Geworteld en gegrondvest in liefde
studies in Efeziërs

deel 21
Hemelse soevereiniteit
door A.E.Knoch.

De gezamenlijke genieting van het lotdeel te midden van de hemelingen is zoīn geweldig allesoverstijgende waarheid, dat niemand in staat is het te ontvangen zonder een speciale geestelijke gift. De apostel wist dit. We zouden ons dit veel scherper bewust moeten zijn, want er zijn bijna twee millennia voorbij gegaan en praktisch niemand schijnt dit geheim genoten te hebben en vrijwel niemand preekt het vandaag. Er is, voor zover wij weten, zelfs geen hint in ecclesiastale literatuur, dat welke theoloog dan ook, van de vroege vaders tot aan de laatste commentaren, deze grootse fundering van de huidige geheime bedeling van genade heeft begrepen. Het vraagt zeker om gebed! Het roept om gebed, vandaag! Laten we, nu we onze eigen aparte bestemming ontdekt hebben en de ongeëvenaarde gunst die het inhoudt, de apostel bijvallen in zijn gebed voor alle heiligen die tot Zijn lichaam behoren.

Paulus bidt dat wij de verwachting mogen waarnemen van Gods roepen, de rijkdommen van de heerlijkheid van het genieten van Gods lotdeel te midden van de hemelingen, en de allesoverstijgende grootheid van Gods opstandingskracht, werkend in Christus en in ons terwijl we geloven.

God heeft ons een speciale oproep of uitnodiging gegeven. Wat is de verwachting? Hij heeft ons een lotdeel toegewezen. Wat zijn daar de weelderige heerlijkheden van? Hij heeft ons met Christus verhoogd. Wat is de maat van de kracht van deze geweldige transactie?

We hebben gezien dat de hele brief is toegewijd aan drie onderwerpen, de drie artikelen van het geheim. In het algemeen gezegd gaat hier over: onze afzondering naar God, naar Christus en naar elkaar. In een bijkomende betekenis worden deze afdelingen herhaald bij het bespreken van elk onderwerp. Dit is waar voor dit gebed. Als geheel gaat het over ons gezamenlijk lotdeel, dat van God naar ons toe komt, maar in detail is dit verdeeld in dezelfde drie aspecten. Het is God Die ons roept, de heiligen die met ons genieten van het lotdeel en Christus, in Wie de allesoverstijgende kracht wordt getoond.

Onze hemelse roeping.

Het vooruitzicht dat door deze speciale onthulling wordt gepresenteerd, is afgewaardeerd geworden tot een verward idee dat, wanneer ze sterven, alle goede mensen naar de hemel gaan en engelen worden, of leden van het hemelse koor. Er is niets bekend van Christus' hoofdschap. Gezegend zijn is totaal zelfzuchtig en niet gebaseerd op het zegenen van anderen. Dit is een travestie van de waarheid. Wat durfde een mens te dromen over het verblijven in de hemel, voordat Paulus zijn onthullingen ontving? In oude mythen moest een mens goddelijk worden, voordat hij een hemels huis kon opeisen. Zelfs Elia ging niet naar de hemel, zoals de vertalingen veronderstellen. Hij ging slechts in die richting. Meer wordt er niet van verteld. Alleen onze Heer steeg op in de hemelen. Er is geen aanleiding te geloven dat welke heilige van de Besnijdenis dan ook, ooit naar de hemel ging of daar naar toe zal gaan. Zijn zegeningen komen daar vandaan, maar hij geniet ze op de Aarde (Hand. 2:34).

Wij zien niet uit naar een Mohammedaans paradijs, met alle sensuele geneugten en zelfzuchtige dromen. Onze vreugde zal niet voortkomen uit zielse gevoelens, maar uit geestelijke waardigheden en activiteiten. Wij zullen niet alleen over "engelen" of boodschappers heersen in de hemelse regionen, maar aan hen de zegeningen brengen die alleen via ons kunnen komen, wij die het meest perfecte beeld zijn van Gods genade, en het beste voorbeeld van de kwistigheid van Zijn liefde in heel Zijn schepping. Wij zullen gezegend worden door te zegenen. Dat is het vooruitzicht van de roeping in de huidige geheime bedeling.

