Geworteld en gegrondvest in liefde
studies in Efeziërs

deel 24
De era voorafgaand aan de huidige
door A.E.Knoch.

"11 Herinnert jullie daarom dat ooit jullie, de natiën in het vlees, de genoemden onbesnijdenis door de genoemden besnijdenis in het vlees, gedaan door handen,
12 dat jullie, voor die era1), zonder Christus, vervreemd waren van het burgerschap van Israel en gasten van de verbonden van de belofte, geen verwachting hebbende en zonder God in de wereld."

(Efe. 2:11,12;SW)

We hebben nu de twee overheersende aspecten van het geheim overdacht, gezamenlijke genieters van een lotdeel en gezamenlijk leden van Christus' lichaam. In het eerste (Efe. 1:3-14) ontdekten we onze nieuwe band met God. In het tweede overdachten we onze band met Christus. In beide trekken we gelijk op met een uitverkoren deel van Israel. Het past ons nu het derde aspect van het geheim te bestuderen: wat is onze directe relatie met de heiligen in deze en in alle andere goddelijke bedieningen? Hier ligt een rijk veld van waarheid, vrijwel onontgonnen, omdat de sleutel verloren is gegaan (Efe. 2:11,12).

De heiligen uit de natiën die als eersten het geheim ontvingen, waren dezelfde die Paulus had bereikt in zijn voorafgaande bediening. Toen het geheim bekend was gemaakt, kon Paulus het niet naar een geheel nieuw gezelschap van mensen sturen, want zulke heiligen bestonden er niet. Hij zond het naar hen die deel hadden aan de overgangsbedeling die aan de huidige vooraf ging. Die heiligen vormden geen speciaal lichaam, een lichaam zonder ons. Zij zullen niet een lichaam van Christus zijn en wij een ander. Als dat zo zou zijn, dan zou Paulus in beide moeten zijn! Enkele van zijn vrienden zouden op gelijke wijze in verlegenheid gebracht worden. Christus zou dan twee figuurlijke lichamen hebben! Paulus zou twee onderscheiden bestemmingen hebben, als er een bepaalde bestemming gevonden kan worden voor de vroege heiligen, buiten de Efezische onthullingen om. Het geheim werd bekend gemaakt aan en door die heiligen die de waarheid hadden ontvangen die in Paulus' eerdere brieven onderwezen werd. Het is van groot belang dat het niet gezonden werd aan en door de twaalf apostelen of aan hen die zij dienden.

Ten eerste worden we uitgenodigd ons te herinneren welk een lage plaats was toegewezen aan de natiën tijdens de era die vooraf ging aan de onthulling van het geheim (Efe. 2:11,12). Dit is moeilijk te begrijpen, tenzij we gepaste aandacht schenken aan de nadruk die op het woord vlees wordt gelegd. Tijdens Paulus' eerdere bedieningen had hij rijke geestelijke zegeningen gebracht aan de natiën. We zullen er goed aan doen ze in dit verband even te vergeten. De verschillende punten die God ons hier opdraagt te herinneren zijn alle afhankelijk van lichamelijke afstamming. Het ritueel van besnijden plaatste een onoverkomelijke barrière tussen Israel en de natiën. "Herinnert jullie daarom dat ooit jullie, de natiën in het vlees, de genoemden onbesnijdenis door de genoemden besnijdenis in het vlees, gedaan door handen." Mis dit en je mist alles.

We moeten de rijke geestelijke zegeningen uit onze gedachten verbannen, zoals rechtvaardiging, verzoening, en zoonschap, die door Paulus' bediening naar de natiën waren gekomen. Hoewel zij een geestelijke besnijdenis hadden die veel meer effect had dan de vleselijke rite, bleven ze nog steeds de "Onbesnedenheid." Hoewel zij een kennis van God genoten die verre superieur was aan die welke de twaalf apostelen en hun volgelingen bezaten, hadden zij geen vlees om op te bouwen. Hoewel in geest "in Christus," waren zij in het vlees zonder Christus (Efe. 2.12). Zij waren vreemdelingen voor het politieke Israel. Hen werd toegestaan alleen als gasten deel te nemen aan haar verbonden. Zij waren geen "vreemdelingen voor", maar "gasten van".

