De ecclesia en het koninkrijk
-
De oorsprong, ontwikkeling en doelstelling van de ecclesia en het koninkrijk in Gods plan


Deel 3
Allen in de Zoon

door
M.Jaegle


De schepping van de Zoon is het begin dat zal leiden naar de vervulling van Gods grote doelstelling om "allen uit God" te brengen. Volgens ons oordeel zou God voortgegaan kunnen hebben door heel de rest van de schepping door de Zoon tot bestaan en leven te brengen. In plaats hiervan, echter, presenteert de Schrift de volgende goddelijke daad als "allen in de Zoon"(Kol. 1:16). In plaats van onmiddellijk geschapen te zijn, is er de overdracht van het ongeschapen universum uit God in Zijn Geliefde. Zo, door een enkele daad, vervulde God Zijn voortijdse doelstelling.

De resulterende onthulling van Zijn Zoon zou als opschrift kunnen hebben: "De Onnaspeurlijke Rijkdommen van Gods Zoon," want het omvat een alles overstijgende volheid van heerlijkheid. Voordat we binnen gaan in de onthullingen die hierin liggen opgesloten, zullen we eerst aanduiden wat God er in heeft verborgen. We zoeken tevergeefs enige verdere uitleg hoe deze overdracht van alles uit God in Christus werd bereikt. Gods Woord informeert ons dat het gebeurde, maar niet hoe en wanneer.

Steeds weer moeten we het feit benadrukken dat samen met de heerlijke onthullingen over de tijd voorafgaande aan de schepping, er vele werkingen zijn die voor ons verborgen zijn. n oorzaak voor de goddelijke terughoudendheid is de mogelijkheid dat wij, in deze lichamen van vernedering, niet in staat zijn of krachtig genoeg zijn om zulke machtige manifestaties van Gods kracht te grijpen. Toch zijn deze geheimen volgeladen met veel blijdschap voor ons, want ze wijzen naar de alles overstijgende rijkdommen van de kennis van Christus, die we op een dag zullen onderzoeken en van genieten. Het is volkomen onmogelijk hier beneden de rijkdommen van Christus uit te putten. Maar wanneer we boven zijn zullen we onvoorstelbare krachten bezitten om in kennis te groeien. Dan, in verheerlijkte lichamen, zullen we in staat zijn de diepten te peilen van de voorscheppingsperiode, die nu nog voor ons begrip verborgen worden gehouden.

In een algemene blik op de vroegste onthullingen over Christus, zien we nu dat de Zoon van God verschijnt in een gelijkenis aan God als ook in een gelijkenis aan de schepping. Met sterke banden heeft God Hem aan Zichzelf gebonden, net als aan de schepping. Deze dubbele relatie van Christus is de uitrusting voor Zijn latere bemiddelende missie, en is de stevige ondergrond voor de onveranderlijke basis waarop Zijn Redderschap rust.

Als nu Christus, als Gods primaire schepping (Kol. 1:15; Openb. 3:14), al op het niveau van het schepsel was (Hebr. 2:11), toch begon met Zijn schepping Zijn verhoging. Hij werd niet samen met de rest tot leven geroepen, maar alleen, als de eerste. Geen ander schepsel kan in dit opzicht bij Hem staan, en dat betekende voor Hem de eerste stap naar boven, uit de gelijkenis met de schepping, maar zonder verhoogd te worden naar de absolute gelijkheid met God. Het was een tussenpositie, van waaruit Hij opsteeg naar Zijn hoogste plaats (Filip. 2:6).

Een schitterende diamant in de kroon

We hebben al naar Christus gekeken in een paar van de rollen van de Eerstgeborene. Nu houdt Kolossenzen zich bezig met een onthulling die een getuigenis met zich draagt over de alles overstijgende grootheid van de Zoon. "Want in Hem is geschapen het al in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij soevereiniteiten, hetzij autoriteiten, het al is door Hem en tot Hem geschapen..."(Kol. 1.16;SW).

Deze woorden leggen de installatie van Christus vast in Zijn hoogste eren. Dit bestaat uit de overdrachten van een paar van Gods eigen relatie naar allen in de Zoon.

