De plaats van de mensheid in Gods doelstelling - deel 6.
De al-voldoendheid van God - deel 2

door John H. Essex

Zoals reeds aangeduid in het voorafgaande artikel in deze serie, gaf God de mensheid een nieuwe start met Noach, voor hem de opdrachten herhalend die Hij oorspronkelijk aan Adam had gegeven [ En Elohim zegent hen en Elohim zegt tot hen: "Wees vruchtbaar en vermeerder en vul de aarde en bedwing haar, en heers over de vis van de zee en over wat vliegt in de hemelen en over elk dier dat beweegt op de aarde." Gen. 1:28 en En Elohim zegent Noach en zijn zonen en Hij zegt tot hen: "Wees vruchtbaar en neem toe en vult het land Gen 9:1]. Maar het werd al snel duidelijk dat de ongerechtigheid al weer overvloedig aanwezig was, en bij de toren van Babel verspreidde God de mensheid en verwarde Hij hun talen om hen te beperken. En nog werden dingen erger en tegen de tijd dat we bij Terach en Abram aankomen was de mensheid weer vrijwel net zo slecht als ze in de dagen van Noach was. Dit wordt getoond door het feit dat, toen God besloot om Sodom en Gomorrah te verwoesten vanwege hun boosaardigheid, alleen Lot en zijn twee dochters gered werden, omdanks de belofte aan Abraham dat de stad gespaard zou worden als er slechts tien rechtvaardige mensen binnen haar muren gevonden konden worden. Maar net als Noach had Lot geen bekeerlingen.

Steeds weer vinden we de mensheid zich richten naar afgoderij en boosaardigheid wanneer God Zijn terughoudende invloed terugtrekt. Zelfs Israel, de afstammelingen van Abraham, viel vele malen terug naar de afgoderij van hun voorvaders en moest God ze kastijden. De hheidense natiŽn zijn niet beter. In dit alles vinden we dat de geschiedenis zich voortdurend herhaalt. De ongerechtigheid van de Amalekieten, de boosaardigheid van Nineveh, het ongeloof en de perversiteit van de generatie die leefde ten tijd van de eerste komst van de Heer, de boosaardigheid en het geweld van de eindtijd van deze aion die we nu zien en die wordt vergeleken met de dagen van Noach, en de rebellie die onder de mensheid zal uitbreken aan het einde van het millennium wanneer de Tegenstander voor korte tijd wordt losgelaten en de terughouding van de rechtvaardige heerschappij wordt weggenomen, al deze zijn bewijzen van de onlosmakelijke onrechtvaardigheid van de mensheid, die het voor wat dan ook in het vlees onmogelijk maakt God een genoegen te doen. Zelfs de rechtvaardige heerschappij van Christus verandert de onlosmakelijke neigingen van de mensheid niet; ze onderdrukt ze alleen maar. Aleen een nieuwe schepping kan ze veranderen.

En daarom veronderstellen we dat toen Abram geroepen werd, er niemand rechtvaardig was, nee, echt niemand, zelfs Abram niet. Hij was net als de rest, maar God verscheen aan hem in Ur der ChaldeeŽn en gaf hem opdracht zijn huis te verlaten en uit te gaan naar een land dat God hem zou tonen. En Abram, een afgodendienaar, gehoorzaamde de stem van enig ware God. Zo is de superioriteit van de kracht van God boven die van de afgoden die Abram en zijn metgezellen aanbaden. Vanaf dan zou Abram alleen de God aanbidden die Zich naar hem boog en hem uitkoos om de God van Abraham genoemd te worden.