Haar meest kostbare fase, alsook een echte index van haar genadevolheid, ligt in het feit van haar vervulling voordat Israels hoop wordt gerealiseerd en voordat de te vrezen kwellingen van de dag van Yahweh komen. Het is zowel eerste in tijd als in rangorde. Het is een hedendaagse, aanstaande verwachting. Het is een zeer prachtige gedachte dat, op ieder moment van onze levens, we op die drempel staan van onze heerlijke toekomst. We wachten op het openen van de deur. We weten niet wanneer dat zal zijn, maar de voortdurende mogelijkheid zou ons in een permanente toestand van verwachting moeten houden. Er is niets tussen ons en de verwerkelijking er van. Zelfs de dood wordt, voor zover het ons bewustzijn betreft, onmiddellijk gevolgd door Zijn heerlijke komst.

Onze hemelse weelde.

Vandaag wordt weelde afgemeten aan wettelijk bezit. In werkelijkheid bezitten we alleen wat we kunnen genieten of kunnen schenken voor het genot van anderen. In beide wegen worden we volledig voorzien. De hoogte van menselijke hebzucht is er op uit de Aarde te bezitten. Maar indien wij er in zouden slagen alles wat hier is het onze te maken, zouden we zeer arm zijn, zeker vergeleken met de onbegrensde bezittingen van de hemelse gebieden. In Christus is dit allemaal van ons. We hebben geen rechtspapieren nodig, want er is niemand die Zijn recht kan betwisten. Het is allemaal voor ons om te gebruiken en van te genieten, in Hem. Maar dit is maar een klein deel van onze weelde. Alleen materiële bezittingen bevredigen de geest niet. Het is het prestige dat de weelde geeft, en de plaats die het levert in de menselijke gemeenschap, de banden waartoe het leidt, die haar ware heerlijkheid zijn.

Onze heerlijke rijkdommen geven ons niet alleen toegang tot de aanwezigheid van God Zelf, maar tot de hoogste en meest exclusieve sociale groep in het heelal, de groep van Zijn heiligen, die de heersende aristocratie zijn van de aionische tijden. Onze weelde werd niet besmet bij het verkrijgen, noch zal het voor ons een vloek zijn bij het onthouden. Het werd verkregen in heerlijkheid en zal gegeven worden in grotere en grootsere heerlijkheid. We zullen onbegrensde voorraden hebben van het geestelijke soort, dat toeneemt met haar bedeling. Onze weelde zal de schepping niet armer maken. We zullen allen tot wie we gezonden worden rijker maken. De kennis van Gods genade, die onze meest kostbare waarborgsom is, zal aan de weelde van ieder schepsel in het universum toevoegen.

Christus opgewekt uit de doden.

Eens zullen we altijd met de Heer zijn. In de tussentijd kunnen we niet beter doen dan in te spelen op die overvloeiende blijdschap die door de Geest mogelijk wordt gemaakt. Maar laten we, voordat we Hem vinden op Zijn huidige zetel, op het gemak de stappen naspeuren die Hem daar brachten.

Alle krachten van het kwaad, met Satan aan het hoofd, geholpen door Rome, de soeverein van de wereld, en opgehitst door de natie Israel, werden samengebald om de dood van Christus te bewerkstelligen. De Tegenstander wist dat God Zijn Zoon had gezonden om zijn werk teniet te doen en hem te vernietigen. Daarom zet hij alles op alles om Hem ter dood te brengen. Judas verraadde Zijn Heer niet uit eigen kracht, Satan ging bij hem binnen. Zo werd iedere acteur, aan de kant tegenover Christus, in dat vreselijke drama slechts een pop in zijn handen. Hij was de kracht achter dit alles, hij was de geest die de domme aardkluiten aanzette om zijn duistere bevelen uit te voeren.