HET AL

Rom. 11:36
uit God -- in Christus
Kol. 1:16
door -- door
voor -- voor

Hoe diep moet de basis van zulke hoge gedachten zijn, wanneer we van Christus lezen dat alles in en door en voor Hem is! Net zoals de zon 's morgens opkomt met de volle kracht van z'n stralen, zo schijnen de voorscheppingsheerlijkheden van Christus in dit Schriftgedeelte met alle glans van Zijn Godgelijkheid en de adelschap van Zijn zoonschap. Er is geen enkel schepsel dat niet eens in Hem gevonden werd, zoals het eerder in God was geweest, en is daarom aan Hem gebonden met banden van liefde en leven.

En zoals eens, in God, het schepsel begiftigd was met een innerlijke neiging die het terug zou brengen naar z'n Schepper, zo ontving het nu dezelfde neiging om terug te keren naar Christus. Voordat allen thuis komen bij de Vader, zal de Vader allen terug trekken naar Christus. En doorheen Christus zal ieder schepsel terug gebracht worden naar God (Joh. 6:44,45; 14:7). Met deze methode van redding hebben we een andere magnifieke onthulling van Christus middelaarschap. De weg naar God leidt alleen doorheen Christus.

In dit alles wordt het duidelijk waarom en voor welk doel God de schepping tot stand heeft gebracht. In Zijn hand wordt het ht middel om Zijn Zoon te verhogen tot de hoogste vorm van gelijkenis aan Hemzelf en om Zijn veelvoudige heerlijkheden te tonen, om zo Zichzelf te verheerlijken.

Christus in de vorm van God

Misschien zijn geen andere woorden in staat getuigenis te geven van de grootheid van Christus als deze, welke aan onze harten onthullen dat alles eens in Hem was. Om alles een plaats te geven, zoals het oorspronkelijk in God was, vereist dat Hij in de vorm van God moest zijn. Zelfs als we niet weten van de bijzonderheden, zijn we er van overtuigd dat Hij onmetelijk groot moet zijn geweest. Deze onthulling is een waardig commentaar op alles wat Paulus zei tot de Filippenzen over Zijn vrscheppings heerlijkheid (2:6), dat Hij innerlijk in de vorm van God was. Hier zouden we een glimp moeten krijgen van de diepte van Christus' vernedering. Hij Die, toen Hij innerlijk in de vorm van God was, alles in Zichzelf droeg, kwam als een baby in deze wereld!

Om te kunnen genieten van het diepste inzicht in deze goddelijke operatie, is het van belang nauwkeurig een passende naam er voor te verzinnen. "Overdracht" zou niet fout zijn, maar draagt niet de esoterische waarden in zich. Het kan voor alles gebruikt worden, zelfs als het geen levende relatie heeft tot z'n omgeving. Het is beter een woord als transplanteren te gebruiken, wat de vitale esoterische relatie tussen Hem en de schepping veronderstelt. Het woord herinnert ons aan onze relatie met Christus in dood en opstanding (Rom. 6:5). Daar worden we samen geplant in de gelijkenis van Zijn dood, en dat zal ook zo zijn in die van Zijn opstanding. Onze oude mensheid werd met Hem gekruisigd, maar nu leven we samen met Hem. Zo, op een bepaald moment, transplanteerde God ons, en ieder ander, als een levende plant in vruchtbare grond, zodat we in een vitale eenheid gevonden worden.

Deze vroege connectie van allen met Zijn Zoon werd door God gemaakt om ze, op den duur, de grootst mogelijke zegen te kunnen brengen. Geen vreemdeling zal ooit in staat zijn ze te vernietigen, want voordat de zonde de schepping in z'n diepten trok, was ze geplant in de Zoon en verankerd in Zijn Geliefde.

