De Grootheid van Gods Doel
deel 6: Toekomst Scènes

door John H. Essex


Deel 1: Inleidende scènes
Deel 2: Scènes van verwoesting
Deel 3: Scène Zes
Deel 4: Ere zij God
Deel 5: Stefanus en Paulus
Deel 6: Toekomst scènes


Scène Dertien.
Deze scène is er een van grote vreugde. Mensen doen ongestoord hun dagelijkse zaken. Er hangt iets in de lucht van welzijn en kalmte. Men hoort niet dat er oorlogen aan de gang zijn of dat er uitbarstingen van geweld zijn. Niemand schijnt angst te hebben.

Er bestaat veel verkeer tussen de belangrijkste steden van de wereld en Jeruzalem, at de hoofdstad van de wereld is geworden en alle volken sturen hun afgevaardigden daar naar toe. De wet gaat uit van Zion en het woord van de Heer uit Jeruzalem.

Ja, na Zijn eigen onthulling heeft Christus Zijn koninkrijk opgericht en Hij regeert vanuit Zijn hoofdstad. Israël heeft de koninklijke- en priesterrol op zich genomen die haar in de Sinaï was toebedeeld en doet dit ambt met Christus in deze tweeledige positie. Want Christus is een koninklijke Priester in overeenstemming met de wijze van Melchizedek. Deze Priester aanvaardt geen offers voor de zonden, want met de zonde is al voor eens en altijd afgerekend op Golgotha. Maar Hij aanvaardt offers van het volk, zoals Melchizedek dat deed van Abraham, en Hij zegent het volk in overeenstemming daarmee met koninklijke zegeningen.

Christus is een Koning der Vrede en Zijn heerschappij is een rechtvaardige; de eerste volkomen rechtvaardige in de geschiedenis. Maar het is geen zachte hand die regeert. Hij regeert met ijzeren staaf, een ijzeren staf en de bedrijvers van kwaad ontvangen snel wat hen toekomt. Daar ligt de zwakheid, niet in de heerschappij en zeker niet in Christus zelf, maar in de aangeboren zielse natuur van de oude mensheid, die, hoewel technisch gezien vernietigd aan het kruis, nog steeds onder mensheid is totdat ze de bevrijding accepteren die door het kruis van Christus wordt aangeboden en een nieuwe schepping worden in Christus. Dit zullen ze echter niet doen gedurende het millennium, want zodra de heerschappij van Christus aan het eind van het millennium is beŽindigd en Satan weer is losgelaten, zal deze in staat zijn grote aantallen van de bewoners van de aarde op te roepen tot een laatste opstand.

Dit wordt voor ons beschreven in Openbaring 20: 7-9

"En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten,
8 en hij zal uitgaan om de volkeren aan de vier hoeken der aarde te verleiden, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand der zee.
9 En zij kwamen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder uit de hemel en verslond hen,

(NBG)
Wat is het toch vreemd, dat, gezien dit stukje Schrift, er zo veel gelovigen het Millennium zien als de laatste aion, die de eeuwige blijdschap inleidt!!

Scène Veertien
"En ik zag een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.
12 En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het boek des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken.
13 En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken.
14 En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs.
15 En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs.

(Openb. 20:11-15;NBG)
Het oordeel voor de grote witte troon vindt plaats aan het eind van de duizend jaren. Dit is het moment waarop de meerderheid van de doden worden opgewekt, zij die niet deelnamen aan de eerdere opstanding (Openb.20:5,6). Let er op dat werken de basis van dit gericht zullen vormen; genade heeft er geen deel aan. Het is een gericht op verdiensten en de onmiddellijke resultaten zijn niet in het voordeel voor hen die worden gericht. Het is een fundamentele waarheid dat
"de rechtvaardige zal door geloof leven."
(Hab. 2:4;NBG; Rom. 1:17; Gal 3:11; Heb. 10:38),
maar zij die hier geoordeeld worden hebben noch gerechtigheid, noch het geloof om zich voor het leven te kwalificeren. Daarom gaan ze in de tweede dood, die geen eindeloze vernietiging, noch een eeuwige marteling is, maar een middel van reiniging om hen in staat te stellen levend te worden gemaakt bij de voleinding der aionen. De poel des vuurs is klaarblijkelijk een symbolische uitdrukking, want ook de dood en het ongeziene (het dodenrijk) worden er beide ingeworpen.