Onze Heer wist heel goed dat zij niet wisten waar ze mee bezig waren. Alleen Satan had, van al Zijn vijanden, enig begrip wat er aan de hand was. Rome was zich niet bewust dat ze alles op het spel zette. De Messias is de wettige heerser van de Aarde. Zelfs in hun domheid erkenden ze dit in het opschrift dat Pilatus schreef. Satan, hun geestelijke overste, hun ware Caesar, zorgde er voor dat de Romeinse macht ingezet werd tegen Gods Christus. De Hogepriesters, die hem zouden moeten aanbidden, schijnen wel de meest kwaadaardigen van allen te zijn geweest. Hoewel zij zich voordeden als vertegenwoordigers van Yahweh, bespotten zij Hem, aangespoord door Satan, met een proces en eisten hardop Zijn dood. De grote kracht van God, die Hem eens beschermde, lijkt nu aan de kant te staan.

Satans onzichtbare menigten, de Romeinse legioenen, en Israels geestelijke leiders vormen de volledige slagorde van alle vijanden van God. Alle krachten van het kwaad komen samen om Zijn dood voor elkaar te krijgen en zo Zijn God te verslaan. En er waren zeker vele aanwijzingen voor hun succes. Ze hadden Hem in de kettingen van de dood gebonden en ze zouden Hem gebonden houden! Als God Hem in hun handen had gegeven, wie zou Hem daaruit kunnen bevrijden? Maar door zo te redeneren tonen we onze onwetendheid over dat grote offer en over de grote verandering die het teweeg bracht.

Waarom stond God hen toe Zijn Zoon te kruisigen? Ja, waarom verliet Hij Zijn Geliefde in Diens uur van diepste nood? Voor Zijn vijanden roept Hij uit: "Vader, vergeef hen, want zij zijn zich niet bewust van wat zij doen" (Luc. 23:34;SW). Gods oor is open voor dit gebed. Maar niet lang. Zijn Zoon hangt aan de vervloekte boom. Hij is tot zonde gemaakt. Al spoedig verbergt een dikke en dreigende duisternis het toneel, zwakjes het gezicht van God verbergend. Christus draagt niet alleen het zware offensief van de krachten van het kwaad, maar God Zelf, trouw aan Zijn woord, zendt vuur van boven om het Offer te verteren. De pijlen uit Zijn koker nestelen zich in het hart van de Messias. Zelf zo zondevrij, wordt Hij zonde. Hij is niet alleen buiten gesloten uit van Gods aanwezigheid, maar Hij is het voorwerp van Zijn furieuze verontwaardiging. God Zelf wordt Zijn vijand.

Maar God verwierp Hem niet voor altijd. Net zoals de verduistering van de natuur voorbij ging en de zon opnieuw over dat gezicht glimlachte, zo verheugde Zijn Geest Zich in de straling van Gods gezicht. "Mijn God, Mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?" (Mar. 15:34;SW) kon in die drie uren van duisternis, afstand en vervreemding niet uitgesproken worden. God zou niet geluisterd hebben naar welke schreeuw dan ook die Hij had uitgebracht. Als de Lijder denkt aan hoe vreselijk ze waren, wat herinnert Hij Zich? Niet het gehoon van mensen, niet het brullen van Satan, maar de stilte en verlating door Zijn God. Vuur had de zonde verteerd die Hij droeg. Gods glimlach straalt opnieuw op Hem. In Zijn dood draagt Hij Zijn Geest over aan de zorg van Zijn Vader.

Nu het zondoffer aanvaard is, is de triomf van Satan maar van korte duur. De Hogepriesters zien er op toe dat het zegel van Caesar de dode zeker stelt, en Caesars soldaten bewaken het levenloze lichaam, zodat alle krachten van het kwaad aanwezig zijn om de Christus in de klauwen van de dood te houden.

Zijn opstanding.