Onze insluiting in de Zoon

Op deze gezegende locatie, in Hem, vinden we onszelf weer terug. Het was niet genoeg voor God dat wij terug zouden kijken en onszelf in Hem vinden. Voordat we onze weg vonden in bewust bestaan, waren we bevoorrecht te rusten in het hart van de Geliefde, en was ons leven in Hem verborgen. Wanneer we nadenken over deze waarheid, worden onze harten gevuld met gejubel. Deze kennis is een bron van de zuiverste, diepste en meest krachtgevende vreugde. We zouden er vaak van moeten drinken om de alles overwinnende kracht er van te genieten en gebruiken in al onze verleidingen en beproevingen.

Om samen te vatten: Heel de mensheid was eens in Adam, vitaal met hem verbonden, want ze heeft het leven van hem gerfd door verwekking, en is betrokken bij zijn overtreding en sterfelijkheid. Ze lijdt onder tijdelijke kwelling vanwege deze relatie, hoewel niemand enige bewuste herinnering heeft van deze fase van zijn bestaan. Velen verwerpen dit, hoewel ze het niet kunnen ontkennen. Zo ook, zelfs voordat alle mensen in Adam waren, waren ze in de Zoon en in God, want van Dezen wordt hun leven door schepping afgeleid. Deze vitale band is onlosmakelijk in hen en doet hen betrokken zijn in hun rechtvaardigheid en onsterfelijkheid. Ze zullen, als gevolg, eeuwige gelukzaligheid genieten, ook al hebben ze geen enkele bewuste herinnering aan hun voortijdse bestaan. Toch zullen ze, als gevolg hiervan, de voordelen oogsten van hun goddelijke oorsprong en onsterfelijkheid genieten en eeuwige gelukzaligheid. Op dit moment, echter, is dit beperkt tot hen die geloven en een eerste vrucht zijn van Christus' offer. Dit alles kwam vr de intrede van zonde en het zal pas vervuld worden na het aftreden er van bij de voleinding.

God had een speciaal doel op het oog bij het insluiten van allen in Zijn Zoon. Als introductie zouden we opnieuw een fase van het familieleven gebruiken. We hebben hier al naar verwezen bij het uiteenzetten van Gods liefde door middel van de liefde van ouders voor hun kinderen, welke komt door verwekking.

We kunnen niet hoog genoeg denken over ouderlijke liefde, want de voortdurende herhaling er van redt mogelijk de mensheid van het helemaal verdorven raken in z'n huidige afwijking. Zeker, de mensheid is diep gezonken en de corruptie van onze dagen is ver in het familieleven binnen gedrongen en doet enorme schade. Een koude en ongevoelige eenheid, met altijd strijd en twist, kenmerkt menig huishouden. Maar n ding dat volhardt is de zorg van de moeder voor haar kind. Helaas zijn ze in veel gevallen onzorgvuldig en worden kinderen als een last beschouwd.

Maar als algemene regel kunnen we stellen dat ouders aanhankelijkheid tonen naar hun nageslacht. Ook al zijn er onnatuurlijke ouders die hun kinderen verlaten, ze zijn er toch maar zelden. In deze laatste dagen zijn kinderen koppig tegenover hun ouders (2Tim. 3:2), maar we lezen niet dat ouders hun kinderen verkeerd zullen behandelen. Er kunnen moeders zijn die verslaafd zijn aan zonde en decadent in lichaam en ziel, maar zelfs dan, als een van hun in de steek gelaten kinderen sterft, is het hart van de moeder terneer geslagen. Maar hoe beslist en besloten is deze liefdesband bij fatsoenlijke mensen, en nog meer in heilige en gelovige. Als nu deze liefde, te danken aan de insluiting van de kinderen in hun ouders, in staat is zondige zielen als onszelf te verdragen en niet uitgewist kan worden, met welke kracht en volheid moet die in de Zoon van Zijn liefde zijn geweest vanwege de insluiting van allen in Hem!