In Genesis 12 vinden we Abram in de leeftijd van 75 en zich naar het land Kanašn begevend, vergezeld door SaraÔ, zijn vrouw, en zijn neef Lot. Maar de dingen werden niet direct gemakkelijk voor hem gemaakt. Eerst was er de tegenstand van de daar geboren inwoners, want we lezen dat de Kanašnieten nog steeds in het land verbleven En Abram trekt door in het land tot zo ver als de plaats Sichem, zo ver als de eik van More. En de Kanašnieten woonden toen in het land. [Gen. 12:6]. Ten tweede was er een hongersnood in het land (vers 10), en deze was zo zwaar dat het Abram dwong hulp te zoeken in Egypte. Kennelijk was hij zich er niet van bewust dat toen God hem het land gaf, Hij hem alles gaf wat er in was en dat omvatte ook de hongersnood. Abram had moeten blijven waar hij was en God vertrouwen dat Hij zou voorzien. Maar God had Zich nog niet aan Abram onthuld als de Al-voldoende, en Abram vertrouwde op zijn eigen oordeel.

Dit is de eerste keer dat Egypte in de Schrift wordt genoemd, en wat voor een gebeurtenisrijk incident zou dit blijken te zijn. Geheel buiten het feit om dat Abram, door op zichzelf te vertrouwen, in de problemen kwam en de tussenkomst van God nodig had om hem te verlossen, was het mogelijk tijdens zijn bijwonen in Egypte dat SaraÔ de diensten van Hagar verkreeg, haar Egyptische dienstmeid, die de moeder van Ishmael zou worden en daarmee ook de moeder van alle Arabieren. En de gevolgen hiervan zijn vandaag nog waar te nemen in de vijandschap van de Arabische staten tegen Israel.

Ten derde was er het probleem binnen zijn eigen familie - het scheiden van Lot dat leidde tot een voortdurende strijd tussen hun respectievelijke herders, zodat Abram het wenselijk achtte dat zij uit elkaar zouden gaan. Dit werd gevolgd door een soort stammenoorlog in het land, waarin Lot gevangen werd genomen en Abram en diens dienaren met kracht uitgingen om hem te bevrijden.

En ten vierde was er de twijfel in zichzelf over de vraag of God in staat was Zijn belofte te vervullen. Of had Hij soms een beetje hulp van Abram nodig op basis van het hedendaagse populaire idee: "God helpt hen die zichzelf helpen"? Abram was door God verzekerd geworden dat een die uit hemzelf geboren zou worden zijn erfgenaam zou zijn. Maar toen rees de vraag: Was SaraÔ soms te oud? Ze namen beiden aan dat dit zo was en nadat zij tien jaar in Kanašn hadden gewoond besloot SaraÔ dat er iets aan gedaan moest worden, en zij gaf haar Egyptische dienstmeid Hagar aan Abram als vrouw. Als gevolg van deze misverstane inspanning om God te helpen werd Ishmael geboren en er valt niet aan te twijfelen dat gedurende de volgende dertien jaren Ishmael opgroeide als Abrams zoon, en in Abrams denken was hij de erfgenaam van de belofte. Denk er aan dat Abraham later tot God zei: "O, dat Ishmael voor Uw aangezicht moge leven!" (Gen. 17:18).

Het laatste vers van Genesis 16 vertelt ons dat Abram 86 jaren oud was toen Ishmael werd geboren, en het eerste vers van het volgende hoofdstuk vertelt ons dat hij 99 jaren oud was toen God aan hem verscheen en Zichzelf introduceerde als de God Die Al-voldoende is: "Ik ben El, De Voldoende! Wandel voor Mijn aangezicht en word smetteloos."

Wat is de betekenis hiervan? Wat is de reden er voor? De volgende paar verzen geven het antwoord. God neemt nu de regie over en gaat Abram laten zien dat Hij al-voldoende is in Zichzelf om Zijn beloften te houden, hoe moeilijk en zelfs onmogelijk ze in menselijke ogen schijnen te zijn. Zeven maal in de volgende paar verzen vertelt God aan Abram wat Hij doet of gaat doen, en al wat van Abram wordt verlangd is dat hij zou geloven, meer niet. De Al-voldoende God zal hem boven mate vruchtbaar maken en daarbij passend zal zijn naam vanaf dan Abraham zijn, want God zei: "En jouw naam zal niet langer Abram genoemd worden. Jouw naam wordt Abraham, want Ik maak jou tot vader van een menigte van natiŽn" (Gen. 17:5). Abram betekent "verhoogde vader." Abraham betekent "verhoogde vader van een menigte."