Zij die de eerdere opstanding hebben meegemaakt zijn in het geheel niet betrokken bij dit gericht, want hun toekomst was al een volle duizend jaar eerder besloten en over hen heeft de tweede dood geen macht. Zeker de gelovigen tijdens deze dag der genade, die de ecclesia vormen die het lichaam van Christus is, zijn er niet bij betrokken want zij zijn opgenomen om de Heer te ontmoeten en zullen samen met Hem zijn, zoals we al eerder zagen. We gaan nu verder met hun toestand.

In scène twaalf zeiden we dat, door de ecclesia die Zijn lichaam is, Christus door gaat met dat grote werk dat Hij begon aan het kruis, om allen met God te verzoenen.

Scène Vijftien.
Ons voorlaatste beeld toont ons dat de verzoening van allen is voltooid, het hele universum is ondergeschikt aan Christus en in Hem samengevat. Het is wederom de apostel Paulus die het uitzicht van Gods handelingen verwijdt, waardoor we zien dat naast de aarde ook de hemelen er bij betrokken worden.

In Efeze 1 wordt Christus gezien aan Gods rechterhand, te midden van de hemelingen, boven alle macht en autoriteit en kracht en heerschappij verheven, allen onder Zijn voeten onderschikkend. We willen er met nadruk op wijzen dat de hemelen moeten worden onderschikt aan Christus en dat dit een onmetelijke veel groter werk zal zijn dan onderschikking op aarde. Dit onderschikkend werk wordt gedaan door God (1Kor. 15:27), maar het verzoenend werk dat de onderschikking begeleid, wordt gedaan door Christus en de ecclesia(Ef. 1:23)

Denk vooral niet dat allen in de hemelen al in vrede leven met God. Er zijn daar machten en autoriteiten en krachten en heerschappijen die zich richten op het in bezit nemen van Zijn kracht en autoriteit. Dit zijn:

"wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten."
(Ef. 6:12;NBG)
waarmee we zullen moeten worstelen. God heeft de Soevereine van de hemelingen gegeven, net zoals Hij de Koning der aarde heeft gegeven. In beide gevallen is het de Zoon van Zijn liefde (Kol. 1:18). Hij is de Soevereine, de Alleenheerser, en wie een ander verkiest, verwerpt God. God legde dit uit aan Samuël toen Israël begon te vragen om een koning (1Sam. 8:7).

Het is vanwege deze opstandigheid, dat er naast de nieuwe aarde ook nieuwe hemelen moeten komen. De Heer heef gezegd:

"Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen."
(Jes. 65:17;NBG)
Petrus zag de huidige hemelen
"met gedruis voorbijgaan"
en
"de elementen door vuur vergaan"
(2Petr.3:10-13;NBG)
maar hoopte op nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid heerste.

Ook Johannes had een gezicht

"En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan."
(Openb. 21:1;NBG)
Wat vindt u van een God Die alles weer fris en nieuw maakt, zodat er geen spoor mer zal zijn van de zonden, zorgen en vergissingen uit het verleden, geen storende herinneringen die de toekomstige vreugde kunnen verstoren?

Maar de ongehoorzame bewoners van de hemelen moeten onderschikt worden aan Christus, zodat ze allen in Hem zullen worden samengevat, die van de hemelen en die van de aarde (Ef. 1:10); opdat in de naam van Jezus alle knie zich zal buigen, hemels, aards en onderaards (Fil. 2:10); zodat allen verzoend mogen zijn met God, of ze nu van de aarde of uit de hemelen komen (Kol. 1:20). Efeze, Filippenzen en Kolossenzen vertellen alle drie over hetzelfde grote werk tussen de hemelingen, net als tussen de aardbewoners, waarbij het het lotdeel van de ecclesia is om daar een heerlijk aandeel in te hebben. Beseft u de grootheid van uw lotdeel in Christus? Beseft u dat het door de ecclesia is, die Zijn lichaam is, Zijn komplement, dat Hij in staat zal zijn het "alles in allen" te bereiken(Ef. 1:23)? Beseft u dat het in de ecclesia is, net als in Christus, dat God heerlijkheid zal vinden