We moeten echter niet gaan redeneren dat God allen in Zijn Zoon overzette opdat ook Hij hen zou liefhebben en daardoor in staat zou zijn hen te redden door Zijn kruis. Dat zou voor Hem zeer onterend zijn. Zelfs als Hij alleen uiterlijk met de schepping in contact zou zijn gekomen, met Zijn handen, zou dat volstaan Zijn hart te vullen met een grenzeloze liefde ervoor. Als de sympathieke Zoon van Zijn Vader, zou Hij volkomen zijn binnen gegaan in Gods liefde voor Zijn schepselen. Deze liefde zou voldoende zijn geweest om Hem op de weg van dood en kruisiging te leiden. Alleen al contact met Hem wekte kracht op. De vrouw die, in de dagen van Zijn vernedering, slechts de zoom van Zijn mantel aanraakte vond genezing (Matt. 9:20-22). Maar God heeft voor de schepping veel grotere zegeningen in petto dan deze. Om in staat te zijn ze te waarderen moeten we in een veel nauwere band met de Zoon gebracht worden. Dit is de reden, ten behoeve van ons en de schepping, waarom God allen overzette in Zijn Geliefde.

Het is echt schitterend opnieuw op te merken hoe deze goddelijke methode wordt weerspiegeld in het gezinsleven. In de relatie van kinderen met hun ouders is er een wet die, in z'n werking, een miniatuur is van de goddelijke liefde voor ons. Het gezin is gebaseerd op onveranderlijke wetten die automatisch werken waar het de kinderen betreft, te danken aan de onveranderlijke wet dat kinderen uit hun ouders zijn. Vanwege deze verbinding, of, kunnen we beter zeggen, de vermenging van hun levens, delen de kinderen de geestelijke en lichamelijke neigingen van hun ouders. Dit is een zeer belangrijk feit, en zelfs de kwade neigingen worden gerfd. Het kan gezondheid of ziekte, deugden en ondeugden inhouden. Dit is al in het kind wanneer het wordt geboren. Maar is geen ijzeren regel, want vaak schijnt het tegengestelde aan de orde te zijn, en hebben goede ouders slechte kinderen of omgekeerd. Anders zouden we een soort evolutie hebben. Maar toch is er voldoende over, zelfs in de abnormale toestanden van deze laatste dagen, van de gevolgen die voortvloeien van de insluiting van kinderen in hun ouders. Een verdere wet, die er uit voortvloeit, is de verantwoording van de ouders voor de kinderen. Indien minderjarigen schade toebrengen, kunnen de ouders aansprakelijk gesteld worden.

Wat in dit verband bijzonder interessant is, is de erfwet, niet alleen na de dood van de ouders, maar tijdens hun leven. De kinderen hebben het recht te delen in en te genieten van wat hun vader en moeder toebehoort. Zelfs ongehoorzame kinderen kunnen niet in absolute zin hiervan worden uitgesloten.

De familie is, in de breedste zin van het woord, een vitale eenheid. De bloedband bouwt een eenheid waarin de levenszaken voortvloeien van de ouders naar de kinderen. Dat is allemaal gebaseerd op de insluiting van de kinderen in hun verwekkers. Hoe noodzakelijk deze insluiting is om het eigendom van de ouders te verkrijgen, zal nu getoond worden in een voorbeeld.

Een rijk getrouwd paar, zonder kinderen, kan er een in huis nemen. Ze omringen het kind met al hun liefde en zorgen er voor als ware het hun eigen kind. Het kind komt niets tekort. Maar als dat alles is wat ze doen, hebben ze het belangrijkste ding vergeten. Wanneer zij sterven kan het kind niets erven. De verst verwijderde verwanten, met een zeer flauwe bloedverwantschap, hebben meer recht op het vermogen dan dit kind, dat zij behandelden als ware het hun eigen kind. Voor zulke gevallen heeft de wet een voorziening. Kinderloze stellen kunnen wettig kinderen adopteren, hen hun naam geven en aan hen alle rechten overdragen van hen die door de banden van bloed aan hen zijn verbonden. Maar er is geen bloedtransfusie nodig. Een wettig document, op de juiste wijze ondertekend, volstaat om de erfenis voor het kind veilig te stellen. Het is een puur geestelijke band die de bloedband vervangt. Maar dit is een abnormale zaak in het leven van de mensen, en vervangt zeer zeker niet de gewone. Het is een prijzenswaardige regeling voor kinderloze paren die verlangen naar de geneugten van ouderschap.