Maar God dan vroeg Abraham om iets te doen dat nogal bijzonder was; Hij vroeg hem om zichzelf te besnijden en bedong dat alle mannelijke kinderen van zijn zaad ook besneden zouden worden. En dit zou het teken zijn van het verbond dat God met hem maakte. En hoe is dit verbond een teken? Hoe kon dit bijzondere ritueel een bevestiging van een verbond zijn?

Het kan maar op ťťn manier; dit is door aan te duiden dat het vlees niets kan bereiken. Het wegwerpen van een deel van het vlees stond symbool voor de waardeloosheid van heel het vlees om iets te bereiken dat God verlangde. Het vlees kon alleen Ishmael voortbrengen, een zoon die onontkoombaar onderschikt zou zijn aan de slavernij dan het vlees - Ishmael was de zoon van de slavin. Maar God kon een Izašk verkrijgen, een zoon die in het geheel niet onderschikt zou zijn aan slavernij - de zoon van een vrije. Dit is allemaal allegorisch, zoals Paulus vertelde aan de Galaten. Het is waar dat in alles wat de mensheid bewerkt, het vlees alleen dat kan produceren wat onderschikt is aan de slavernij van de zonde, want zonde is nu een aangeboren deel van het vlees; maar God kan, werkend door het vlees, voortbrengen wat vrij is van al dit soort slavernij en daarom aangenaam voor Hemzelf. Dit principe is vandaag net zo waar als dat het was in de dagen van Abraham.

En Abraham kwam tenslotte tot de erkenning hiervan, zoals we zien wanneer het verhaal wordt voortgezet. In Genesis 17:15 zien we dat God SaraÔ's naam verandert in Sara en aan Abraham een zoon van haar belooft. Abrahams onmiddellijke reaktie was om op zijn gezicht te vallen, te lachen en in zijn hart zeggen: "Zal aan zoon van honderd jaren nog geboren worden? En als Sarah negentig jaren oud is, zal zij nog baren?" (Gen. 17:17). Hij was nog een beetje onzeker en zei tot God: "O, dat Ishmael voor Uw aangezicht moge leven!" (Gen. 17:18). Maar God herhaalde Zijn eerdere uitspraak en zei: "Toch zal Sarah, jouw vrouw, voor jou een zoon baren, en jij noemt zijn naam Izašk. En Ik richt Mijn verbond met hem op, tot een aionisch verbond, met zijn zaad na hem" (Gen. 17:19). En dan, na een troostend woord voor Abraham met betrekking tot Ishmael, benadrukt God voor de derde maal het verbond dat Hij met Izašk zou vestigen, door te herhalen dat Sara het volgend jaar voor hem een zoon zou baren.

We merken de verandering op van naam van SaraÔ naar Sara door middel van de Hebreeuwse letter die overeenkomt met onze letter 'h' (wordt in het Nederlands weggelaten). Het is dezelfe letter die ingevoegd werd in Abrams naam om die in Abraham te veranderen; in beide gevallen de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet (vijf is het getal van genade). Van eenvoudig iemand te zijn die in hoge achting werd gehouden, wordt ze nu een Vorstin, een moeder van natiŽn. Twee maal meer in het volgende hoofdstuk zou de Heer de belofte over Sara herhalen, het tot vijf maal in totaal makend - drie maal aan Abraham alleen en twee maal aan Abraham binnen het gehoor van Sara. Abraham had gelachen en Sara had gelachen, beiden in ongeloof, maar God daagde hen beide uit met een onderzoekende vraag: "Is dit een zaak die voor JAHWEH te wonderlijk is?" (Gen. 18:14).