"voor alle geslachten van de aion der aionen"
(Ef. 3:21;Conc. NT)
Het geschenk van de genade, voordat de aionen begonnen aan de ecclesia gegeven in Christus Jezus (2Tim. 1:9), vindt haar volle uitwerking in de bediening van de ecclesia doorheen de aionen der aionen, wanneer haar leden Gods genade in al haar volkomenheid tonen. (Ef. 2:7). De basis van dit tonen is de genade die de ecclesia zelf uit de hand van God heeft ontvangen. Dit wordt in Efeze 2:1-10. Twee maal verklaart de apostel dat "in genade zijn jullie gered" en dat is niet uit onszelf. het is geheel uit God. Daarom zijn wij in de positie om de "allesoverstijgende rijkdom van Gods genade" te tonen op een manier die anders vrijwel onmogelijk zou zijn. Dit is een noodzakelijk factor in de bediening van de ecclesia! God begenadigt Christus met een Naam die is boven alle naam, want Hij is waardig om de eer te ontvangen; Hij begenadigt de ecclesia met een redding en een lotdeel, al haar leden, individueel, volkome onwaardig.

In de bediening van Christus en Zijn ecclesia, vindt ook de mensheid haar hoogste en meest nobele uitdrukking en wordt de reden voor haar schepping, naar de beeltenis van God, gedemonstreerd. Want Christus, gekomen in de gelijkenis van de mensheid(Fil. 2:7) en als een mens bevonden, werd door Zijn opstanding de Eerste van een nieuwe mensheid. En de ecclesia, als Zijn komplement, wordt ook deel van die nieuwe mensheid. Het niveau van de maat van de gestalte van het komplement van de Christus is gekoppeld aan de volwassenheid in Efeze 4:13 en 14en we kunen deze toestand slechts bereiken door de oude mensheid met al zijn fouten af te leggen en

"de nieuwe mens aandoet, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid"
(Ef. 4:24;NBG)


Scène Zestien
Onze laatste scène wordt ook wel eens de "grote overdracht" genoemd. Want als allen in Christus tezamen zijn gebracht, als allen in het universum zich aan Hem hebben onderschikt, als allen de kracht en macht van Jezus' naam prijzen en zelfs de engelen zich voor Hem neerwerpen, dan, wat gebeurd er dan?
Dan zal Christus afstand doen en alles aan Zijn Vader overdragen, opdat God zal zijn Alles in Allen.

Kunt u zich een mindere heerser voorstellen die bereid is om zo veel over te dragen? Maar de grootheid van Gods doelstelling ligt dan ook ten diepste in het volkomen vertrouwen dat de Vader had in de Zoon van Zijn liefde! God kan alles investeren in Christus, in het vertrouwen dat Hij alles weer aan Hem zal teruggeven; God kan Christus tot de allerhoogste positie in het heelal laten stijgen in de absolute zekerheid dat de Zoon nooit de positie van de Vader zal toe-eigenen.

En daarom lezen we in 1 Kor. 15:24

"daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben."
(NBG)
Dit gebeurt wanneer alle andere machten en krachten zullen zijn onderworpen en de laatste vijand, de dood zelve, vernietigd is. Wanneer alles aan Christus is onderworpen, dan
"Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen."
(vs. 28)
Alles in Allen! Geen van Gods schepselen bevindt zich buiten het bereik van Zijn liefde. Niets buiten God Zelf zal inwonen in ook maar een van Zijn schepselen!!

Zo ontvouwt Gods doelstelling, eens heel erg samengebald en geconcentreerd, zodat het samengebracht werd in een Man die aan een paal als een boosdoener, zich nu weer om de verste verten van de schepping over te nemen.
Waarlijk, Gods gedachten en manieren zijn niet de onze, maar oneindig meer verheven! En hoe hoe groot is Zijn doelstelling, in eerste gedachte, in zijn uitwerking en in zijn heerlijke vervulling! In iedere fase dient het om Die Ene te verheerlijken Wiens doelstelling wordt bereikt!

John H. Essex




© Grace and Truth Magazine