In deze wettelijke voorziening voor het familieleven kunnen we in staat zijn de hoofdoorzaak vinden voor het overdragen van het al in de Zoon. Het is een goddelijke voorbereiding van een weg waardoor ieder schepsel er zeker van kan zijn de zegen van God te verkrijgen die God er voor in petto heeft. Ja, de vorige insluiting van allen in God heeft dit reeds voor hen zeker gesteld. Omdat God, echter, niet een directe relatie aan kan gaan met Zijn schepselen, moest Hij een aanvullende voorziening scheppen om dit mogelijk te maken. Om dit, het verlangen van Zijn liefde, te kunnen bereiken, heeft Hij een heerlijke weg ontworpen. Hij sloot alles in in Zijn Zoon en maakte dit tot grond voor de zekere overdracht van Zijn giften, zodat bij de voleinding geen enkel schepsel over het hoofd gezien zal worden. Hierin hebben we het grote origineel, dat Hij met opzet herhaalt in de levens van de mensheid, om het zo aan ons duidelijk te maken.

Maar wat is er een verschil tussen het origineel en de kopien! De eenheid van allen in de Zoon, vanwege hun insluiting in Hem, is ver verhoogd boven die van de familie, omdat deze insluiting in Hem, het Hoofd van heel de schepping, dieper reikt in de levens van Zijn schepselen dan die tussen ouders en kinderen. Indien, echter, bloedbanden hen zonder meer het vermogen van hun ouders brengt, hoe veel meer garandeert God, door de insluiting in Zijn Zoon, aan allen de giften die Hij voor hen klaar heeft liggen!

Nu, echter, is er een andere grote taak in Gods doelstelling, waarvoor deze insluiting de oplossing brengt. Gods schepping raakte verloren, onderschikt aan een vreemde macht, en Christus moet proberen om te redden wat Hij verloor. Om de giften te kunnen genieten die God er voor heeft, moeten allen deel hebben aan deze redding. Dit is noodzakelijk gemaakt opdat allen niet alleen zouden delen in wat hen toekomt vanwege de insluiting in God, maar ook in de redding die komt door het werk van Christus, de Zoon, het Offer voor de zonde.

Het is op dit punt waard op te merken dat wij ons bezig houden met veel meer dan redding. Heldere gedachten hierover zijn voor de gelovige van belang. Ons wordt deze les geleerd bij het prille begin van de natie Israel. De eerste gift die zij ontvingen was de uitsluiting van het oordeel dat op Egypte viel, door het bloed van het lam. En dit werd gevolgd door hun bevrijding en uittocht uit het huis van de slavernij. Maar Israel werd niet alleen een verlost en bevrijd volk, dat een ervaring had van een grote redding, God had voor hen een land voorbereid dat overvloeide van melk en honing, waarin iedere Israeliet een lotdeel kreeg. God heeft op dezelfde wijze iets voorbereid voor de huidige ecclesia; alleen zijn de zegeningen van een veel hoger plan. De eerste is rechtvaardiging door het bloed van Christus, die bevrijdt van het komend oordeel (Rom. 5:9; 1 Thess. 1:10). De genade verlost van de slavernij van zonde en leidt naar een leven van vrijheid. Maar zoals Israels wandelingen in de wildernis echt een pelgrimage waren naar het beloofde land, zo ook heeft onze wandel in geloof een heerlijk doel. De hemelen zijn ons toekomstig thuis (Filip. 3:20). Vandaar zal Christus, wanneer Hij komt, de Zijnen leiden en elk een heerlijk lotdeel geven (Kol. 1:5). We zouden een veel groter verlangen moeten hebben naar dat wat boven is (Kol. 3:3), want dit maakt het geloofsleven blij en effectief. Het hemelse lotdeel is alleen voor de huidige ecclesia, maar allen zullen eens de rechtvaardiging ten leven ontvangen (Rom. 5:18,19), en hieraan is een lotdeel verbonden, zodat iedereen zijn speciale gelukzaligheid zal genieten. God heeft een schitterende voorziening gemaakt, die in elk geval vervuld zal worden.