God zou hun lachen uit ongeloof veranderen in een lachen uit blijdschap door hen een zoon te geven wiens naam zou zijn  "Lach-veroorzaker," want dat is de letterlijke betekenis van Izašk. Maar om dit te kunnen laten gebeuren moest Abraham God aanvaarden als de Al-voldoende, Degene Die alles zonder enige hulp van buiten zou bereiken. En dit is exact wat Paulus onder onze aandacht brengt in Romeinen 4, wanneer hij van deze episode in Abrahams leven spreekt. Beginnend in vers 16 lezen we:

"16 Vanwege dit is het vanuit geloof, opdat het overeenkomstig is met genade, dat de belofte bevestigd wordt voor Šl het zaad, niet alleen voor degene vanuit de wet, maar ook voor degene vanuit het geloof van Abraham, die vader is van ons allen,
17 zoals het is geschreven: "Tot vader van vele natiŽn heb Ik jou geplaatst," ten aanschouwen waarvan hij God gelooft, Die de doden levend maakt en de niet zijnde dingen als zijnde roept,
18 die, naast hoop op hoop, gelooft in het hem vader van vele natiŽn worden, overeenkomstig het uitgesproken zijnde: "Zo zal jouw įzaad zijn."
19 En niet zwak zijnde in het geloof, beschouwt hij zijn lichaam reeds verstorven zijnde (hij was ongeveer honderd jaar) en de doding van de moederschoot van Sara.
20 Maar aan de belofte van God werd niet getwijfeld in het ongeloof, maar hij werd bij machte gemaakt in het geloof, heerlijkheid aan God gevend,
21 ook ten volle verzekerd zijnde dat wat Hij heeft beloofd, Hij ook machtig is te doen.
22 Daarom ook wordt het hem tot rechtvaardigheid toegerekend."

(Rom. 4:16-21)

God had tot Abram gezegd: "Ik ben El, De Voldoende! Wandel voor Mijn aangezicht en word smetteloos." Abram, zijn naam nu veranderd in Abraham, geloofde en vertrouwde God in blind vertrouwen en door dat te doen werd hij de vader van allen die geloven.

Wat is dit een heerlijke titel, de vader van allen die geloven! In een wereld vol van afgoderij steekt Abraham uit als degene die geloofde. Maar deze titel brengt nog meer over dan dit. Abel geloofde God, Henoch geloofde God, Noach geloofde God. Al dezen staan vůůr Abraham in de lijst van geloofspersonen in HebreeŽn 11. Waarom is dan geen van dezen de vader van allen die geloven? Het antwoord komt uit het feit dat aan geen van deze God Zich voorstelde als de Al-voldoende God. Aan Noach, bijvoorbeeld, stelde Hij Zich niet op die manier voor. Als Hij dat had gedaan zou Hij de ark aan Noach geleverd hebben. In plaats daarvan werd Noach aangemoedigd te geloven dat hij heel wat zelf te doen had om zijn redding veilig te stellen. Hij moest de ark bouwen, wat aanzienlijk veel tijd nam en veel werk kostte. Maar aan Abraham stelde Hij Zich voor als de God Die volstaat - de God Die bereid is alles te doen, zelfs tot en met het levendmaken van de doden en tot stand roepen wat niet is alsof het was. En het is omdat Abraham zulk een God geloofde dat hij de vader is van allen die geloven.

Met andere woorden, een nieuw concept is geÔntroduceerd geworden in het geloven. Het is niet langer een geval van  "God helpt hen die zichzelf helpen," maar  "God helpt hen die zichzelf niet kunnen helpen." En er is niemand die zichzelf kan helpen, want het groot totaal van menselijke inspanning is slechts "ijdelheid." En zulk een geloof levert de basis voor een rechtvaardig houden.

Maar het werd niet geschreven vanwege Abraham alleen dat rechtvaardigheid aan hem toegerekend wordt, "maar ook vanwege ons, aan wie het op punt staat toegerekend te worden, aan die geloven in Die Jezus, onze Heer, wekt vanuit doden, Die werd overgeleverd vanwege onze misstappen en werd gewekt vanwege onze rechtvaardiging. Dan gerechtvaardigd wordend vanuit geloof, zullen wij vrede hebben naar God, door onze Heer, Jezus Christus" (Rom. 4:24-5:1).