In geest hadden de natiën een verwachting, een "gezegende hoop". Op dat moment was die nog niet goed gedefinieerd. Hun bestemming was vaag, maar heerlijk gedekt door de wonderlijke woorden "altijd samen met de Heer" (1Thess. 4.17). Maar ze hadden geen lichamelijk erfdeel in zicht. "Geen verwachting hebbende" (Efe. 2:12) moet beperkt zijn tot het controlerende thema - in het vlees ofwel lichamelijk. Het moet niet toegepast worden op de ongelovige, maar op het gezelschap heiligen dat Paulus' boodschap geloofd had. Zij werden geen proselieten om te kunnen delen in Israels lichamelijke voordelen. Zij bleven onbesneden en hadden gebrek aan alle vleselijke vereisten.

Hoe vreemd het ook mag lijken, ze waren zonder God in deze wereld (Efe. 2.12). Hoe ver dit van de waarheid was in het geestelijke gebied, laten we aan ieders fantasie over. De geesten van hen die zich van de afgoden tot God hadden gericht (1Thess. 1:9), die genoten van het achtste hoofdstuk van Romeinen, die de geestelijke schenkingen van Korinthiërs hadden, waren zeker niet zonder God in deze wereld. Maar dat is hier niet het punt. In het vlees hadden ze geen God die ze de hunne konden noemen. Zelfs de ongelovige Israeliet kon Yahweh opeisen als zijn God, en binnen gaan in Zijn heiligdom om zijn plichten te verrichten. De gelovigen uit de natiën hadden dat voorrecht niet.

Het zou voor de Efeziërs een gemakkelijke taak zijn geweest zich dat te herinneren waar ze zelf bij betrokken waren. Ze konden eenvoudig terug kijken naar hun eigen ervaringen. Maar dat is niet zo bij ons. Wij leefden nooit in een andere bediening dan deze, die de periode besloeg waarmee de laatste helft van Handelingen zich bezig houdt, zolang Paulus het evangelie van God predikte tijdens zijn rondreizende bediening onder de volken. Maar het is van urgentie voor ons verstaan van de huidige genade dat we ook de huidige superlatieve genade kunnen vergelijken met de gunst die eerder aan de natiën werd getoond. Om dit te doen zullen we de persoonlijke ervaring van Trofimus overdenken, in wie een krachtige voorbeeldles werd gegeven over juist dit thema.

De Schrift geeft ons drie typerende mannen die voor ons de verschillende ervaringen kunnen illustreren van de gelovigen onder de natiën ten tijde van de overgang die vooraf ging aan de onthulling van het geheim. Deze drie mannen zijn Trofimus, Tychicus en Onesimus. Alleen al hun namen zijn van belang. Trofimus betekent Gevoede. Tychicus kan mogelijk het best vrij weergegeven worden door Gelukkige. Onesimus betekent Nuttige. In de persoonlijke geschiedenissen van deze drie mannen heeft God ons een levend en bewegend panorama gegeven van de inwijding van de huidige gang van zaken. Elke naam, samen met ieder detail dat over hen werd opgeschreven - waar ze zijn, wat ze doen, wat hen overkomt - is vol van betekenis. De geschiedenissen van deze drie mannen vormen een miniatuurbeeld van Gods handelen in hun dagen. Indien we elk verbinden met een kennis van God en Zijn handelen zoals onthuld was geworden, en star alle dingen die niet over hen geschreven zijn uitsluiten en ontkennen, inclusief die onthullingen die nog toekomstig waren, zullen we een betrokkenheid en instructief beeld genieten van het begin van de huidige geheime bediening.

De Gevoede (Trofimus) brengt ons de era voor ogen die we aan het overdenken zijn, die kwam tussen de Pinkster- en de huidige bedieningen - de dingen die we worden opgeroepen te herinneren. Zijn aanwezigheid in Jeruzalem met Paulus is de toetssteen die ons de werkelijke aard van die era laat zien, en zal ons de prominente plaats die gegeven werd aan de fysieke suprematie van Israel doen waarderen. We gaan zo naar hem terug.