We hebben gezien dat, zoals de bloedbanden aardse erfenis zeker stellen, waar deze innerlijke band ontbreekt niets zeker is. Zouden we niet in de Zoon zijn geweest, dan zouden we als kinderen zijn geweest die niet geadopteerd waren en, ondanks alle zorg en liefde, geen recht hebben op het vermogen. Het is zeer belangrijk dat zulke gewoonten onder de volken zouden bestaan om ons onder de indruk te brengen van goddelijke waarheid. Omdat adoptie, echter, het zou kunnen vervangen, zouden we kunnen redeneren dat God op een andere manier Zijn doelstelling had kunnen bereiken. Maar onze liefhebbende Vader wilde in het geheel geen vervangingsmiddel gebruiken waar zulk een heerlijke tentoonspreiding van Zijn liefde mogelijk was.

In deze daad, de insluiting van allen in de Zoon, zien we de schittering van onze goede en geschenken gevende God. We zien er de wortel in van de goddelijke regel: "de kinderen horen niet te sparen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen" (2 Kor. 12:14;SW). God was de eerste om deze opdracht te vervullen, want Hij bracht niet alleen de schepping tot stand, maar maakte alles klaar voor hun toekomst. Zijn geschenken waren al tevoren zeker gesteld.

In de familie gaat het vermogen van de ouders naar de kinderen in de vorm van een erfenis, nadat hun dood heeft plaatsgevonden. Dat is niet het geval met Gods geschenken. De zonen van Israel erfden hun bezittingen niet, maar ontvingen het genot van een lotdeel. Het land was en bleef in handen van God. God is en blijft de Eigenaar van alles. Hij heeft Zijn Zoon de genieter gemaakt van het lotdeel van allen (Hebr. 1:4). Het is door en in de Zoon dat heel de rest hun lotdeel zal ontvangen. In de toekomst zullen de leden van Zijn lichaam de eerste zijn die hun lotdeel zullen betreden. Volgens Romeinen 8:17 zijn we niet alleen genieters zijn van Gods lotdeel, maar mede-genieters van dat van Christus. Dit is te zien in Galaten (4:17), zodat u niet langer een slaaf, maar een zoon zal zijn. Als we nu een zoon zijn, dan ook een genieter van Gods lotdeel, door Christus. Zo zal het ook gaan in de komende aionen, totdat ieder schepsel z'n lotdeel van zegen door Christus zal ontvangen.

Nu hebben we niet alleen een bewijs voor de onfeilbare vervulling van deze goddelijke methode in het familieleven van de mensheid, maar het wordt veel helderder tentoongespreid in de mensheid als geheel. Alle mensen werden ingesloten in Adam en zijn daarom betrokken in de gevolgen van zijn overtreding. Was dit een goede daad geweest, dan zou deze zegen gebracht hebben aan de mensheid en zouden allen roemen van hun band met de eerste Adam, in plaats van met de Tweede, Christus. Maar dat was niet Gods plan. Het was die ene daad van ongehoorzaamheid die God beledigde en die oordeel verlangde, die de dood deed aantreden. Heel de mensheid neemt deel in dit "geschenk," omdat allen in Adam waren ingesloten. Allen zijn nu sterfelijk en worden geboren als zondaren, zonder daarom te vragen of getest te worden, net alsof ze deel hadden genomen aan deze overtreding. Maar tegen deze donkere achtergrond schildert God de allerheerlijkste verwachting voor de schepping, want Hij handelt op dezelfde manier met de insluiting er van in de Zoon. Zijn ene daad op Golgotha was precies tegengesteld aan die van Adam. Het was een daad van gehoorzaamheid en liefde, van waaruit zegen zal voortvloeien naar ieder schepsel, omdat allen in Hem waren ingesloten. De belofte is niet mis te verstaan duidelijk: "Zo dan, omdat het door n overtreding voor alle mensen kwam tot veroordeling, zo komt het door n rechtvaardige daad voor alle mensen tot rechtvaardiging van leven. Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens, de velen tot zondaren aangesteld werden, zo zullen ook, door de gehoorzaamheid van Een, de velen tot rechtvaardigen aangesteld worden" (Rom. 5:18,19;SW). Volgens deze goddelijke verklaring heeft het werk van Christus hetzelfde universele bereik als dat van Adam. We zien dat de diepten van het kruis van Christus alleen worden onthuld wanneer we ze verbinden met de insluiting van allen in Hem. Zijn werk heeft hetzelfde effect als ware het dat Hij het bereikt had toen allen nog in Hem ingesloten waren.