Christus staat op! De wacht van de Hogepriesters, bang als ze waren, vlucht! Hij verbreekt het zegel van Caesar! Hij ontsnapt aan de dood, het gezagsgebied van Satan! Met overwinnende en majestueuze kalmte stroopt Hij voorzichtig Zijn zwachtels af, de tekenen van hun tijdelijke triomf, en legt ze op hun passende plaats. Hij komt naar buiten als de Overwinnaar over het uitgebreide samenwerkingsverband van de krachten van het kwaad!

Zijn rust.

In het verslag door Mattheüs wordt ons verteld dat alle gezag in hemel en op Aarde aan Hem is gegeven (Matt. 28:18). Toch is dit zo vreemd aan dat verslag om in te gaan op Zijn hemelse heerlijkheden, dat Zijn hemelvaart in het geheel niet wordt genoemd. Zijn aardse verhoging wordt verondersteld door Zijn beklimmen van een hoge berg. De Zoon van Davids Koninkrijk is nog niet gekomen.

Marcus, tot ons sprekend van Zijn dienstbetoon als de Zoon van God, stelt ons een gelopen koers voor ogen, een voltooid werk. Zijn aandeel in deze bediening was vervuld, en de proclamatie er van was ook bereikt volgens de opdracht voor de schepping, die Hij gaf voordat het evangelie op schrift was gezet (Marc. 16:20). Daarom lezen we dat, bij Zijn hemelvaart, Hij gezeten is aan Gods rechterhand (Marc. 16:19). Deze rust is beperkt tot het dienstbetoon waarvan Marcus' evangelie spreekt.

Lucas presenteert ons een beeld van Adam's grootste Zoon. Alleen al het feit dat Handelingen de niet afgemaakte lijn van Lucas weer oppikt, laat zien dat dit aspect van Zijn werk niet volledig was. In verband hiermee moeten we niet verbaasd zijn wanneer Stefanus Hem ziet staan. De Zoon van de Mens zit niet, totdat Hij komt in Zijn heerlijkheid om de natiën van de Aarde te regeren (Matt. 25:31).

Laten we proberen deze verschillende houdingen van Christus te begrijpen. Laten we niet hun ware geestelijk belang missen door een strikt staan op hun letterlijkheid. Een koning kan streven naar een troon of oorlog voeren om die te verdedigen. In beide gevallen zit hij niet. Wanneer al het gezag waarvoor de troon staat werkelijk het zijne is, wanneer alle oppositie gebroken is, wanneer de koninklijke en juridische functies die er mee samenvallen onbetwist worden uitgeoefend, dan zal hij zitten.

Dit wil niet zeggen dat hij voortdurend het meubelstuk bezet dat troon wordt genoemd. Hij zal er ver van verwijderd kunnen zijn, en toch, zo dus afwezig, een voortdurende bevestiging vinden dat hij er op zit. De koningen van de Aarde beelden de Messias zwakjes uit. Maar Christus heeft vele heerlijkheden. Op Aarde wordt Hij nog steeds verworpen. Hij zit zeker niet op haar troon. Alleen in een geestelijke zin, als de Zoon van God en als heersend over de schepping, is Hij gezeten. Ieder aspect van Zijn werk als Zoon van God is voltooid. Ieder aspect van de menselijke kant wacht op de juiste tijd. Dit is de sleutel voor de schijnbaar tegenstrijdige houdingen waarin Hij aan ons wordt gepresenteerd. Marcus zegt dat de Zoon van God zat. Lucas zegt dat de Zoon van de Mens nog steeds staat.

Johannes' evangelie presenteert een apart aspect van Zijn hemelvaart, als de Zoon van God, dat we niet zouden moeten negeren, want het is een voorspel op de huidige genade dat veel passender is dan de daarop volgende scene op de Olijfberg. Net als Hij, als de Zoon van God, gedeeltelijk inspeelde op de Pinksterdag door tevoren de Geest op hen te ademen, zo steeg Hij ook op in de opstandingsdag. Maria werd verboden Hem aan te raken, omdat Hij nog niet was opgevaren (Joh. 20:17). Thomas werd bij een latere gelegenheid gevraagd Hem aan te raken. Het is dan ook niet zo vreemd dat de latere hemelvaart niet werd opgeschreven in het verslag van Johannes. De geestelijke tendens van het verhaal verbiedt dit. De hemelvaart waarvan Hij met Maria sprak is die welke voor ons is, vóór de veertig dagen van rondreizen, vóór ieder menselijk contact.