De Gelukkige (Tychicus), de drager van deze boodschap aan de Efeziërs, is een echt beeld van hen aan wie hij was gezonden. Terwijl de Gevoede achter gelaten worden (door gebrek aan voeding? - 2Tim. 4:20), is Tychicus inderdaad de "Gelukkige", want hij verlaat het verleden en gaat binnen in het heden. Hij heeft de ervaring van de Gevoede gehad, maar voor hem wordt het, in het licht van de verbazingwekkende genade die hij met zich bracht van Rome naar Efeze, slechts een herinnering.

De Nuttige (Onesimus) was als wij. Hij had niet de persoonlijke ervaring van een eerdere bediening. Hij was de vrucht van Paulus' ketenen. Net als de natiën, van wie hij een vertegenwoordiger was, was hij in het verleden nutteloos geweest. De natiën stonden niet op goede voet met God. Ze konden nooit de schuld uitwissen die zij bij Hem hadden, of het feit vernietigen dat zij Zijn eigendom waren. Zij waren Zijn slaven, maar ze waren weggelopen voor Zijn dienst, net als Onesimus. Wat is het vreemd dat een man in ketenen de wegloper zou vangen en terugsturen naar zijn Meester! Maar zo gaat God met ons om. Paulus' ketenen, gedragen ten behoeve van de natiën, hebben menige nutteloze vluchteling omgevormd in een vrije, die inderdaad "nuttig" is (Filemon 10-19).

Trofimus, uit Efeze, werd met Paulus in Jeruzalem gezien, tijdens diens laatste bezoek aan de stad (Hand. 21.29). De Joden dachten dat Paulus Trofimus in het heiligdom had gebracht. Dit was de aanleiding voor het gevangen nemen van Paulus. Het is een zeer beeldende illustratie van de waarheid die we aan het overdenken zijn. Trofimus was geestelijk veel dichter bij God dan wie dan ook in de bende die Paulus aanviel. Maar alleen al de gedachte dat hij lichamelijk had genaderd, riep al op tot een rel. Heel Jeruzalem was in rep en roer! De kapitein van het Romeinse eskader rept zich met centurions en soldaten naar het toneel. Aangekomen in het centrum van de onregelmatigheden treft hij een bende aan die probeert een man te doden, een Jood, nadat zij hem uit het heiligdom hadden gesleept en de poorten hadden gesloten. Nadat hij de man had opgepakt en hem had geketend, vroeg hij wie hij was en wat hij had gedaan.

Zou hij een vreemdeling zijn, dan zou het een duidelijk geval zijn geweest van het passeren van de "soreg", of de "middelste scheidingsmuur" van de omheining waar het voor een heiden niet was toegestaan te passeren. Maar deze man was duidelijk een Jood. De menigte was zo luidruchtig in hun aanklachten, dat hij niet kon vaststellen wat er nu werkelijk aan de hand was, en daarom beval hij hem naar het kasteel te brengen. Bij het binnen gaan krijgt Paulus het recht om tot het volk te spreken. Omdat zijn toespraak in het Aramees was, het Hebreeuwse dialect dat door de Joden werd gebruikt, stilde het tumult en luisterden zij met aandacht. Uiteindelijk, echter, zegt hij iets dat de stilte doet verbreken. En opnieuw roepen ze: "Weg van de Aarde met zo iemand, want het past hem niet levend te zijn!" (Hand. 22:22;SW). Ze nemen hem zijn kleding af, en staan klaar om hem te stenigen en werpen stof in de lucht. Paulus wordt meegenomen, in het kasteel, en verdwijnt uit het zicht.

Aangezien de melding dat Paulus hem in het heilige gebied had gebracht en zo het heiligdom had verontreinigd, de oorzaak van al deze onrust was, moet dit voorval wel grote indruk op Trofimus hebben gemaakt. Zijn naam en fysieke omgeving zijn slechts een gelijkenis van de waarheid. Hoewel niet een Jood, wordt hij in Jeruzalem "gevoed" met Joods voedsel en in gehuisvest in Joodse onderkomens. Een tijdlang verblijft hij er als hun gast (Efe. 2:12). Dit is de toestand van de natiën. Zij waren deelnemers aan Israels geestelijke zegeningen (Rom. 15:27). Nu moet hij leren dat, in het vlees, hij zonder God is in de wereld. Sommige Joden uit Asia hadden hem herkend met Paulus, en waren tot de conclusie gekomen dat Paulus, die de natiën geestelijk dicht bij God had gebracht, nu van plan was hem in het vlees dichtbij te brengen. Waarom zou hij hem anders daar brengen? De vraag werd met overtuiging ontvangen. Er was geen bewijs nodig.
Zo begon het. Maar hoe eindigde het? Wat was dat verschrikkelijke woord dat de betovering verbrak die de apostel over de boze bende had geworpen? Het was het gehate "goyim", de naam voor de vreemde natiën.