Toen Jezus, met gewillige gehoorzaamheid, op het punt stond het lijden aan het kruis te ondergaan, bad Hij om verheerlijkt te worden met de heerlijkheid die Hij had bij de Vader voordat de wereld werd geschapen (Joh. 17:5). Mogelijk dacht Hij aan de heerlijkheid die de Zijne was toen Hij nog in Hem was. Nu verlangde Hij er naar de daad te doen waarvoor Hij was toegerust toen allen nog in Hem waren, dat de zegen van Zijn gehoorzame offer tot allen zou komen. In Gods raadsbesluiten was het kruis op dat moment ongetwijfeld in beeld. Toen was het fundament voor de dood aan het kruis al gelegd.

Gewoonlijk, als men zoekt naar de waarheid over Gods ultieme, worden deze eerste beginselen genegeerd en als gevolg daarvan is men op een valse conclusie uitgekomen. Door later te beginnen, met Zijn schepselen, en alles te baseren op hun gedrag ten opzichte van de Godheid, krijgen we menselijke religie, die begint bij het schepsel en probeert van beneden af een weg naar God te vinden. Jammer genoeg is dit ook waar voor die heiligen die de menselijke "vrije" wil maken tot de beslissende factor in de bestemming van de mensheid.

God, echter, begon met Zijn voorbereidingen en beslissingen met betrekking tot de voleinding van Zijn doelstellingen al voordat er enige schepping bestond, net zoals mensen vandaag doen wanneer zij de een of andere grote onderneming gaan beginnen. Alles is geschetst en gekopieerd voordat een enkel onderdeel van het project wordt gerealiseerd. Later, toen God geroepen werd een voorziening te maken voor de toekomst van Adams ras, gaf Hij de mensen geen gelegenheid om hun "vrije" wil uit te oefenen of hun eigen weg te kiezen. Adam zondigde en allen werden tegen hun eigen verlangens in zondaren. Indien met een "vrije wil" had gehad, zouden ze tenminste dezelfde gelegenheid hebben gehad als Adam had om voor zichzelf te beslissen in deze gewichtige zaak en veroordeeld worden tot sterfelijkheid en dood op basis van hun eigen overtreding.

Hoe hebben mensen gespot met de gedachte dat n man zondigde en nu de meeste mensen naar de hel moeten gaan! Mensen zien heel goed in dat dit een eenzijdig standpunt is, en dat het een corrigerende en gelijkmakende operatie vereist. Voor God is deze manier van handelen geen probleem. Hij heeft het met opzet gebruikt, want het heeft een vitale plaats in de vervulling van Zijn liefdevolle doelstelling. Het "falen" van Adam was voor Hem geen teleurstelling, maar opende veeleer de weg naar de onthulling van Zijn liefde in Christus. Niet aan Adam werd de taak van het veiligstellen van de toekomst van het ras toegewezen, maar aan Christus, als de Tweede Adam, en dit door het Zichzelf aanbieden als offer. En omdat niet alleen de mensheid, maar heel de schepping in de Zoon was, zullen daarom allen deel hebben in Zijn verzoening. Dat dit de basis is van de insluiting van allen wordt duidelijk uit het feit dat God allen opsluit in koppigheid, opdat Hij genadig kan zijn aan allen (Rom. 11:32).

Nu is het van groot belang de waarheid te benadrukken dat de schepping veel meer door Christus zal winnen dan door Adam verloren ging. Dit wordt getoond in het schuldoffer (Lev. 6:1-5). Hier hebben we een vergoeding in geval van enige schending van de rechten van anderen. Als reparatie moest een vijfde deel toegevoegd worden. Zo heeft Christus niet alleen enig verlies goed gemaakt, maar Hij heeft veel meer hersteld dan de schade die door de Tegenstander werd aangericht. Zelfs als Adam zelf ook zulk een werk had volbracht, zou het nooit de diepe en rijke zegen gebracht hebben die Christus voor allen heeft verkregen.