Hoe interessant en belangrijk deze verschillende aspecten van Zijn hemelvaart ook zijn, het is van nog groter voordeel op te merken dat deze Efezebrief niet de minste verwijzing naar de veertig dagen bevat, waarin Hij Zichzelf toonde op Aarde, na Zijn opstanding. Er is in het boek Handelingen geen erkenning van de hemelvaartscene. In verband met ons en de geestelijke zegeningen die Hij voor ons had bewerkt en tot ons had gebracht, was Zijn werk volkomen voltooid toen Hij opstond, en op die dag, zoals Hij aangaf aan Maria, steeg Hij onaangeraakt op naar Gods aanwezigheid, en ging zitten aan Gods rechterhand. Alle tegenwerkende krachten waren verslagen. Zijn werk is voltooid. De Zoon van God zit.

Hemels gezag.

Christus daalde af naar de diepten bij gratie van Satan en Caesar, van Pilatus en de priesters, van de centurion en de soldaten, van de Farizeeërs en het volk, en werd zelfs door de gekruisigde rovers aan Zijn zijde bespot. Er is niemand die zo tekort kwam aan kracht, invloed, gezag, niemand was zo ver van God, zo hulpeloos en zwak, zo arm en zwervend, niemand was zo schuldig als Hij! Maar toen Hij opstond was niet alleen iedere schaduw van zonde voor altijd verdwenen, maar verhoogde God hem boven al Zijn vijanden.

Toen Hij op Aarde was had Hij geen lotdeel voor Zichzelf. Nu, als de Zoon van Abraham, is iedere centimeter van het beloofde land van Hem. De jakhalzen hadden hun burchten, de gevleugelde schepselen hadden hun takken om op te rusten, maar de Zoon van de Mens, hun rechtmatige Hoofd, had nergens een kussen om Zijn hoofd op te leggen. Nu berust al Adam's verloren gezag bij de eerst thuisloze Nazarener. Degene Die Zijn rijkdommen in de heerlijkheid verliet om arm te worden, is teruggekeerd om Eigenaar van het universum te worden. De zwakte die Zijn arrestatie in Gethsemane toestond, heeft plaats gemaakt voor een persoonlijke kracht en aanwezigheid van zulk een ontzagwekkende intensiteit en kracht, dat het Zijn geliefde apostel aan Zijn voeten deed vallen (Openb. 1:17). De Man Die Zich onderschikte aan de minimale macht van Pilatus en aan Satans heerschappij, heeft dat alles, en meer dan dat, gegrepen. Satan bood Hem eens de soevereiniteit over de Aarde aan, als Hij hem maar zou aanbidden (Matt. 4:1-10). Spoedig zal Hij die uit de handen van God ontvangen.

Dit waren slechts aardse waardigheden. Aardse heersers zijn de argeloze instrumenten van hogere geestelijke machten. Satan claimde - en Christus ontkende zijn claim niet - dat de koninkrijken van deze wereld, met al hun pracht en praal, van hem waren en dat het aan hem was ze te geven aan wie hij wil. Soms wordt de sluier opgelicht die deze geestelijke machten voor onze blik verbergt. Er is een duidelijke parallel tussen aardse soevereiniteiten en geestelijke heersers. Een boodschapper die naar Daniël gestuurd werd, werd een-en-twintig dagen gehinderd door "de vorst van het koninkrijk der Perzen" (Dan. 10:13;NBG). Hij wordt in zijn strijd bijgestaan door Michael, een van de voornaamste vorsten, die ook "de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat" wordt genoemd (Dan. 12:1;NBG). Net als die op Aarde, wordt de hemelse heerschappij en invloed opgedeeld in verschillende graden. De hoogsten worden "prinsen" of "soevereinen" genoemd. Hun gebieden zijn eerste klasse machten of rijken. De King James vertaling noemt ze "principalities"(prinsdommen), maar deze naam wordt nu gebruikt voor een derde rangs macht, onder de rang van een koninkrijk. Dit is niet de geachte. Zij zijn de hoogsten onder de hemelse menigten.