Ze hadden met blijdschap het verhaal over Paulus' bekering aangehoord. Ze maakten geen bezwaar tegen het feit dat Israel Gods genade had verworpen. Maar dat God Paulus naar de andere natiën had gezonden, naar die onbesneden honden, dat ging ver uit boven wat ze konden verdragen. En de man die zo'n gedachte durfde uitspreken? "Weg van de Aarde met zo iemand!" Hoe weinig konden deze trouwe Pinkstermensen dromen hoe God eens deze woorden zou gebruiken om Zijn doelstelling voor Paulus en de natiën te beschrijven. Zij waren inderdaad niet geschikt om te leven, dus rekenen zij zichzelf gekruisigd met Christus. Zij hebben geen plaats op Aarde. Ze moeten van de Aarde weggenomen worden, niet in de betekenis die deze profeten bedoelden, maar naar een hogere plaats te midden van de hemelingen.

Hoe moet de arme Trofimus zich gevoeld hebben bij de gedachten die deze scènes deden opborrelen? Hij was niets anders dan een van die verachte "goyim." Als zodanig kende hij zijn plaats, ver, ver weg van de verblijfplaats van Yahweh. Hij kreeg die dag daar een triest bewijs van, toen alleen al het gerucht dat hij had gedurfd zo nabij te komen bij Hem als zij, al dit tumult had veroorzaakt. De grote kloof tussen hem en de minste van de Besnijdenis werd geaccentueerd door zijn aanwezigheid in Jeruzalem, in de buurt van de bekende verblijfplaats van Israels God. Tijdens zijn reizen met Paulus onder de natiën was er niet zo de nadruk gelegd op het ritueel dat, naar hij nu merkte, zoveel verschil maakte. Het is waar, Paulus had Timotheüs besneden, maar diens moeder was tenminste een Jodin. Trofimus had geen recht op de rite of de voorrechten die het meebracht.

"Onbesnedenheid" betekende in de meeste landen niets, want dat was de normale toestand van een man. Het is pas wanneer hij in contact kwam met de Besnijdenis, en in neerbuigende minzaamheid tot hen, dat hij moest erkennen dat hij behoorde tot een lagere kaste - de "Onbesnedenheid." Het was niet een zaak van verdienste of van karakter, het vloeide slechts voort uit geboorte. Bovenal was het niet het bezit van Gods genade of een kennis van Hemzelf. Menigten van godvruchtige, toegewijde gelovigen in zijn geboortestad leefden betere levens dan deze besneden Israelieten. Maar dit had geen nut. Ze kwamen uit de verkeerde afstamming. Het beste was de aartsvaders te mogen rekenen tot jouw voorouders. Als je niet een lichamelijke afstammeling bent van Abraham, heb je niet het recht op het ritueel van de besnijdenis en moet je afstand houden van Gods verblijfplaats.

Buiten Christus om.

"Ik zeg namelijk dat Christus dienaar van besnedenen is geworden, ten behoeve van de waarheid van God, om de beloften van God aan de vaderen te bevestigen"
(Rom. 15:8;SW)

Tijdens Zijn bediening zette Hij nauwelijks een voet buiten het land Israel. In de ecclesia van Zijn dagen waren er geen goyim(natiën, of heidenen). Ja, wanneer Hij hen uitlegt hoe een broeder te mijden die weigert naar de ecclesia te luisteren, gebiedt Hij hem te behandelen zoals zij de tollenaars en vreemdelingen behandelden (Matt. 18:17). Verraders en niet-Joden werden gelijkelijk buitengesloten en veroordeeld. Hij kwam om het lichamelijke zaad van Abraham aan te pakken (Hebr. 2.16).

