hij in Joppe zag, en niet Gods hand had gezien in het handelen met Cornelius (Hand. 10).

Paulus vertelt ons in zijn brieven veel meer over besnijden dan enig ander geÔnspireerd schrijver, ook al was hij de apostel van de Onbesnedenheid. Dit is te danken aan het feit dat de ware bedoeling van het ritueel niet begrepen werd, en dat religieuze ongelovigen nog steeds vasthielden aan hun eigen vlees en de werken er van. Zien we eenmaal het grote contrast tussen Abram en Abraham, tussen geloof en werken, tussen Gods rechtvaardigheid en die van een mens, tussen Paulus' evangelie en dat van Petrus, dan zullen onze harten gevuld worden met gejubel omdat we niet een voorwaardelijk pardon kregen dat afhangt van onze daden, maar dat wij gerechtvaardigd werden door genade, buiten werken om, volkomen afhankelijk van geloof in God. Wij zijn zwak en lijden gebrek. Hij is de Al-afdoende!

Door naar deel 5


Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.