Net als die op Aarde, echter, zijn zij verdeeld in lagere rechtsgebieden, met gedelegeerde macht of gezag. Pilatus is een goed voorbeeld van dit soort heersen, uitgeoefend namens een superieur. Men vertelde hem dat als hij de Messias liet gaan, hij niet Caesars vriend zou zijn, en zo zijn ambt zou verliezen. Pilatus dacht ook dat hij zijn uiteindelijk gezag afleidde van Rome, en kon doen zoals hij wilde, zolang het de keizer maar een genoegen deed. Maar onze Heer wees op zijn fout toen Hij zei: "U heeft geen enkel gezag tegen Mij, indien het niet van boven aan u was gegeven" (Joh. 19:11;SW). Pilatus en zijn heer in Rome waren slechts onderhorigen, gehoor gevend aan de wensen van geestelijke krachten die zij niet eens vermoedden.

Israels Messias wacht nog steeds op de feitelijke overdracht van de aardse regering op Zijn schouders. Maar in de hoogste hemelen is Hij al gezeten aan Gods rechterhand, ver boven iedere soevereiniteit en gezag en heerschappij, en boven iedere naam die genoemd wordt, niet alleen in deze aion, maar in die welke nog toekomstig is (Efe. 1:21). God onderschikt heel het universum onder Zijn voeten en geeft Hem Hoofdschap over allen. Petrus, dit bekijkend vanuit het standpunt van het toekomstig koninkrijk op Aarde, zet Hem boven boodschappers, gezaghebbers en krachten (1Pet. 3:22). Hij kan, vanuit zijn standpunt, niet spreken over soevereinen die onderschikt worden, want tot op heden behoudt Satan zijn hemelse plaats en is superieur aan alle aardse machten. Maar we kunnen zien dat zelfs Satan, hoewel hij tegen Christus lijkt op te staan, de door God voorzegde afval aan het voorbereiden is, die de noodzakelijke inleiding is voor het Koninkrijk.

Het Hoofdschap van de Messias over heel de Aarde was een lang bekend geheim en de vreugde van menig ingewijde in Israel. Nu is het ons voorrecht Zijn hemelse eren te verwachten en genieten, die pas onthuld werden nadat Zijn aardse Hoofdschap hopeloos uitgesteld was. Het komende Koninkrijk wacht op de bekering van Zijn aardse volk, maar Zijn geestelijk Koninkrijk wacht nergens op. Wij, Zijn hemelse heiligen, zijn ons, door de Geest die Hij ons heeft gegeven, al bewust wat het betekent gered te zijn uit het gezag van de duisternis en om overgezet te zijn in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde (Kol. 1:13).

Deze gedachten, deze koninkrijken, zijn niet strijdig. Het toekomstige rijk dat op Aarde zal worden gevestigd, zal de aardse koninkrijken vervangen. Hij zal Zijn volk regeren als de Zoon van David en alle andere als de Zoon van de Mens (Dan. 2:44). Het koninkrijk dat nu van kracht is, is tegengesteld, niet aan aardse heerschappij (want wij zijn gebonden aan zulke onderschikt te zijn), maar aan de geestelijke opperheerschappij waarvan Satan de soeverein is. Het brengt er ons niet toe Christus te erkennen als Davids of Adam's Zoon (hoewel we met graagte Hem deze titels toekennen), maar als de Zoon van God, de ware Opperheer van het geestelijke gebied. Alle heil aan de Zoon van God, de Soeverein van het universum! Alle heil aan Zijn God en Vader, Wiens kracht Hem aan de top van de schepping heeft geplaatst!

Hoofdschap over de ecclesia.