De Kanaänitische vrouw moest deze nederig makende les leren. Haar "Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David," slaagde er niet in een gevoelige snaar in Zijn genadevolle hart te strijken. Zijn discipelen horen het, maar voelen ze mee? Wat was hun sympathie vreemd! "Zend haar weg," zeggen ze. Hij schijnt in te stemmen met hun hardvochtige eis, want Hij zegt: "Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt. 15:24;SW). Hij was de ware David Die de schapen van Zijn Vader hoedde. Maar de vrouw was niet van deze kudde. Als Zoon van David kon Hij haar niet helpen. Het is alleen als Heer dat Hij over allen is. Als zij dan uitroept: "Heer, help mij!", lijkt Hij wat toe te geven, maar antwoordt: "Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen, en het naar de jonge hondjes te werpen". Zij ontving alleen een zegen door de kruimels op te eisen die van de tafel van hun heer vallen. Zij werd gedwongen Israels eerdere, vrijwel exclusieve plaats te erkennen. Dit was de enige grond waarop zegen werd uitgedeeld aan onbesneden vreemdelingen. Zij waren slaven van de Heer, maar hadden geen Messias. Zij waren zonder Christus (Efe. 2.12).

Gasten van de verbondsbeloften.

Christus is niet slechts de Dienaar van de Besnijdenis, maar geeft ook gelegenheid aan de andere natiën om God te verheerlijken voor Zijn mededogen (Rom. 15:9). Dit mededogen werd door Hem uitgedeeld in de persoon van Hun Heer, of Meester, want Hij is Heer van allen. Het was op deze basis dat Petrus voorstelde Cornelius te dopen (Hand. 10:36,48). De verbonden die God met Zijn volk maakte waren niet alleen voor henzelf, want hun grootste voorrecht is een kanaal te zijn voor het zegenen van de andere natiën. God beloofde Abraham dat door hem, en door zijn Zaad, alle geslachten van de Aarde gezegend zouden worden. De normale plaats van de heidenen is om uitgenodigde gasten van Israel te zijn. Dit was hun plaats tijdens de era die vooraf ging aan de huidige geheime bediening.

Vreemdelingen voor Israels burgerschap.

Geen burgerschap op Aarde kan vergeleken worden met dat van Israel. Andere natiën komen op en gaan onder, maar Israel zal ze allen overleven, en aan haar burgers een kracht en prestige overdragen boven dat van alle andere en dat zal blijven tijdens de aionen. Alleen voor Israel is er de heerschappij over de Aarde. Onze stamboom kan zeer glorieus zijn en vol met beroemde namen, maar als die niet terugvoert naar Abrahams kleinzoon, wiens naam werd veranderd in Israel, hebben we tekort aan het ene essentiële dat nodig is voor echte politieke suprematie op Aarde. Tussen Jood en heiden moet altijd het verschil blijven dat bestaat tussen heerser en overheerste, de soeverein en de onderschikte, want dat zal de plaats zijn van de vreemdelingen in het beloofde Koninkrijk op de Aarde.

Geen verwachting.

Als heidenen, in het vlees, hebben we geen nationale verwachtingen. Egypte roemde ooit in wereldheerschappij, en werd gevolgd door Assyrië en Babylon. Nebukadnessar, Alexander en Caesar verhieven hun rijken naar de plaats van superioriteit en hun burgerschap tot de hoogste achting. Paulus eiste de voorrechten op van een Romeins burger. Maar al deze machtige rijken hadden geen toekomst. Ze zijn voorbij gegaan, net zoals zeer velen dat zullen doen die iets van hun verhevenheid en trots hadden geërfd. De pagina's van profetie verzekeren ons dat heidense heerschappij gedoemd is te verdwijnen. Alleen Israel heeft een verwachting. Indien we vreemdelingen zijn, in het vlees, is een aan hen onderschikte plaats het beste waar we op Aarde naar kunnen uitkijken.

Veruit het meest interessante en imponerende gezicht in heel Jeruzalem was de tempel op de berg Moria. "De uiterlijke facade, in haar voorgevel, had niets extraīs nodig om bewondering of verbazing op te wekken, want ze was helemaal bedekt met zeer zware gouden platen. Bij het opkomen van de zon weerspiegelde het een zeer vurige glans, en deed hen die zich dwongen er naar te kijken hun ogen afwenden zoals ze dat gedaan zouden hebben bij de stralen van de zon. Van een afstand gezien leek het op een grote berg die met sneeuw was bedekt, want de delen die niet verguld waren, waren buitengewoon wit." Dit is de beschrijving die door Josefus werd gegeven.