Aangezien Adams daad, buiten de wil van zijn nageslacht om, een universeel resultaat voortbracht, zal het nooit afdoende zijn het werk van Christus te beperken door het over te laten aan de "vrije" wil van de mens. Omdat allen vernederd waren door sterfelijkheid en zonde, was hun wil zo verzwakt en verslaafd dat die onmogelijk op eigen kracht voor Christus kon beslissen. De autoriteit die Christus heeft ontvangen als de Tweede Adam, om in de naam van allen te handelen, moet verminderd of ontkent worden, anders moeten we vragen gaan stellen bij Gods rechtvaardigheid. Onder geen enkel volk heeft men geprobeerd de erfwet te veranderen in een kleuterschoolregel voor de goede en de ondeugende. Als er enige bijzondere voorzieningen zijn, vereisen die gewoonlijk dat ongehoorzame kinderen in het geheel niet onterfd moeten worden. Er zijn gevallen genoeg waar de ouders van misdadige kinderen er niet aan dachten hun aandeel te verminderen. Ondanks de pijn die deze hen geven, handelen ze op basis van hun innerlijke relatie. Het is vaak gebeurd dat zo'n sterke, ouderlijke liefde de harten van ongehoorzame kinderen heeft bewogen en hen overwon. Wanneer ouders het onmogelijk vinden hun kinderen te geven wat ze voor hen hadden voorbereid, worden ze gevuld met verdriet omdat ze er niet in geslaagd zijn hun hoofddoel in het leven te vervullen.

Deze wet van insluiting wordt strikt in acht genomen in verband met mensen. Maar, het valt zwaar om te zeggen, in verband met God, uit Wiens aanhankelijke vaderhart deze regeling ontsprong en Die allen in de Zoon insluit in Zijn vaderlijke zorg, opdat allen, zonder uitzondering, deelnemers zullen zijn aan zegen bij het einde van de aionen, wordt het omringd met twijfels, omdat mensen vragen stellen bij Zijn vermogen om het ook echt tot voltooiing te brengen. Mannen en vrouwen, ouders met een sterke liefde voor hun kinderen, overwinnen ongebruikelijke hindernissen en vervullen Zijn wet. Maar God, Wiens liefde veel sterker is, zou niet sterk genoeg zijn om de obstakels te overwinnen! Sommigen zouden Hem willen dwingen op een lager vlak te opereren dan de ethiek van Zijn schepselen, zodat hun ongehoorzaamheid en koppigheid Hem hulpeloos zou maken om Zijn goddelijke methode van werken te vervullen. Als ouders al lijden wanneer zij niet in staat zijn een erfenis door te geven aan hun kinderen, hoe veel meer zou Gods hart zwaar zijn als het grootste deel van Zijn schepselen eeuwig in een toestand zou zijn waarin Hij niet in staat is hen de geschenken te geven die Hij voor hen had voorbereid! Geven is puur de grote noodzaak van liefde. Alles wat minder is kan alleen voortkomen uit het gebrek aan geloof in de overweldigende liefde van God, en uit het gebrek aan kennis over het begin van de schepping en de grote fundamentele waarheden die daarin worden onthuld.

Maar God zal alles voltooien dat Hij begon door de insluiting van allen in Hemzelf en in Zijn Zoon bij het begin. Christus heeft de voorziening gemaakt, door het offer van het kruis, zodat God Zijn geschenken kan uitgieten op allen.

De tussenbeide komende bittere ervaringen van kwaad en zonde zullen allen voorbereiden om Zijn geschenken op waarde te schatten en te waarderen. De kennis van goed en kwaad samen zal de kostbare vrucht voortbrengen die warme dankbaarheid aan Hem zal doen oprijzen uit ieder hart. Allen in de Zoon van Zijn liefde!

M. JAEGLE

Door naar deel 4.




www.hetbestenieuws.nl