De zonde is niet beperkt tot de Aarde. Ze bestond al ver voor ze in het Edense paradijs tevoorschijn kwam. De hemelen zijn in de ogen van de Godheid niet schoon. De zonde is heel de kosmos binnengedrongen, en heeft een menigte van Gods hemelse schepselen meegetrokken, weg van de trouw aan Zijn wil. Gods grote doelstelling om het universum met Zich te verzoenen (Kol. 1:20), houdt in dat zij vervreemd zijn geraakt voordat ze terug gebracht kunnen worden. Vijandschap moet altijd aan de verzoening vooraf gaan. Voordat perfecte vriendschap hersteld kan worden, moet de zonde ingeperkt worden. Er moet onderschikking zijn. De hemelse gebieden moeten, net als die op Aarde, bediend worden.

In het proces van het herstel van de Aarde zijn velen met de Messias verbonden in de bediening daarvan. Alleen de heiligen van de Besnijdenis zullen deelnemen in haar regering. De twaalf apostelen zullen de twaalf stammen regeren, de 144.000 zullen de ijzeren staf hanteren over de andere natiën. De Messias zal Zijn milleniale heerschappij uitvoeren door middel van de priesternatie. Zo zal het ook gaan in Zijn veel grotere hemelse soevereiniteit. Zijn lichaam, samengesteld uit heiligen uit deze geheime bedeling, zullen Zijn onderschikten zijn, de uitvoerders van Zijn troon. Hij is Hoofd over allen van de ecclesia, die Zijn lichaam is (Efe. 1:22,23). Dit lichaam is de hoop van de hemel, en is ook hemels in haar hoop.

Dit is de sleutel voor het herstel van de hoge hemel. Christus' bloed is niet alleen nuttig voor allen, maar vult de troon van het universum met het uitschot van de Aarde. Zij worden de verwondering en verbazing van de hemelse menigte, want zij tonen de onpeilbare diepten van Gods wijsheid, de overvloed van Zijn kracht, de overweldigende overvloedigheid van Zijn genade en liefde. Door hen zal Zijn naam, Zijn faam, het thema vormen van lofprijzing van de Poolster tot het Zuiderkruis.

Hier dan hebben we het uiteindelijke arrangement dat nodig is voor een compleet en voltooid universum. De Aarde is de voetenbank van de Messias, en Hij zal haar terug winnen voor God door middel van Zijn uitverkoren volk. Dan zal ook de hemel onderschikt worden aan Zijn macht. De ecclesia, die Zijn lichaam is, is het middel voor haar regering. Zo wordt dit "het complement van Hem Die het al in allen completeert" (Efe. 1:23;SW). Zo blijft er niets over dat nog aandacht nodig heeft. Het is de "finishing touch" die het zal afronden tot haar voleinding.

Het beeld van een lichaam is niet nieuw. Paulus had het al eerder gebruikt in zijn brieven aan de Korinthiërs en Romeinen. Op dat moment legde hij de nadruk op de wederzijdse relatie en afhankelijkheid van de leden van elkaar. Dit is ook het bovenliggende aspect in Efeziërs, hoewel het nu een gezamenlijk lichaam wordt gemaakt. In Kolossenzen is onze relatie met het Hoofd het in het oog springend element. Dat is het ook in deze passage in Efeziërs. Het gaat over de allesoverstijgende grootheid van Gods kracht, zoals tentoon gespreid in de verhoging van Zijn Christus naar de hoogste plaats. Dit is de kracht die de onze is in Hem. Ze kent geen gelijke. Het is verschrikkelijk. Maden uit het stof worden gemaakt tot de machtigste monarchen in het hemelse.

Moge deze overdenking ons helpen een klein beetje te begrijpen wat de allesoverstijgende grootheid van de kracht is die voor ons werkt in deze bediening, want het is dezelfde die werkte in Christus, en Hem opwekte uit de doden, en Hem doet zitten te midden van de hemelingen (Efe. 1:19.20).




Naar deel 22

Terug naar de indexpagina van Studies in Efeziëers

Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.

©Concordant Publishing Concern