Zouden we met Paulus en Timotheüs naar de heilige stad zijn gekomen, dan zou het onze grootste wens zijn geweest van nabij een glimp op te vangen van het heilige gebouw. Dus gaan we door de poort van de buitenmuur naar binnen, in het hof van de natiën (die een ongeoorloofde toevoeging was aan Herodes' tempel) en bewonderen haar kloostergangen, met gepolijste marmeren pilaren en een dak van cederhout. Daar voorbij treden we een open ruimte binnen met gepolijste ingelegde stenen. Terwijl we de tweede hof naderen, met haar hoge muur, zien we dat die omringd is door een lagere, elegant gebouwde, muur. Daarop staan op gelijke afstanden, pilaren, die de wet van de zuiverheid afbeelden, sommige in Griekse, en andere in Romeinse letters, ons waarschuwend dat verdere voortgang met gevaar voor eigen leven is.

Een van deze inscripties werd onlangs opgegraven. In ons Concordant Commentaar op het Nieuwe Testament, pagina 290, hebben we een afschrift van deze inscriptie gepubliceerd, samen met de volgende vertaling:

"Geen vreemde mag komen binnen de balustrade en ommuring rond het heiligdom. Wie gepakt wordt zal verantwoordelijk zijn voor zijn dood, die zal volgen."

Dit is de "soreg" waarvan ze dachten dat Trofimus met Paulus was gepasseerd.

Zeker, Trofimus had nooit deze centrale muur van de tempelomheining overschreden. Maar welke troost zat daar in? Indien Yahweh, de enig ware en levende God, binnen die muren verblijft, waarom wordt ons dan de toegang tot Hem geweigerd? Waarom moeten wij op afstand blijven? Trofimus verbleef, in zijn Efezische huis, in de stad die de koster was van de tempel van de godin Artemis, die de Romeinen Diana noemden, van wie de aanbidding over heel de Aarde was verspreid (Hand. 19:27,35). Misschien had ook hij aanbeden bij haar heiligdom, maar nu had hij zich, weg van alle afgoden, gewend tot God, om de levende en ware God te dienen. En nu is hij, eindelijk, in de stad die Zijn tempel in zich had, en hem wordt de toegang tot God Zelf ontzegd! Echt, hij had geen God die hij echt de zijne kon noemen, aangezien hij, in geest, niets anders kan doen dan Israels God, Yahweh, te erkennen.

Dat is een echt beeld van die era, voorafgaand aan de huidige, die we worden aangespoord te herinneren. De natiën die zich keerden naar God en Zijn Christus, en Zijn Geest ontvingen, en bijstand verleenden aan de heiligen in Jeruzalem, hadden geen positie in het vlees. Ze waren in het geheel niet gelijk aan de Joden die dezelfde redding deelden. Noch is er enige aanwijzing in de voorafgaande Schriftgedeelten dat er voor hen iets beters is weggelegd, tenzij we wachten op de veraf gelegen dag wanneer deze Aarde opgelost wordt en een nieuwe schepping haar plaats inneemt (Openb. 21:3). Dan zal inderdaad God verblijven bij de natiën. Maar zelfs dan zijn zij secundair en onderschikt.

Het lot van Trofimus.

Naar waarheid vond Trofimus (Gevoede), naar mate de tijde vorderde, steeds kariger voeding aan Israels tafel. Jeruzalem zelf werd getroffen door een hongersnood (Hand. 11:27-29). Hij volgt Paulus een tijdje, maar wordt in Milete ziek [door gebrek aan voedsel?] achtergelaten (2Tim. 4:20). Zijn ervaring is een passend beeld van de toenemende zwakte van de bediening, die faalt met Israels falen. Maar Tychicus (Gelukkige) volgt Paulus helemaal naar Rome (Kol. 4.7). Hij ontving de waarheid van deze brief aan de heiligen en gaf die door. Hij was inderdaad een "Gelukkige!" En dat zijn wij ook!



1) Era: een stuk tijd binnen een aion, met een eigen kenmerk.


Naar deel 25

Terug naar de indexpagina van Studies in Efeziëers

Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.

©Concordant Publishing Concern