Het evangelie van de al-voldoendheid van God werd tevoren aan Abraham gepreekt, zodat hij zou erkennen dat de uitwerking van Gods beloften alleen van Hem afhankelijk is en God onthult Zichzelf aan ons op precies dezelfde manier door Zijn apostel Paulus. Zegt Paulus niet in 2 Korinthe 5...

"Want de liefde van Christus dringt ons, dit oordelend: dat ťťn ten behoeve van allen stierf, dus stierven de allen. En Hij stierf ten behoeve van allen, opdat die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar ten behoeve van de voor hen stervende en gewekt wordende, zodat wij, vanaf nu, niemand waargenomen hebben overeenkomstig het vlees. En indien wij Christus ook overeenkomstig het vlees gekend hebben, kennen wij Hem nu niet meer zo."
(2 Kor. 5:14-16)

Het vlees wordt terzijde geworpen, zoals God, in het beeld van de besnijding, aan Abraham toonde. "En indien wij Christus ook overeenkomstig het vlees gekend hebben, kennen wij Hem nu niet meer zo." Waarom? Omdat Christus Zijn vlees heeft overgegeven op Golgotha. "Zodat: indien iemand in Christus is, die is een nieuwe schepping" (2 Kor. 5:17). Op dit punt vragen we: Wie is de schepper van de nieuwe schepping? Natuurlijk is het God. Hij is de Schepper van de nieuwe, net zoals Hij de Schepper van de oude was. Heeft de mensheid iets in de brengen in haar eigen schepping? Hebben we in het ons opnieuw scheppen ook maar iets te zeggen? "Zodat: indien iemand in Christus is, die is een nieuwe schepping. De dingen van de begintijd gingen voorbij. Neem waar, nieuwe dingen zijn geworden! Maar het al is vanuit God, Die ons tot Zichzelf verzoent door Christus en aan ons de bediening van de verzoening geeft" (2 Kor. 5:17,18).

 "Maar het al is uit God" zegt Paulus. "Ik ben de God Die volstaat," zei God tot Abraham. Kunnen we het geestelijke feit aanvaarden dat in onze redding en in onze levens alles uit God is, en niet proberen de compleetheid van Zijn werk te overspelen door te proberen een weinig van onze eigen inspanningen toe te voegen?

Augustus Toplady*1) vatte de positie samen toen hij schreef:

"Niet de werken van mijn handen,
kunnen de eisen van de wet vervullen;
Kon mijn vuur geen respijt kennen,
konden mijn tranen voor altijd vloeien,
al mijn zonden zouden niet verzoend kunnen zijn:
U moet redden en U alleen.

Met mijn handen breng ik niets,
ik hou mij alleen maar aan Uw kruis vast;
naakt kom ik naar U om gekleed te worden.
hulpeloos zie ik naar U op voor genade."

Ook Paulus somde het op toen hij aan de EfeziŽrs schreef:

"Want in de genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet vanuit jullie zelf; het is het naderingsgeschenk van God, niet vanuit werken, opdat niemand zich zou beroemen. Want wij zijn van Hem, een maaksel dat geschapen wordt in Christus Jezus voor goede werken die God van tevoren gereed maakt, opdat wij in hen zouden wandelen."
(Efe. 2:8-10)

"Wandel voor mijn aangezicht en wordt smetteloos" zei God tot Abraham, "opdat wij heiligen en smettelozen zijn voor Zijn aangezicht," schreef Paulus (Efe. 1:4). Laat dit voor altijd onze houding zijn tegenover God, zodat wij Hem erkennen als de Ene Die Voldoende is, alsook Degene Die Voorziet, want alles is uit Hem.

Naar deel 7



*1) - Augustus Montague Toplady (4 november 1740 Ė 11 augustus 1778) was een Anglicaanse geestelijke en liederen schrijver.




© Grace and Truth Magazine